|
"Het profeetschap zal onder
jullie zijn zolang Allah het wil, en dan wanneer Allah het wil zal Hij het
wegnemen. Vervolgens zal er de Khilafa Raasjida zijn zolang Allah het
wil, en dan wanneer Allah het wil zal Hij het weg nemen. Dan zal er een
pijnlijk leiderschap zijn zolang Allah het wil, en dan wanneer Allah het wil
zal Hij het weg nemen. En dan zal er de tirannie zijn zolang Allah het wil, en
dan wanneer Allah het wil zal Hij het weg nemen. En dan zal er (terug) de
Khilafa zijn volgens het voorbeeld van de Profeet. En toen zweeg de Profeet." (Imam
Ahmed)
Introductie
‘Oemar ibn Al Chattab (ra) werd door
de eerste Khalifa van de Boodschapper van Allah (saw), Aboe Bakr (ra),
aangewezen als zijn opvolger in het regeren over de mensen volgens Islam. Hij
was derhalve de "Khalifa van de Khalifa van de Boodschapper van Allah (saw)", en
de tweede van de vier Khoelafaa ar Raasjiddien, de Rechtgeleide
Kaliefen.
Zijn naam, zijn genealogie, zijn jeugd, en zijn status onder Qoraiesj
Zijn naam was ‘Oemar ibn Al
Chattab ibn Noefayl ibn ‘Abd al ‘Oezza ibn Riya ibn Qart ibn Raza ibn ‘Adi ibn
Ka'ab ibn Loe'ayy. Hij werd geboren 12 jaar na de Boodschapper
van Allah (sw), in het dertiende jaar na de Olifant, als zoon van Khattab en
Khatma. De stam waartoe hij behoorde was Banoe Adi, een zijtak van Qoraiesj.
Hij behoorde tot de nobelen van Qoraiesj en was door hen de rol van ambassadeur
toegewezen. Wanneer een oorlog uit brak tussen Qoraiesj onderling, of tussen
Qoraiesj en een andere stam, dan stuurde men ‘Oemar als ambassadeur om
besprekingen te leiden en boodschappen over te brengen. En wanneer iemand de
Qoraiesj vroeg om een persoon te zenden die zou kunnen oordelen in bepaalde
aangelegenheden, zoals kwesties betreffende status en afkomst, dan stuurden ze
‘Oemar.
De familie
van ‘Oemar was niet rijk. Hij stond bekend als een sterke, gedisciplineerde
man. Hij was groot en gespierd, een vooraanstaande worstelaar. Hij was
bijzonder rechtlijnig, en als hij ergens in geloofde dan was er niets dat hem
hiervan af kon brengen. En hij kon als één van de weinige mensen in Mekka lezen
en schrijven, wat betekent dat hij enige opleiding genoten moet hebben. Als
jonge volwassene was ‘Oemar ook actief in de handel, wat hem grote rijkdom
bracht.
Zijn bekering tot Islam
Bij de komst van de Boodschapper
van Allah (saw) hield ‘Oemar in eerste instantie ferm vast aan zijn
polytheïsme. Toen zijn slavin Loebna moslim werd sloeg hij haar, en eiste dat
zij op haar besluit terug zou komen. Ze antwoordde dat hij haar mocht doden,
maar dat ze niet op haar besluit terug zou komen. Vanaf dat moment sloeg ‘Oemar
haar iedere dag, soms totdat hij, de grote sterke ‘Oemar, de grote worstelaar
en gevreesde vechter, zo moe werd dat hij haar niet meer kon slaan. Maar Loebna
week niet van haar geloof.
Nog in de tijd dat de moslims in
Mekka gering in aantal waren en zichzelf niet publiekelijk bekend maakten,
sprak de Boodschapper van Allah (saw) volgens een overlevering van Ibn ‘Oemar
(ra): O Allah! Versterk Islam met wie van de volgende twee mannen U het
meest geliefd is: ‘Oemar ibn Al Chattab of Aboe Djahl ibn Hisjaam. En in de
overlevering van Ibn ‘Abbas: O Allah! Versterk Islam in het bijzonder met
‘Oemar ibn Al Chattab.
Er bestaan twee verhalen over de
bekering van ‘Oemar tot Islam. Imam As Soejoeti heeft vermeld dat ‘Oemar zei:
"Ik ging naar buiten op zoek naar een confrontatie met de Boodschapper van
Allah (saw), en ik leerde dat hij me voor was geweest in het bereiken van de
moskee (van Mekka). Ik stond achter hem en hij (saw) begon soera Al Haaqqa te
reciteren. Ik was verwonderd over de compositie van de Koran, en dus zei ik:
‘Bij Allah, dit is een poëet zoals de Qoraiesj zeggen'. Toen reciteerde hij
(saw):
"Dit is voorzeker de boodschap
die een eerwaardige boodschapper heeft gebracht. Het is niet het woord van een
dichter; nietig is hetgeen gij gelooft." (Zie de vertaling van de
betekenissen van de Koran, soera Al Haaqqa 69, vers 40 - 41)
Tot het einde van het vers, en
Islam kwam in mijn hart."
Anas
(ra) heeft verteld hoe ‘Oemar naar buiten kwam met zijn zwaard en een man van
Bani Zoehra hem staande hield en vroeg: "Waar ben je van plan te gaan?". ‘Oemar
antwoordde: "Ik wil Mohammed vermoorden!". Hem werd verteld: "Hoe zul je veilig
zijn voor Bani Haasjim en Bani Zoehra nadat je Mohammed hebt vermoordt?". ‘Oemar
antwoordde: "Ik kan enkel geloven dat jij je bekeerd hebt". Hierop zei de man
van Bani Zoehra: "Zal ik je iets verbazingwekkends laten zien? Jouw eigen schoonbroer
en zuster hebben jouw Dien verlaten!". ‘Oemar liep hierop door en kwam bij
hen op het moment dat Khabbab samen met hen was. Toen Khabbab de stem van ‘Oemar
hoorde verborg hij zich in het huis. ‘Oemar trad binnen en zei: "Wat is dit
voor gefluister?". Ze hadden zojuist soera Taha gereciteerd. Ze zeiden: "Niets
anders dan een eenvoudige conversatie tussen ons". ‘Oemar zei: "Misschien
hebben jullie je bekeerd?", waarop de schoonbroer van ‘Oemar antwoordde met een
wedervraag: "Wat als de waarheid buiten jouw Dien ligt?". In reactie belaagde ‘Oemar zijn schoonbroer, sprong
boven op hem en sloeg hem hard. Zijn zuster probeerde tussenbeide te komen en ‘Oemar
weg te duwen van haar man, maar ‘Oemar sloeg ook haar. Zo hard dat het bloed
van haar gezicht stroomde. Daarna zei ze, boos: "En wat als de waarheid buiten
jouw Dien ligt?". Na een korte pauze zei ze: "Ik getuig dat er geen God is
buiten Allah en dat Mohammed Zijn (swt) slaaf en Boodschapper is!". ‘Oemar
vroeg haar: "Geef aan mij datgene wat jullie hebben en ik zal het lezen", maar
zijn zuster zei: "jij bent vuil en niemand leest dit buiten degenen die zich
gereinigd hebben (dus was jezelf)". ‘Oemar verrichte hierop woedhoe en begon
soera Taha te lezen, totdat hij kwam bij:
"Voorwaar, Ik ben Allah en er is geen God
buiten mij dus aanbidt mij en verricht de Salat in herinnering aan mij." (Zie de
vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Taha 20, vers 14)
‘Oemar
zei hierop: "Leidt mij de weg naar Mohammed". Toen Khabbab de woorden van
‘Oemar hoorde kwam hij tevoorschijn en zei: "Verheug je ‘Oemar! Want ik hoop
dat jij het antwoord bent op de smeekbede die de Boodschapper van Allah (saw)
voor jouw gedaan heeft op de avond van de donderdag: ‘O Allah, versterk
Islam met ‘Oemar ibn Al Chattab of met ‘Amr bin Hisjaam'."
In de
overlevering van Aslam vertelt ‘Oemar: "Ze wezen me de weg naar de Profeet
(saw), in een huis aan de voet van (de berg) As Saffa. Ik ging er naar toe en
klopte op de deur. Ze zeiden: ‘Wie is daar?'. Ik zei: ‘Ibn Al Chattab'. Ze
kenden de ernst van mijn tegenstand tegen de Boodschapper van Allah (saw), dus
niemand bewoog zich om de deur te openen totdat hij (saw) zei: ‘Open het (de
deur) voor hem'. Ze openden de deur voor me en twee mannen grepen me bij
mijn bovenarmen en brachten me bij de Profeet (saw), die zei: ‘Laat hem los'.
Toen greep hij me bij mijn hemd en zei: ‘Accepteer Islam, Ibn Al Chattab. O
Allah, leid hem!'. En ik getuigde en de moslims zeiden "Allahoe Akbar!" zo
luid dat het gehoord werd in de valleien van Mekka."
Tijd in Mekka
‘Oemar
heeft eens gezegd, sprekend over zijn verleden: "Ik hield er niet van dat
mensen sloegen of geslagen werden tenzij ik het zelf ook ervaarde. Dan deed het
me niets. Ik ging naar mijn oom, Aboe Jahl ibn Hisjaam, die één van de nobelen van
Qoraiesj was, en klopte op zijn deur. Hij vroeg: ‘Wie is daar?'. Ik zei: ‘Ibn
Al Chattab en ik ben bekeerd'. Hij zei: ‘Niet doen', en sloeg de deur dicht in
mijn gezicht. Ik zei ‘dit is niets', en ging verder naar één van de andere nobelen
van Qoraiesj, riep hem naar buiten en hij kwam. Ik vertelde hem hetzelfde als
ik mijn oom had verteld, maar hij vertelde mij hetzelfde als mijn oom had
verteld en sloeg ook de deur dicht in mijn gezicht. Ik zei: ‘Dit is niets, de
moslims worden geslagen en ik word niet geslagen'. Een man zei tegen me: ‘Wil
je dat je aanvaarding van Islam bekend wordt?'. Ik zei ‘Ja'. Hij zei: ‘Als de
mensen samen zitten in de Hijr, ga dan naar die-en-die, een man die geen
geheim kan bewaren, en zeg tegen hem, gewoon als tussen hem en jouw ,,ik ben
bekeerd'' Het is slechts zelden dat hij een geheim heeft kunnen bewaren'. Ik
ging naar de mensen die reeds in de Hijr bijeen waren gekomen. Ik ging zitten
bij die-en-die en zei: ‘Ik ben bekeerd'. Hij zei: ‘Meen je dat echt?'. Ik zei ‘Ja'.
Hierop piepte de man, op het hoogst van zijn stem: ‘Ibn Al Chattab heeft zich
bekeerd!'. Al de mensen renden in mijn richting, ik sloeg hen en zij sloegen
mij. Toen zei mijn oom: ‘Wat is deze groep (van mensen)?'. Iemand zei: ‘ ‘Oemar
is bekeerd'. Hij (de oom) stond op de Hijr en gaf met de palm van zijn hand aan
‘ik heb de zoon van mijn zuster geholpen' (oftewel: ‘ik bescherm hem en niemand
mag hem aanraken'). Ze gingen uiteen rondom mij. Ik wilde niet zien dat dat ook
maar één van de moslim geslagen zou worden en zou slaan, zonder dit zelf te
ervaren, dus ik zei: ‘Dat wat mij overkomen is, is niets'. Ik ging naar mijn
oom en zei: ‘Je hulp wordt je teruggegeven' (oftewel, ‘ik wil je bescherming
niet'). En ik bleef slaan en geslagen worden totdat Allah (swt) Islam
versterkte."
Ibn Mas'oed (ra) zei: "We werden
sterker en sterker na de acceptatie van Islam door ‘Oemar." En hij (ra) zei:
"Ik zag ons terwijl we niet in staat waren om het gebed te verrichten in de
richting van het Huis (Ka'aba; ten gevolge van de vervolgingen van de moslims
door Qoraiesj), totdat ‘Oemar Islam accepteerde. Hij vocht met hen totdat zij
ons met rust lieten en we konden bidden."
De titel "Al Faroeq"
Moedjaahid
(ra) heeft van Ibn Abbas (ra) verteld dat hij ‘Oemar bin Al Chattab had
gevraagd waarom hem de naam "Al Faroeq" was gegeven, hetgeen betekent "degene
die onderscheidt maakt tussen waarheid en valsheid". ‘Oemar antwoordde: "Nadat
ik Islam had aanvaard, vroeg ik de Boodschapper van Allah (saw): ‘Zijn wij niet
op het rechte pad, hier en in het Hiernamaals?'. De Boodschapper van Allah
(saw) antwoordde: ‘Vanzelfsprekend ben je dat! Ik zweer bij
Allah, in wiens hand mijn ziel is, dat jij het juist hebt in deze wereld en in
het Hiernamaals'. Ik vroeg
de Boodschapper van Allah (saw) derhalve: ‘Waarom hebben wij onze activiteiten dan
op verborgen wijze moeten uitvoeren, oftewel waarom niet open en provocatief?'.
De Boodschapper van Allah (saw) antwoordde: ‘Ik zweer bij Allah, die jouw met de waarheid heeft gezonden, dat we
onze beschutting zullen verlaten en dat we ons nobele doel openlijk zullen
verkondigen'. Hierna gingen
wij uit in twee groepen, eentje onder leiding van Hamza, de ander onder mijn
leiding. We liepen in de richting van de moskee in daglicht. Toen polytheïsten
van Qoraiesj ons zagen trokken hun gezichten bleek weg, ze raakten
teleurgesteld en werden bijzonder vijandig. Bij deze gelegenheid kende de Boodschapper
van Allah (saw) mij de naam "Al Faroeq" toe."
Emigratie naar Medina
‘Ali
(ra) vertelde: "Ik ken niemand die niet in het geheim de Hidjra heeft
verricht, behalve ‘Oemar ibn Al Chattab. Toen hij wou emigreren bond hij zich
zijn zwaard om, hing zich zijn boog over de schouder, droeg zijn pijlen in zijn
hand en kwam naar de Ka'aba waar de nobelen van Qoraiesj zich hadden verzameld.
Hij verrichte twaalf tawaf (omwandelingen
van de Ka'aba) en bracht een twee-rakat gebed op de plaats van Ibrahiem (as).
Hierna begaf hij zich naar hun kring en zei: ‘Wat een lelijke gezichten! Wie
van jullie zijn moeder wil beroven (van haar kind), zijn kinderen tot wees wil
maken en zijn vrouw tot weduwe, laat hem mij ontmoeten achter de vallei'. Niet één
van hen heeft ‘Oemar gevolgd." Onder de bescherming van ‘Oemar (ra) trokken
omstreeks 20 moslims met hem naar Al Madina.
Tijd in Al Medina
In Al Medina voorzag ‘Oemar (ra)
samen met Aboe Bakr (saw) de Boodschapper van Allah (saw) van assistentie. Zij
waren zijn assistenten, en hij (saw) vroeg hen om advies en naar hun mening bij
verschillende kwesties. Imam As Soejoeti zegt dat ‘Abdoerrahman bin Ghanam
heeft gezegd, dat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: Als jullie
twee (Aboe Bakr en ‘Oemar) bij een verzoek om advies het eens zijn, zal ik niet
tegen jullie ingaan.
Imam An Nawawi heeft gezegd: "
‘Oemar heeft, tezamen met de Boodschapper van Allah (saw), al de veldslagen
meegemaakt. En hij was één van hen die op de dag van Oehoed standvastig naast
hem (saw) bleef". Na de dood van de Boodschapper van Allah (saw), werd ‘Oemar
(ra) de voornaamste assistent van Khalifa Aboe Bakr (ra). ‘Oemar (ra) was
degene die Khalifa Aboe Bakr overtuigde van de noodzaak tot het samenbrengen
van de geschreven Koran, om te voorkomen dat delen van de Koran met het
overlijden van degenen die deze gememoriseerd hadden verloren zouden gaan. De
taak waarmee Zaid ibn Thabit (ra) belast werd door Khalifa Aboe Bakr (ra).
Verkiezing tot Khalifa
Op zijn sterfbed vroeg Khalifa
Aboe Bakr (ra) aan enkele van de vooraanstaande metgezellen van de Boodschapper
van Allah (saw) om een reactie op het idee om ‘Oemar als zijn opvolger aan te
wijzen. Dit, opdat er onder de moslims geen twist zou ontstaan na zijn dood
over wie de nieuwe Khalifa zou moeten worden. De mensen waren het erover eens
dat ‘Oemar de meest geschikte persoon zou zijn. De enigste zorg die
uitgesproken werd betrof ‘Oemar's rechtlijnigheid. Moest de leider van een
staat niet ook over een bepaalde flexibiliteit beschikken in de omgang met
mensen? Maar Aboe Bakr (ra) stelde de mensen gerust. Hij zei: "Ik kan uit eigen
ervaring verklaren dat ‘Oemar me altijd tot kalmte gemaand heeft wanneer ik mijn
geduld verloor met iemand, en dat hij het advies gaf om meer streng te zijn
wanneer hij vond dat ik te meegaand was. Derhalve ben ik zeker dat met de tijd
‘Oemar de gematigdheid zal realiseren die jullie vragen."
‘Oemar was uiterst
rechtlijnigheid en accepteerde geen afwijkingen van Islam, en de mensen kenden
hem aldus. En wanneer er een reden toe was dan gebruikte hij deze reputatie om
ervoor te zorgen dat de mensen niet in een moment van zwakte af zouden wijken
van Islam. Maar tegelijkertijd bezat ‘Oemar de wijsheid om in te zien dat
sommige mensen een zachte hand benodigden om hen op het Rechte Pad te krijgen
en te houden, en dan bezat hij ook de flexibiliteit om aldus met de mensen om
te gaan. Derhalve was de zaak feitelijk beslist toen ‘Ali (ra) opstond en
verklaarde dat hij na Aboe Bakr (ra) geen andere Khalifa zou accepteren dan
‘Oemar. Aboe Bakr (ra) riep ‘Oemar bij zich en vertelde hem dat de
vooraanstaande moslims hem hadden gekozen als de Khalifa. ‘Oemar zei: "Maar ik
heb helemaal geen behoefte aan die positie". Aboe Bakr (ra) antwoordde: "Maar
de positie heeft behoefte aan jouw".
Na de dood van Aboe Bakr (ra)
sprak Khalifa ‘Oemar de moslims toe. Hij zei: "O gelovigen. Aboe Bakr is niet
langer onder ons. Nadat hij ons voor twee jaren heeft geleid is hij
teruggekeerd tot zijn Schepper. Hij moet de tevredenheid kennen dat hij met
succes het schip van de Staat der Moslims bestuurd heeft over een woelige zee.
Hij heeft met succes de oorlog tegen de apostatie gevoerd. En dankzij hem is
Islam nu de heerser in Arabië. Islam gaat voorwaarts en wij dragen nu de Djihaad
in de naam van Allah (swt) tegen de machtige rijken van Perzië en Byzantium. Na
Aboe Bakr is de mantel van Khalifa om mijn schouders gewikkeld. Ik zweer bij
Allah dat ik naar deze positie nooit in het geheim verlangd heb. Ik wou dat
deze positie aan iemand anders toegewezen was, iemand meer waardig dan ik. Maar
nu dat in het gemeenschappelijk belang de positie van leider van de moslims tot
mij gekomen is, verzeker ik jullie dat ik niet weg zal rennen van deze positie.
Ik zal een eerlijke poging doen om de zware taken van deze positie te
vervullen, zo goed als ik kan en in overeenstemming met de Leiding van Islam.
Bij het ten uitvoer brengen van mijn taken zoek ik de Leiding van het Boek van
Allah (swt), en ik zal de voorbeelden van de Boodschapper van Allah (saw) en
Aboe Bakr (ra) volgen. Hierbij vraag ik jullie hulp. Als ik het Rechte Pad
volg, volg mij dan. Als ik afwijk van het Rechte Pad, corrigeer me dan. Zodat
we niet af zullen dwalen".
Gebeurtenissen ten tijde van het Kalifaat van ‘Oemar
Kort na het innemen van de
positie van Khalifa riep ‘Oemar (ra) de mensen bijeen om hen toe spreken. Hij
zei hen: "Broeders, ik heb bemerkt dat de mensen angst hebben voor mij. Men
zegt: ‘Toen de Boodschapper van Allah (saw) nog in leven was, was ‘Oemar streng
tegen ons. Tijdens het Kalifaat van Aboe Bakr (ra) was ‘Oemar streng en hard.
Nu dat hijzelf de Khalifa is geworden weet enkel Allah (swt) hoe streng hij zal
zijn'. Wie dit gezegd heeft, zijn uitlating is niet onjuist. De waarheid is dat
ik een slaaf en een dienaar was van de Boodschapper van Allah (saw). De
Boodschapper van Allah (saw) de meest zachtaardige, inschikkelijke en vrijgevige.
In tegenstelling hiertoe was ik hard en streng, zodat ik was zoals het naakte
zwaard. Het was voor de Boodschapper van Allah (saw) om het zwaard te gebruiken
danwel om het in haar schede terug te doen. Bij sommige gelegenheden deed hij
het in haar schede terug, en soms gebruikte hij het. Het was mijn doel om de
Boodschapper van Allah ook de andere kant van het plaatje te laten zien. De (uiteindelijke)
beslissing was bij hem (saw). Soms negeerde hij mijn mening, Er waren andere
momenten waarop hij het met me eens was. Tot aan de dood van de Boodschapper
van Allah (saw) bleef dat de verhouding tussen hem (saw) en mij. Allah zij
dank, de Boodschapper van Allah (saw) was tevreden met mij. Alhoewel de
Boodschapper van Allah (saw) soms mijn advies accepteerde, en het soms afwees,
was hij (saw) tevreden met mijn gedrag. Tijdens het Kalifaat van Aboe Bakr
bleef mijn rol dezelfde. Aboe Bakr was de meest zachtaardig en meelevende. Het
was mijn zaak om de andere kant van het plaatje onder zijn aandacht te brengen.
Hij nam mijn mening altijd in overweging, maar de uiteindelijke beslissing lag
bij hem. Soms was hij het met mij eens en handelde ik als zijn dienaar om een
beslissing die streng leek ten uitvoer te brengen. Soms ook was hij het niet
eens met mijn mening, en moest ik stil blijven. Ik ben blij dat Aboe Bakr mijn
gedrag goedkeurde ten tijde van zijn positie, en mij uiteindelijk voorstelde
als zijn opvolger. Alhoewel ik niet naar de positie verlangde. Nu dat de gehele
verantwoordelijkheid tot mij gekomen is, weet mijn broeders dat ik voel dat er
een verandering in mij opgetreden is. Ik zal niet langer hard en streng zijn in
alle zaken. Zij die tirannen zijn en anderen hun rechten ontnemen, ik zal hard
en streng zijn (tegenover hen). Maar zij die de wet volgen, en die toegeweid
zijn aan de religie, ik zal de meest zachtaardige en meelevende zijn. Ik zal
niet tolereren dat iemand zichzelf te buiten gaat. Wie tirannie bedrijft, ik
zal hem ter verantwoording roepen. Ik zal streng en hard zijn tegen de
agressor, maar ik zal een pilaar van kracht zijn voor de zwakke. Zij zullen in
mij hun beste vriend vinden".
Khalifa ‘Oemar (ra) zou bekend
worden voor zijn nederigheid en eenvoud, zijn rechtvaardigheid in het oordelen
tussen mensen en zijn zorg het welzijn van de mensen. Omdat het ambt van
Khalifa hem zozeer bezig hield dat hij zich niet langer aan de handel kon
wijden, stelden de metgezellen van de Boodschapper van Allah (saw) hem voor om
een loon te nemen uit de Bait oel mal (Schatkist van de Islamitische Staat).
‘Oemar (ra) vroeg aan ‘Ali (ra) hoeveel hij zou moeten nemen. ‘Ali (ra) stelde
voor een bedrag gelijk aan hetgeen een modale Arabier nodig had om te
overleven. Niet zoveel als de rijke Arabier, noch zo weinig als de arme
Arabier, maar hetgeen genoeg was voor een modale Arabier. ‘Oemar (ra) ging
akkoord. Maar als verantwoordelijke voor de aangelegenheden van de moslims zag
Khalifa ‘Oemar (ra) het als een grote plicht op hemzelf en zijn familie om niet
onrechtmatig uit de Bait oel Mal te nemen. Hij nam enkel een absoluut minimum
aan loon uit de schatkist. Als Khalifa beschreef men zijn kleren als "een
gewaad van wol met vier lederen flarden tussen de schouderbladen (om de gaten
in het gewaad te bedekken)". Toen Khalifa ‘Oemar op Hadj ging gebruikte
hij bij het slapen het deel van het gewaad dat zijn bovenlichaam bedekte als
tent. Hij was niet bereid om geld aan de Bait oel Mal te onttrekken om voor
zichzelf een tent te laten plaatsen. De Amir al Moe'uminien legde het
bovendeel van het gewaad over een struik, en ging dan zelf onder de struik
liggen. In een overlevering wordt gezegd dat Khalifa ‘Oemar (ra) bij thuiskomst
eens door zijn vrouw getrakteerd werd op een zoetigheid die ze voor hem had
gemaakt. ‘Oemar vroeg haar waar ze de ingrediënten vandaan had, waarop ze hem
vertelde al vele weken een kleine beetje van zijn loon als Khalifa te hebben
gespaard. Zodat ze nu voor hem een zoetigheid had kunnen maken. Daarop
verlaagde Khalifa ‘Oemar zijn loon uit de Bait oel Mal met het bedrag dat zijn
vrouw had weten te sparen.
Van de mensen die Khalifa ‘Oemar (ra)
als vertegenwoordiger van de Islamitische Staat uitzond, bijvoorbeeld als wali
(goeverneur), verwachte hij eenzelfde omgang met de bezittingen van de
Islamitische Staat. Oftewel de bezittingen van de Oemma die de Islamitische
Staat voor hun voordeel behoort te gebruiken. Hij stelde enkel mensen aan, en
hij accepteerde geen verzoeken tot een aanstelling als gouverneur. Omdat
volgens hem juist deze mensen uit waren op het materiele voordeel dat een
positie als gouverneur zou kunnen doen realiseren. Verder liet hij (ra) de bezittingen
opnemen van de mensen die hij uitzond, zodat hij zou merken wanneer ze zich
teveel zouden toe-eigenen. Choezayma bin Thabit heeft verteld: "Iedere keer dat
‘Oemar een wali aanstelde, dan stuurde hij hem een brief waarin hij de
voorwaarden (voor het ambt) uiteenzette, dat hij niet een birdhaun (een
groot en sterk niet-Arabisch paard) zou bereiden, geen delicatessen zou eten,
zich niet in fijne gewaden zou kleden, en zijn deur niet zou sluiten voor de
behoeftigen. En als hij dit wel zou doen, dan zou het toegestaan worden om hem
te bestraffen".
Tegelijkertijd stelde Khalifa
‘Oemar (ra) een systeem ter verdeling van de welvaart van de Islamitische Staat
in. Feitelijk stelde Khalifa ‘Oemar (ra) een systeem van uitkeringen in. De
moslims kregen uit het bezit van de Islamitische Staat, op basis van hun
verdienste voor Islam. Maar ook de niet-moslims kregen uit het bezit van de
Islamitische Staat, indien zij niet in hun eigen onderhoud konden voorzien en
zij niemand hadden om voor hen te zorgen. Er is overgeleverd dat Khalifa ‘Oemar
(ra) eens voorbij een oude man van Ahl oel Dhimma (niet-moslim onderdanen van
de Islamitische Staat) liep, die hij bedelend aantrof. Hij vroeg deze: "Wat is
de reden dat je dit doet?". De oude man antwoordde: "De leeftijd, djiziyya en
behoefte". ‘Oemar zei tot hem: "We hebben je onrechtvaardig behandeld, want we
hebben djiziyya van je genomen toen je jong was maar niet voor je gezorgd nu je
oud bent". ‘Oemar nam de man daarop mee naar zijn huis en gaf hem te eten.
Hierna stuurde hij de man naar de Bait oel Mal en gaf de opdracht niet langer
de djiziyya van de man te nemen, maar om in plaats daarvan hem te voorzien uit
de Bait oel Mal. Verder kon Khalifa ‘Oemar (ra) in de avonden geregeld op
straat tegen worden gekomen, omdat hij gewoon was er dan op uit te trekken om
te horen of er toch geen mensen waren die moesten huilen uit nood of behoefte.
Maar Khalifa ‘Oemar (ra) vergat
ook zijn andere verplichtingen tegenover Allah (swt) niet. Hij bouwde aan een
professioneel leger, terwijl daarvoor de legers van de moslims altijd uit
vrijwilligers hadden bestaan die hun dagelijkse leven onderbraken om voor korte
tijd soldaat voor Islam te zijn. Onder Khalifa ‘Oemar kregen de soldaten die
het soldatenbestaan als beroep kozen een loon. ‘Oemar oordeelde ook dat geen
soldaat langer dan vier maanden op expeditie mocht zijn, omdat dit het leven
van de echtgenote onnodig zwaar zou maken. Dit leger bleef werken aan de
uitnodiging tot Islam, en onder het Kalifaat van ‘Oemar (ra) openden de legers
van de moslims de gebieden in Noord-Afrika voor Islam, de gebieden van Jordanië
en Asj Sjam (Syrië en Libanon), Perzië, Azerbeidjaan en Palestina. In de voor
Islam geopende gebieden richtte Khalifa ‘Oemar (ra) militaire basissen in, waar
soldaten en paarden continu gereed werden gehouden. En er werd voedsel
opgeslagen voor noodsituaties.
Khalifa ‘Oemar (ra) vertrok
persoonlijk naar Al Qoeds (Jeruzalem) om daar het verdrag te
ondertekenen dat het overgaan op de moslims van het bewind over de stad zou
ordenen. Onderweg wisselden hij en zijn dienaar het berijden van het rijdier
van Khalifa ‘Oemar (ra) af. Ieder kreeg evenveel tijd om te rusten als de
ander. Bij toeval was het de dienaar van ‘Oemar wiens beurt het was voor het
berijden van het rijdier op het moment van aankomst bij Al Qoeds. Omdat er
verder ook in kleding geen onderscheid te maken viel tussen Khalifa ‘Oemar (ra)
en zijn dienaar dachten de mensen van Al Qoeds in eerste instantie dat de
dienaar van de Khalifa, de berijder van het rijdier, de Amir al oe'uminien was.
Toen de aanvoerder van het leger van de moslims dit zag, dat de dienaar van
‘Oemar (ra) bij aankomst in Al Qoeds de berijder van het rijdier was terwijl
‘Oemar te voet ging en gekleed in een oude vest, zij hij: "O leider der
gelovigen, is het niet eervoller voor u dat u, de Khalifa van Islam, de stad binnentreed met nieuwe kleren aan en
met een ontvangstcomité? Hierop
antwoordde ‘Oemar (ra) : "Wij zijn een natie die vereerd is door Allah (swt)
met Islam. Het past ons niet om eer en waardigheid te zoeken buiten Islam".
Het verdrag dat Khalifa ‘Oemar
liet optekenen betreffende Al Qoeds is bekend geworden als het "Pact van
‘Oemar". Het verdrag stelde: "In de naam van
Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. Dit is wat de slaaf van Allah (swt) en
de Aanvoerder van de gelovigen, ‘Oemar ibn Al Chattab, heeft aangeboden aan de
mensen van illiya betreffende veiligheid. Het garandeert hen bescherming
van hun leven, hun geld, hun kerken, hun kinderen, hun behoeftigen en hun
onschuldigen, en het restant van hun volk. Hun kerken zullen niet ingenomen
worden, noch zullen ze vernietigd worden, noch zullen ze beledigd of
gekleineerd worden, en evenmin zullen hun kruizen en hun geld dit overkomen, en
ze zullen niet gedwongen worden om van religie te veranderen, noch zal één van
hen kwaad aangedaan worden. Geen joden zullen met hen wonen in illiya, en het
is vereist dat de mensen van illiya de djiziyya betalen, zoals de mensen in de
steden. Het is ook vereist om de Byzantijnen van hun land te verwijderen. En wie
van de mensen van onder de illiya die met hun geld tezamen met de Byzantijnen
willen vertrekken, hun handelsgoederen en kinderen achterlatend, zijzelf, hun
handelsgoederen en hun kinderen zullen veilig zijn totdat zij hun bestemming
bereiken. Op dit boek is het Woord van Allah, het verbond van Zijn
Boodschapper, van de Choelafa'a, en de gelovigen, als zij (de mensen illiya)
geven hetgeen van hen vereist is voor wat betreft djiziyya. De getuigen hierbij
waren Khaalid ibn Al Walid, ‘Amr ibn Al ‘Aas, ‘Abdoerrahman ibn ‘Auf en
Moeawiyya ibn Aboe Soefyan. Geschreven en ondertekend in het 15e
jaar Hidjri".
Khalifa ‘Oemar (ra) bouwde de
staatsstructuur verder uit naarmate de Islamitische Staat groeide. Hij deelde
het land op in gouvernementen, waarvoor hij (ra) een gouverneur aanstelde. De
gouvernementen werden opgedeeld in districten, voor elk waarvan hij (ra) een amil
liet aanstellen die verantwoordelijk werd voor de algemene zaken betreffende
bestuur, en een qadi als rechter. Khalifa ‘Oemar (ra) stelde een systeem
van administratie in werking, waaronder registers bijgehouden werden van al de
staatsaangelegenheden: van de bevolking, van het leger, van de besluiten die de
Khalifa nam, van de plichten en taken van eenieder die een officiële rol
vervulde in het bestuur van de Islamitische Staat, van de inkomsten van de
Staat, van de uitgaven van de Staat, et cetera. Onder Khalifa ‘Oemar (ra) werden
officiële rechtbanken opgericht waar de mensen bij geschillen hun zaak neer
konden leggen voor beoordeling volgens het Boek van Allah (swt) en de Soenna
van de Boodschapper (saw). Ook werd een administratie van de landerijen binnen
van de Islamitische Staat opgesteld, waardoor het eigendom over grond werd
vastgelegd. En deze gronden werden beoordeeld op vruchtbaarheid, zodat de
belasting die betaald hoort te worden over het bezit van land en de opbrengst
van landbouw, bepaald kon worden en rechtvaardig zouden zijn 1.
Zo zorgde Khalifa ‘Oemar (ra) ervoor dat de Islamitische Staat ook bij haar
nieuwe grootte een eenheid bleef, die goed georganiseerd te werk ging bij het
zorgen voor de mensen volgens de Wet van Allah (swt).
En in al de gebieden die de
legers van de moslims openden voor Islam liet Khalifa ‘Oemar (ra) moskeeën en
scholen bouwen, opdat de nieuwe onderdanen van de Islamitische Staat zouden
kunnen leren over Islam. Hij (ra) stelde verschillende individuen aan om de
mensen op deze plaatsen de Koran en Islam te leren, en hij (ra) zorgde ervoor
dat men voor deze posities een loon kreeg uit de Bait oel Mal. Zo kwamen ganse
naties tot Islam, naties die later zelf de taak van implementatie, bescherming
en verspreiding van de boodschap van Islam op zich namen.
Overige zaken waarin ‘Oemar de eerste was
In het tijdperk van Khalifa
‘Oemar (ra) werd de Hidjri kalender ingesteld als de officiële kalender
van de staat. Vóór ‘Oemar kenden de Arabieren geen officiële kalender, ze
kenden enkel dagen en maanden. ‘Oemar realiseerde zich dat dit problematisch
was voor de administratie van de staatsaangelegenheden, en hij vroeg de metgezellen
om na te denken over een oplossing van deze kwestie. Er werden voorstellen
gedaan om de kalenders van de Perzen en de Byzantijnen over de nemen, maar
Khalifa ‘Oemar opteerde voor het voorstel van ‘Ali (ra) om de Hidjra van de
Boodschapper van Allah (saw) van Mekka naar Al Medina te nemen als beginpunt
van de kalender voor de Islamitische Staat.
‘Oemar (ra) werd in eerste
instantie "Khalifa van de Khalifa van de Boodschapper van Allah (swt)" genoemd 2.
Op een gegeven moment vroeg hij zijn wali (gouverneur) in Irak om twee
vakkundige arbeiders te sturen die de mensen in Al Medina een aantal ambachten
zouden kunnen leren. Laabid bin Rabiyya en Adi bin Haathim werden gestuurd.
Toen zij aankwamen in Al Medina vroegen zij de mensen om hun aankomst aan te
kondigen bij de Amir al Moe'uminien (Leider der Gelovigen). De mensen
waren verbaasd door deze aanduiding, en ze vroegen waarom Laabid en Adi de
Khalifa deze titel toe hadden gekend. Ze zeiden: "We zijn allemaal moslims, en
‘Oemar is onze amir (leider), dus Amir al Moe'uminien". Toen dit ‘Oemar
verteld werd liet hij de Sjoera (Raad voor Consultatie en Overleg)
bijeenkomen. Men was het eens dat Amir al Moe'uminien een goede aanduiding voor
de post van Khalifa zou zijn. Zo werd ‘Oemar de eerste Amir al Moe'uminien, en
na hem hebben al de Khoelafaa deze titel gedragen.
Zijn dood
Firoz, alias Aboe Loeloe, was een
slaaf in het bezit van Moeghira Sj'oeba, de gouverneur van Basra. Moeghira
vroeg Khalifa ‘Oemar (ra) toestemming om Aboe Loeloe te werk te mogen stellen
in Al Medina, alhoewel hij geen moslim was. Khalifa ‘Oemar (ra) was
terughoudend in eerste instantie, maar gaf uiteindelijk toestemming omdat
Moeghira hem verzekerde dat Aboe Loeloe een meester in verschillende ambachten
was, waarvan de bevolking van Al Medina veel voordeel zou kunnen hebben.
In Al Medina trok Aboe Loeloe
naar Khalifa ‘Oemar (ra) om zijn beklag te doen over het inkomen dat zijn
meester Moeghira van hem eiste. Aboe Loeloe werd door Moeghira een vrij leven
gelaten, op voorwaarde dat hij iedere dag twee dirham van zijn inkomsten
betaalde aan Moeghira. Khalifa ‘Oemar (ra) ontving Aboe Loeloe, hoorde zijn
klacht aan, en vroeg hem welke werkzaamheden hij precies verrichte. Aboe Loeloe
vertelde dat hij als timmerman werkte, als schilder en als smid. Khalifa ‘Oemar
(ra) zei Aboe Loeloe dat twee dirhams per dag hem niet echt veel toescheen,
gezien de lucratieve werkzaamheden die Aboe Loeloe verrichte, maar dat hij
Moeghira zou contacteren alvorens een oordeel in de kwestie uit te spreken.
Aboe Loeloe was niet tevreden met dit antwoord en vertrok al mokkende van
Khalifa ‘Oemar (ra). Moeghira schreef Khalifa ‘Oemar (ra) een brief om hem uit
te leggen waarom twee dirhams niet een overdreven belasting op Aboe Loeloe was.
Hij zette uiteen wat een timmerman, schilder en smid normaal gesproken
verdiende, en dus wat voor een inkomen Aboe Loeloe moest genieten. Khalifa
‘Oemar (ra) riep Aboe Loeloe daarop bij zich om hem te vertellen dat hij de
loonafdracht aan Moeghira niet excessief vond, en dat hij deze in stand zou
houden en niet zou verlagen. Dit maakte Aboe Loeloe woest, en hij besloot hierop
Khalifa ‘Oemar (ra) te vermoorden. Hij maakte voor zichzelf een mes, en doopte
dit in gif. Hij verschanste zich in de moskee in afwachting Khalifa ‘Oemar (ra)
die het ochtendgebed zou komen leiden. Toen de rijen recht gemaakt waren en
Khalifa ‘Oemar (ra) het gebed begon, stormde Aboe Loeloe naar voren en stak
Khalifa ‘Oemar (ra) zes maal. Hierna vluchtte hij de moskee uit, waarbij hij
links en rechts op de mensen instak. Naast Khalifa ‘Oemar (ra) stak hij nog
dertien mensen neer, zes waarvan uiteindelijk zouden overlijden. Bij de uitgang
van de moskee werd Aboe Loeloe gegrepen, waarop hij zelfmoord pleegde.
Op zijn sterfbed vroeg Khalifa
‘Oemar (ra) naar de persoon die hem neergestoken had. Men vertelde hem dat dit
Aboe Loeloe was geweest, waarop hij zei: "Allah zij geprezen dat ik niet door
een moslim vermoord ben".
Khalifa ‘Oemar (ra) liet aan
‘Aiesja vragen of hij naast zijn vrienden, de Boodschapper van Allah (saw) en
Aboe Bakr (ra) begraven mocht worden. ‘Aiesja (ra): "Ik heb deze plaats
gereserveerd voor mijn eigen begrafenis, maar ik geef ‘Oemar voorrang boven
mezelf. Laat hem daar begraven worden". Daarna vroeg Khalifa ‘Oemar (ra) zijn
zoon om op te maken hoeveel schulden hij had, inclusief het loon dat hij als
Khalifa ontvangen had. Hij betaalde uit zijn bezittingen alles terug.
De mensen vroegen Khalifa ‘Oemar
(ra) ook om de benoeming van een opvolger. Iemand stelde hem (ra) zijn zoon Ibn
‘Oemar (ra) voor, waarop Khalifa ‘Oemar (ra) zei: "Moge je vervloekt zijn bij
Allah (swt), omdat je me probeert te verleiden tot nepotisme door mijn zoon te
benoemen op het moment dat ik mijn Schepper ga ontmoeten. Het Kalifaat is een
kwestie die de gehele moslim Oemma aangaat, en ik zou niet willen dat dit een
erfenis wordt binnen mijn familie. Ik zweer bij Allah dat ik nooit verlangd heb
naar het Kalifaat voor mij. En wat ik niet verlangd heb voor mijzelf zou ik
niet willen doorgeven aan mijn familie. Als er iets goeds is in deze positie
van Khalifa, dan door tien jaren deze positie gehad te hebben heb ik de
zegeningen voor gans mijn familie gerealiseerd. Als de positie van Khalifa iets
slechts is waarom zou ik deze dan overdragen op mijn familie? Allah is mijn
getuige dat ik tijdens mijn Kalifaat geen gunsten heb verleend aan mijn
familie. Juist het tegenovergestelde, ik was strenger tegenover hen dan
tegenover de andere moslims. Ik heb altijd geprobeerd om mijn taak te doen, met
de vrees dat ik een dag zal wankelen in de verrichting van mijn taak. Ik weet
niet of ik geslaagd ben in mijn opzet, maar ik zal tevreden zijn als hetgeen ik
bereikt heb en mijn mislukkingen in balans zijn, zodat ik noch beloond noch
bestraft zal worden voor mijn positie als Khalifa. Onthoudt, jullie mannen,
wanneer ik een opvolger aanwijs dan is een man beter dan ik (Aboe Bakr) mij
voorgegaan. En wanneer ik geen opvolger aanwijs, onthoudt dan dat de beste man,
namelijk Mohammed (saw) geen opvolger aan heeft gewezen. Wat ook het geval is,
ik ben ervan overtuigd dat Allah (swt) zelf de belangen van Islam zal
beschermen".
Hierna vertrokken de mensen en
viel Khalifa ‘Oemar (ra) in slaap. Toen hij wakker werd, werd hij nogmaals
gevraagd naar zijn opvolging. Khalifa ‘Oemar zei: "Nadat ik jullie heb aangehoord
en de de voors en tegens voorzichtig tegen elkaar afgewogen had, had ik
besloten om mijn opvolgers te benoemen die jullie zou leiden op het Pad van
Rechtvaardigheid. Maar toen verloor ik het bewustzijn, en in die staat van
onbewustzijn had ik een droom. Ik zag dat een man die een tuin bereid had al de
rijpe en onrijpe vruchten aan het plukken was, en deze op de grond verzamelde.
Ik interpreteer deze droom als betekenende dat ik zal sterven en dat Allah
(swt) zelf de belangen van de Oemma zal behartigen. Ik zie daarom af van het
benoemen van een opvolger want ik wil niet dat ik ook na mijn dood nog de last
van (de verantwoordelijkheid over) het Kalifaat zal dragen". Khalifa ‘Oemar wees
daarop zes van de vooraanstaande mannen aan die na zijn dood één van onder hen
zouden moeten kiezen als nieuwe Khalifa. Zij waren ‘Ali ibn Aboe Talib, ‘Oethman
ibn Affan, ‘Abdoerrahman bin Auf, Sa'ad bin Abi Waqqas, Zoebair bin Awwam en Aboe
Talha, die allemaal het Paradijs beloofd waren door de Boodschapper van Allah (saw).
Allah's (swt) bevestiging van de mening van ‘Oemar
Wat ‘Oemar (ra) werkelijk uniek
maakt in de geschiedenis van Islam is dat Allah (swt) verschillende malen de
mening van ‘Oemar (ra) betreffende een kwestie bevestigde middels een
Openbaring. Moedjaahid heeft gezegd: " ‘Oemar had een mening en de Koran werd
geopenbaard (in bevestiging)". Sommige mensen zeggen dat dit meer dan twintig
maal plaatsgevonden heeft. Een aantal hiervan worden hier beneden weergegeven:
‘Oemar (ra) zei: "Ik was in
overeenstemming met mijn Heer in drie dingen. Ik zei: ‘Boodschapper van Allah (saw), was toch maar de Plaats van Ibrahiem (as) de
plaats van het gebed', en toen werd er geopenbaard:
"En
neem de plaats van Ibrahiem tot de plaats van het gebed" (Zie de vertaling
van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 215)
Ik zei:
‘Boodschapper van Allah (saw), zowel goede als slechte mensen komen uw vrouwen
bezoeken. Als Allah toch zou gebieden om de hidjaab te dragen', en toen
werd het vers van de hidjaab geopenbaard (33:32). (En ik zei:) De vrouwen van
de Boodschapper van Allah (saw) verenigden zich in jaloezie, en dus zei ik:
‘Misschien dat Zijn Heer (swt), als hij (saw) van jullie scheidt, hem in ruil
betere echtgenotes dan jullie zal schenken', en toen werd geopenbaard:
"Indien
hij van u scheidt, is het mogelijk dat zijn Heer hem betere vrouwen dan u zal
geven, die Moslim zijn en onderdanig, gelovig, gehoorzaam, berouwvol, vroom,
gewend te vasten, weduwen of maagden." (Zie
de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera At Tahriem 66, vers 5)."
En Anas
(ra) zei, dat ‘Oemar (ra) zei: "Ik was in overeenstemming met mijn
Heer in vier dingen. Dit vers werd geopenbaard:
"Voorwaar, Wij scheppen de
mens uit een uittreksel van klei" (Zie de vertaling van de betekenissen van
de Koran, soera Al Moe'uminoen 23, vers 12)
En toen het geopenbaard werd toen
zei ik: ‘Gezegend zij Allah, de Beste Schepper'. En toen werd geopenbaard:
"Gezegend zij Allah, de Beste
Schepper."(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al
Moe'uminoen 23, vers 14)."
Toen de Boodschapper van Allah
(saw) nog meer om vergiffenis vroeg voor een bepaald volk, toen zei ‘Oemar
(ra): "Het is om het even voor hen." En toen werd geopenbaard:
"Het is om het even voor hen of
gij wel of niet voor hen om vergiffenis vraagt, Allah zal hen stellig niet
vergeven. Voorzeker, Allah leidt het opstandige volk niet." (Zie de
vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Moenaafiqoen 63, vers 6)
En toen de Boodschapper van Allah
(saw) het advies van zijn metgezellen zocht met betrekking tot het
lasterverhaal (van ‘Aiesja (ra)), zei ‘Oemar: "Wie heeft haar met u getrouwd,
Boodschapper van Allah?". De Boodschapper van Allah (saw) antwoordde: Allah.
‘Oemar zei: "Denkt u dat uw Heer een gebrek bij haar van u verborgen zou
houden? Heilig zijt Gij (Allah), dit is een grote lastering!" En toen werd
geopenbaard:
"Heilig zijt Gij, dit is een
grote lastering" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera
An Noer 24, vers 16)
Er is ook de gebeurtenis waar
‘Oemar (ra) een jood ontmoette die tegen hem zei: "Djibriel, waarober jouw
metgezel spreekt, is een vijand van ons." Dus zei ‘Oemar (ra): "Al wie een
vijand is van Allah en Zijn engelen en Zijn boodschappers en Djibriel en
Mikaiel, waarlijk, Allah is een vijand van zulke ongelovigen." En toen werd
geopenbaard:
"Zeg: ‘Al wie een vijand van
Djibril is' - want waarlijk, hij openbaarde het op Allah's bevel aan uw hart,
vervullende datgene, wat voordien kwam, een leidraad zijnde en een blijde mare
voor de gelovigen - ‘Al wie een vijand is van Allah en Zijn engelen en Zijn
boodschappers en Djibriel en Mikaiel, waarlijk, Allah is een vijand van zulke
ongelovigen'." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al
Baqara 2, vers 97 - 98)
Aboe Al Aswad zei: "Twee mannen
brachten een twist bij de Profeet (saw), en hij (saw) oordeelde in hun
aangelegenheid. Degene tegen wie het oordeel uitgesproken was (de onderliggende
partij) zei: ‘Laat ons naar ‘Oemar ibn Al Chattab gaan'. En dus gingen de twee
tot hem. De man zei: ‘De Boodschapper van Allah (saw) sprak een oordeel uit
tegen deze man in mijn voordeel, en hij zei: ,,Laat ons naar ‘Oemar gaan".'
‘Oemar zei: ‘Is dat zo?'. Hij zei: ‘Ja'. ‘Oemar zei: ‘Wacht hier op mij tot ik
naar buiten kom tot jullie'. Toen kwam hij naar buiten met zijn zwaard in zijn
gewaad gewikkeld en hij sloeg (ermee) de man die had gezegd ‘Laat ons naar
‘Oemar gaan', en doodde hem. De andere man zei: ‘Bij Allah! Mijn metgezel!'. En
hij zei: ‘Ik had niet gedacht dat ‘Oemar een gelovige zou doden'. Toen
openbaarde Allah (swt):
"Maar neen, bij uw Heer, zij
zullen geen gelovigen zijn, voordat zij u (profeet) tot rechter maken over al
hun geschillen en in hun hart geen aarzeling vinden aangaande hetgeen gij
oordeelt en zij zich geheel en al onderwerpen." (Zie de vertaling van de
betekenissen van de Koran, soera An Nisaa 4, vers 65)
Deze voorbeelden van
bevestigingen door Allah (swt) van de mening van ‘Oemar (ra) bewijsen dat
‘Oemar (ra) over diepe wijsheid beschikte, en dat hij een bijzonder diep begrip
van Islam had.
Diversen
Ibn ‘Oemar (ra) vertelde: "De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: ‘Terwijl
ik sliep dronk ik (hij bedoelde melk, zei Ibn ‘Oemar) totdat ik de
verzadiging uit mijn nagels zag komen, en toen gaf ik het over aan ‘Oemar'.
De mensen vroegen: ‘Hoe interpreteert u deze droom, Boodschapper van Allah (saw)?'. Hij (saw) zei: ‘Kennis'."
‘Oethman bin Madh'oen zei: "De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: ‘Deze
is het slot op de fitna (onrust en beproevingen)', en hij wees met
zijn hand op ‘Oemar. ‘Er zal een deur tussen jullie en de fitna stevig
gesloten blijven zolang deze man onder jullie leeft'."
1 De Islamitische belasting op landbouwgrond die manueel bewaterd wordt is
lager dan de belasting op de landbouwgrond die door de natuur bewaterd wordt.
2 Letterlijk: "de opvolger van de opvolger ..."
|