|
Introductie
Alvorens discussie te
kunnen voeren over wat precies onderdeel van de ‘aqieda van Islam is, en wat
niet, moet duidelijk zijn hoe men tot deze oordelen hieromtrent moet komen. Met
andere woorden, allereerst moet de vraag beantwoord worden: hoe bepaalt men wat
tot de ‘aqieda van Islam behoort en wat niet? Dit is het onderwerp van Oesoel
oed Dien, het onderwerp van dit artikel. In Oesoel oed Dien wordt
beargumenteerd hoe men moet bepalen of iets tot de ‘aqieda van Islam behoort of
niet. Dus Oesoel oed Dien probeert regels tot stand te brengen waarvolgens men
kan toetsen of iets tot de ‘aqieda van Islam behoort of niet.
Zoals alles in Islam
moeten deze regels voortkomen uit Islam zelf. Want het is niet het verstand of
de verlangens van de mens die mogen uitmaken wat onderdeel is van de de ‘aqieda
van Islam en wat niet. Enkel Allah (swt) mag dit bepalen. Want echte aanbidding
is onderwerping, en echte onderwerping is om Hem (swt) de Rechter en Oordeler
te maken in alle zaken. Dit betekent dat de Oesoeli regels waarvolgens men de
onderdelen van de ‘aqieda van Islam gaat bepalen allemaal een deliel moeten
kennen. Dit artikel zal de regels introduceren die voor de bepaling van de
‘aqieda van Islam gebruikt moeten worden, en het zal de deliel geven voor deze
regels. Als eenmaal duidelijkheid hieromtrent verschaft is, dan kan naar
specifieke kwesties worden gekeken. Want dan beschikt men over de middelen om
te kunnen beoordelen of een kwestie onderdeel moet zijn van de ‘aqieda van
Islam, of toch niet.
De
weg naar imaan in Islam
Wat de waarnemingsorganen
van de mens ook waarnemen in dit bestaan, alles kent bepaalde karakteristieken
die effectief bewijzen dat dit universum een geschapen universum is.
Bijvoorbeeld is een karakteristiek van al de dingen die waargenomen kunnen
worden dat het beperkt is in termen van tijd. Hiermee wordt bedoeld dat alles
een keer tot bestaan komt, en dat aan het bestaan van alles ook een keer een
einde komt. Er zijn sommige mensen die bestrijden dat dit de realiteit is van
het waarneembare bestaan. Zij wijzen dan bijvoorbeeld naar het waarneembare
verschijnsel van energie, en beweren dat deze eeuwig en oneindig is.
Waarmiddels zij denken aan te tonen dat het waarneembare bestaan niet beperkt
is in termen van tijd. Maar dit is niet correct. De realiteit van bijvoorbeeld
de electrische energie is dat deze energie opgewekt moet worden, en dus een
begin kent. Deze uiting van energie kan gebruikt worden om licht op te wekken,
een andere uiting van energie, waardoor aan het bestaan van de electrische
energie een einde komt en aan het bestaan van het licht een begin. Dus ook de
energie kent een begin en een eind. De realiteit van de energie is dus niet dat
deze eeuwig en oneindig is zoals sommigen dus beweren.
Het feit dat energie
opgewekt moet worden om tot bestaan te komen, dat het niet vanzelf als bij
toeval tot bestaan komt, toont niet alleen aan dat het bestaan de energie
eindig is maar ook dat de energie afhankelijk is. Het heeft iets anders nodig
om tot bestaan te komen. Deze afhankelijkheid is ook een karakteristiek van al
de dingen die waargenomen kunnen worden. Alles dat waargenomen kan worden heeft
iets anders nodig gehad om tot bestaan te komen, en alles dat waargenomen kan
worden is afhankelijk van andere dingen die waargenomen kunnen worden om te
blijven bestaan. Bijvoorbeeld om het organische leven te kunnen behouden is
ondermeer water nodig, en voeding, en zonlicht, en zuurstof, enzovoorts. Men
moet zich hierbij afvragen: wat zou er van het leven terechtkomen indien water
zou vervliegen niet bij 100 graden Celsius, maar bij stel -100 graden Celsius?
Dan zou op aarde enkel water in gasvorm hebben bestaan, en zou het organische
leven zoals we dat waarnemen niet hebben kunnen bestaan. De waarneembare
natuurwetten, met andere woorden, zijn ook dingen waarvan het organische leven
afhankelijk is.
De realiteit van al
hetgeen waargenomen kan worden is dat het onderdanig aan deze natuurwetten. Er
is niets dat deze wetten kan doen veranderen. De mens is in staat gebleken om
(sommigen) van deze wetten (deels) te leren kennen. Waardoor de mens heeft
geleerd om gebruik te maken van hun bestaan voor het welzijn van de mens, zoals
in het voorbeeld van varen en vliegen. Maar van invloed door de mens op deze
natuurwetten is geen sprake. De mens kan ze niet "opheffen", noch veranderen.
En dit is een derde karakteristiek van al hetgeen waargenomen kan worden. Ze
zijn allen onderdanig aan de natuurwetten, die op hen van invloed zijn zonder
dat hetgeen waargenomen kan worden ook maar iets over hen te zeggen heeft.
Deze karakteristieken van
al hetgeen dat waargenomen kan worden, de beperktheid, de afhankelijkheid en de
onderdanigheid, bewijzen effectief dat dit bestaan geschapen is. Want ter
verklaring van het bestaan zijn er slechts drie mogelijkheden. Of het bestaan
dat waargenomen wordt is eeuwig, heeft altijd al bestaan en zal dus altijd
bestaan. Of het bestaan dat waargenomen wordt is niet eeuwig en heeft zichzelf
tot bestaan gebracht, en is dus Almachtig. Of het bestaan dat waargenomen wordt
is niet eeuwig en is door iets anders, iets buiten het bestaan dat waargenomen
wordt, tot bestaan gebracht. Gezien de genoemde karakteristiek van beperktheid kan
niet gezegd worden dat het bestaan dat waargenomen wordt altijd al bestaan
heeft. Immers, alles kent een begin en een eind. Evenmin kan gezegd worden dat hetgeen
waargenomen wordt zichzelf tot bestaan heeft gebracht. Want onder de
karakteristieken van hetgeen waargenomen wordt zijn immers afhankelijkheid en onderdanigheid.
En dit betekent dat hetgeen waargenomen wordt niet over de Almacht beschikt die
dingen vanuit niets tot bestaan kan brengen. En er kan ook niet gezegd worden
hetgeen waargenomen wordt bij toeval tot bestaan gekomen is. Want alles dat
bestaat is afhankelijk van duizend-en-één andere dingen die bestaan. En deze
gedeelde relaties van afhankelijkheid maken toeval onmogelijk. Bovendien,
niemand heeft ooit het ontstaan van iets uit het niets waargenomen, en als dit
bij toeval zou gebeuren dan zou dit ook nu rondom ons heen plaats moeten
vinden.
Gezien de
karakteristieken van hetgeen bestaat moet er dus wel een Almacht bestaan, die
het bestaan tot stand heeft gebracht:
"En aan Allah behoort
het koninkrijk der hemelen en der aarde en Allah heeft macht over alle dingen.
Er zijn voorzeker in de schepping der hemelen en der aarde en in de wisseling
van dag en nacht tekenen voor mensen van begrip." (Zie de vertaling van de
betekenissen van de Koran, soera Al Imraan 3, vers 189 - 190)
Voor wat betreft de Edele
Koran, diens realiteit is ook een waarneembaar feit. Het is een boek in de
duidelijk Arabische taal met een onderscheidende karakteristiek. Alhoewel het
een boek is in de taal van de Arabieren, en er is niemand van de Arabieren die
dit bedisputeert, is de Arabische taal van de Edele Koran toch anders dan de
Arabische taal van de Arabieren. Het is een waarneembaar feit dat de Arabieren
voor de komst van de Edele Koran nooit gebruik gemaakt hebben van de Arabische
taal in de stijl van de Edele Koran. En het is een waarneembaar feit dat de
Arabieren sinds de komst van de Edele Koran nooit gebruik gemaakt hebben van de
Arabische taal in de stijl van de Edele Koran. Is dit daar het Arabisch van de
Edele Koran de Arabieren niet bevalt, omdat zij deze afwijking van hun stijl in
gebruikmaking van de Arabische taal niet waarderen? Nee, dit is het niet. Want
het is een algemeen geaccepteerd feit dat de Edele Koran de mooiste, de meest
diepgaande en daarmee de beste uiting van de Arabische taal is. Is dit dan daar
de Arabieren niet geïnteresseerd waren of zijn in de Edele Koran? Nee, dit is
het ook niet. Bij de komst van de Edele Koran was deze het onderwerp van
gesprek, en dit is de Edele Koran tot de dag van vandaag gebleven. Bovendien,
de Edele Koran daagt de Arabieren, zij die zoveel trots haalden uit hun
capaciteit tot omgang met deze taal, uit om iets gelijkaardigs te brengen aan
de Edele Koran. Iets in dezelfde stijl. Dus we moeten zeggen dat niemand van de
Arabieren, degenen van wie de Arabische taal is en die deze kennen in al haar
facetten, in staat is geweest om iets dat vergelijkbaar is met de Edele Koran
tot stand te brengen. En dit wordt bevestigd door de afwezigheid van ook maar
één Arabier ooit die het bestaan van een gelijkenis van de Edele Koran bevestigd
heeft. Nimand van de Arabieren heeft dit ooit beweerd.
De reden hiervoor is dat
de realiteit van de Arabische taal van de Arabieren in twee stijlen op te delen
valt, te weten poëzie en proza. De realiteit van het Arabisch van de Edele
Koran, echter, is dat dit noch poëzie is, noch proza. De Edele Koran heeft dus effectief
een derde stijl in de Arabische taal geïntroduceerd, naast de poëzie en de
proza. Deze stijl is de unieke stijl van de Edele Koran. De stijl die de mensen
nog meer emotioneert dan de poëzie dit doet, alhoewel het geen poëzie is. En de
stijl wiens zeggingskracht die van de proza te boven gaat, wiens verhalen door
een unieke eloquentie als zich als een film in de hoofden van de lezer
afspelen, alhoewel het geen proza is. Deze karakteristiek van de Edele Koran toont
aan dat dit boek niet van de Arabieren zelf afkomstig kan zijn. Omdat de
Arabieren de stijl van de Edele Koran niet kennen, en niet begrijpen, en dus
niet kunnen evenaren. Alhoewel deze stijl bij hen te boek staat als de mooiste
stijl van de Arabische taal. Dus de Edele Koran is niet van de Arabieren
afkomstig. Maar van wie dan wel? Wie van de niet-Arabieren kent de Arabische
taal zoals de Arabieren deze kennen? Wie van de niet-Arabieren kent de
Arabische taal beter dan de Arabieren? Niemand natuurlijk. Zoals niemand het
Nederlands beter kent dan de Vlamingen. Dit bewijst dat de Edele Koran van
Allah (swt) afkomstig is, omdat deze wel van Allah (swt) afkomstig moet zijn.
Er is geen andere verklaring voor het bestaan van de Edele Koran.
"Zeggen zij: ‘Hij (de
Profeet) heeft dit (de Koran) verzonnen?' Antwoordt: ‘Breng dan tien dergelijke
verzonnen hoofdstukken voort en roept buiten Allah wie gij kunt, als gij
waarachtig zijt'. En indien zij uw (uitdaging) niet aannemen, weet dan, dat het
met Allah's kennis is geopenbaard en dat er geen illah is behalve Hij."
(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah Hoed 11, vers 13 -
14)
"Of zeggen zij: ‘Hij (de
profeet) heeft het verzonnen?' Zeg: ‘Brengt dan een hieraan gelijke Soerah
voort en roept buiten Allah wie gij kunt (om hulp aan), als gij waarachtig zijt'."
(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah Joenoes 10, vers 38)
Voor wat betreft het
profeetschap van Profeet Mohammed (saw), de Edele Koran bewijst zijn (saw)
profeetschap. Want enkel profeten brengen de boodschap van Allah (swt).
Dit is de weg naar imaan
(geloof) in Islam die Islam verplicht. De imaan in Islam moet gebaseerd zijn op
het overdenken van de waarneembare realiteit van het bestaan en de Edele Koran,
en de reeds gegeven verzen van de Edele Koran bewijzen dit. Bovendien zijn er
verschillende verzen die de mogelijke andere manieren om te komen tot Islam
verbieden. Bijvoorbeeld het volgen van de verlangens, om te doen wat "goed
voelt" is verboden verklaard:
"Hebt gij hem gezien,
die zijn eigen begeerte als zijn God aanneemt? Wilt gij dan een beschermer over
hem zijn? Denkt gij dat de meesten hunner horen of begrijpen? Zij zijn slechts
als vee - neen, zij zijn verder afgedwaald." (Zie de vertaling van de
betekenissen van de Koran, soerah Al Foerqaan 25, vers 43 - 44)
En om de voorvaderen te
volgen, dus om simpelweg de religie te volgen van de mensen die men om zich
heen ziet (taqlied), is ook verboden verklaard:
"En als er tot
hen wordt gezegd: ‘Volgt hetgeen Allah heeft geopenbaard', zeggen zij: ‘Neen,
wij zullen datgene volgen wat wij onze vaderen zagen volgen'. Zelfs al zou
Satan hen tot de straf van het branden hebben uitgenodigd?" (Zie de
vertalingen van de betekenissen van soera Loeqmaan 31, vers 21)
Daarom is imaan in Islam
verstandelijk en moet het verstandelijk zijn.
Wat
is imaan precies?
Imaan wordt gewoonlijk
vertaalt met het Nederlandse "geloof", maar het is een bijzonder soort geloof. Imaan
is afkomstig van de Arabische stam alief - miem - noen,
oftewel amana. Deze stam betekent: "rustig zijn (in plaats van onrustig)",
"een kalm hart hebben", "beschermd tegen vrees", "betrouwbaarheid" en "eerlijkheid".
Als concept betekent imaan dus veel meer dan enkel geloven. Geloven wordt namelijk
veelal geassocieerd met onzekerheid: "ik geloof dat het zo is" betekent in het
Nederlands dat men het niet echt zeker weet. Imaan, daarentegen, is geloven
wanneer men wel zeker weet, wanneer definitieve bewijzen gebruikt zijn om tot
een oordeel te komen, waardoor alle mogelijke vragen betreffende de kwestie
beantwoord zijn, waardoor de mens kalm is geworden en het hart gerustgesteld
is.
Wanneer er aan de
overtuiging dus geen bewijzen ten grondslag liggen, dan kan van imaan geen
sprake zijn. Want wie op deze manier tot een religie komt, die neemt zijn
beslissing zonder over echte bewijzen te beschikken. Bij een dergelijke weg
naar een religie zal de mens nooit de kalmte en het rustige hart van imaan
ervaren. Want wanneer bij de religieuze persoon zonder imaan vragen bovenkomen
zoals "wat als het nu toch eens niet waar is waarin ik in geloof?", dan heeft
deze persoon geen antwoord op deze vraag. En wanneer deze persoon zou vragen
"waarom geloof je in deze religie" dan kan hij eigenlijk geen antwoord geven.
Dus zonder imaan blijven de vragen rondspoken in het hoofd. En bij
onbeantwoorde vragen is er onrust in het hoofd en in het hart. Wie daarentegen
over imaan beschikt in zijn religie, voor hem is het anders. Wanneer iemand hem
vraagt naar zijn religie dan is hij verheugd dat hij kan en mag vertellen. Hij
wordt hierdoor niet onrustig, integendeel. Hij is blij met de mogelijkheid om
de aanhoorder mee op reis te kunnen nemen. De reis van nadenken over datgene
wat waargenomen kan worden. En in iedere waarneming die hij tezamen met zijn
toehoorder overdenkt, vindt hij de bevestiging van zijn geloof. Van zijn imaan,
feitelijk.
Het
verschil tussen imaan en tasdieq
De formele definitie van
imaan is "at tasdieq al djazim al moetaabiq lil waqiya an daliel". Oftewel,
imaan is "het definitieve geloof dat overeenstemt met de realiteit op basis van
een bewijs". Tasdieq betekent ook "geloof", net zoals imaan, maar het is
een meer algemeneen woord. Imaan is een specifiek onderdeel van tasdieq. Imaan
is geloof op basis van zekerheid omdat er definitieve bewijzen voor het geloof
bestaan, oftewel "at tasdieq al djazim". Wanneer er nu geen 100%
zekerheid voor geloof bestaat maar er bestaan wel goede argumenten voor geloof,
waardoor men bijvoorbeeld 99% zeker van de kwestie is, dan is dit geloof geen
imaan. Dit geloof is wel nog steeds tasdieq. Daarom gebruiken de Arabieren het
woord imaan om het geloof aan te geven dat 100% zeker is vanwege definitieve
bewijzen, en het woord tasdieq voor het geloof dat niet 100% zeker is maar dat
nog steeds alleszins redelijk is omdat er argumenten voor zijn. Men noemt
geloof in de vorm van tasdieq ook wel "geloof met het hart", in tegenstelling
tot ‘Ilm al Jaqien (zekere kennis) dat geloof is met zekerheid op basis
van bewijzen, oftewel imaan.
Het
verschil tussen imaan en koefr
Het tegenovergestelde van
imaan is koefr. Het Arabische woord koefr is afkomstig van de stam kaaf
- faa - raa, oftewel kafara, wat "bedekken" betekent. De
Arabieren gebruiken dit woord bijvoorbeeld om te beschrijven hoe de landbouwer
de zaden van de gewassen in de aarde steekt en deze hierna bedekt met verse
aarde om hen te laten groeien. Bij imaan gelooft men omdat men de definitieve
bewijzen voor geloof heeft gezien. Bij koefr weigert men te geloven ook na de
definitieve bewijzen voor geloof te hebben gezien. Oftewel, bij koefr weigert
men de waarheid te accepteren na de waarheid te hebben gezien. De kaafir,
degene die aan koefr doet, is dus degene die probeert de waarheid en de
bewijzen hiervoor uit het zicht te houden en te bedekken, zoals de boer de
zaden bedekt met aarde.
De
‘aqieda van Islam in termen van Oesoel
Als algemene term kan het
Arabische woord ‘aqieda vertaald worden als "basisidee" of "credo". Het is de
fundamentele visie op het leven en al wat daarbij hoort, de basis waarop de
mens al zijn ideeën baseert. De praktische rol van een ‘aqieda in het leven is
dus vergelijkbaar met de rol van het fundament onder een huis. Op het fundament
wordt het huis gebouwd, en op de ‘aqieda wordt het leven gebouwd. Omdat de
moslim de Islamitische ‘aqieda heeft kijkt hij op een bepaalde manier naar het
leven, beoordeelt hij goed en slecht op een bepaalde manier en handelt hij op
een bepaalde manier. De ‘aqieda van laïcist die gelooft in secularisme,
democratie en vrijheid, daarentegen, doet hem heel anders naar het leven
kijken. Het doet hem op een andere manier oordelen over goed en kwaad en het
doet hem anders handelen.
Het woord ‘aqieda is
afkomstig van de stam ‘ayn - qaf - dal, oftewel ‘aqada.
De letterlijke betekenis is "vastknopen", zoals in ‘aqada al habl (het
touw is stevig vastgeknoopt). Wanneer men zegt ‘ataqadtoe kadhaa dan
betekent dit "ik geloof nadat mijn verstand overtuigd is", oftewel geloof op
basis van zekerheid en dus bewijzen.
De ‘aqieda van Islam is
de kennis van de dingen waarover Allah (swt) ons met zekerheid geïnformeerd
heeft. Anders gezegd, het is al hetgeen waarin de moslims imaan moet hebben
omdat er bewijzen voor zijn. Binnen deze ‘aqieda van Islam, dus al de dingen
waarin de moslim imaan moet hebben omdat er definitieve bewijzen voor zijn,
zijn er sommige zaken waaromtrent Allah (swt) een expliciete opdracht tot
geloven heeft gegeven:
"O gij die gelooft,
gelooft in Allah en Zijn boodschapper en in het Boek dat Hij Zijn boodschapper
heeft geopenbaard, en in het Boek, dat Hij voordien openbaarde. En wie Allah en
Zijn engelen en Zijn Boeken en Zijn boodschappers en de Laatste Dag verwerpt,
is waarlijk ver afgedwaald." (Zie de vertaling van de betekenissen van de
Koran, soera An Nisaa 4, vers 136)
"Deze boodschapper
gelooft in hetgeen hem van zijn Heer is geopenbaard en ook de gelovigen, allen
geloven in Allah, Zijn engelen, Zijn boeken en Zijn boodschappers" (Zie de
vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 285)
Dit is derhalve de kern
van de ‘aqieda van Islam. De kern zijn die onderdelen van de ‘aqieda van Islam
waar de moslim sowieso imaan in zou hebben, omdat hiervoor definitieve bewijzen
zijn, maar waaromtrent Allah (swt) ook nog eens op expliciete wijze een plicht
tot geloven benadrukt heeft. Oftewel, de kern van de ‘aqieda van Islam is imaan
in Allah (swt); imaan in al de profeten (as) die Allah (swt) de mensheid
gezonden heeft, de laatste waarvan Profeet Mohammed (saw) is; imaan in de
Engelen van Allah (swt); imaan in de Boeken gezonden door Allah (swt), de Taurah
(tora), de Zaboer (psalmen), de Indjiel (bijbel) en de Edele
Koran; imaan in de Dag der Wederopstanding, en dus in de Dag des Oordeels, Djenna
(hemel) en Djehennem (hel). De ‘aqieda van Islam kent ook aftakkingen
van deze kern, en dit zijn zijn al de andere zaken waarin de moslim imaan moet
hebben omdat hiervoor definitieve bewijzen zijn.
De aftakkingen in de
‘aqieda zijn dus de dingen waarnaar de moslim op zoek moet gaan, omdat hiervoor
geen expliciete opdracht tot imaan bestaat. Om deze aftakkingen te kunnen
bepalen zijn richtlijnen noodzakelijk. Met richtlijnen wordt bedoeld dat Allah
(swt) duidelijk moet maken hoe de mens de aftakkingen van de ‘aqieda kan
herkennen, anders zal de mens nooit deze aftakkingen kunnen vinden. Want om
zonder richtlijnen te zoeken is als zoeken zonder te weten waarnaar. De
richtlijn die Allah (swt) gegeven heeft is dat de ‘aqieda enkel kennis mag
bevatten die zeker van Allah (swt) afkomstig is. Dus de ‘aqieda mag niets bevatten
dat niet van Allah (swt) afkomstig, en evenmin zaken waarvan niet 100% zeker is
dat ze afkomstig zijn van Allah (swt). De reden hiervoor is dat Allah (swt)
heeft gezegd:
"Zou jij de meesten
van de mensen op aarde volgen, dan zouden zij jouw wegleiden van het pad van
Goedheid. Zij (de ongelovigen) volgen slechts vermoedens en zij doen niets dan
gissen." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Anaam
6, vers 116)
"Zij (de
meergodendienaren) volgen slechts hun vermoedens en begeerten." (Zie de
vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nadjm 53, vers 23)
"En de meesten hunner
(de ongelovigen) volgen niets dan vermoeden, voorzeker vermoeden baat niet
tegen de waarheid ." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran,
soera Joenoes 10, vers 36)
"Aan Allah behoort al
wie in de hemelen is en al wie op de aarde is. Maar datgene wat zij volgen die
buiten Allah genoten aanroepen, niet volgen zij anders dan de blote gissing en
niet doen zij anders dan gissen." (Zie de vertaling van de betekenissen van
de Koran, soera Joenoes 10, vers 66)
"De Waarheid is van uw
Heer, schaar u daarom niet onder hen die twijfelen." (Zie de vertaling van
de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 147)
"Inderdaad, de
waarheid is van uw Heer tot u gekomen, behoor dus niet tot de twijfelaars."
(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Joenoes 10, vers 94)
"De Waarheid is van uw
Heer, schaar u daarom niet onder hen die twijfelen." (Zie de vertaling van
de betekenissen van de Koran, soera Aali Imraan 3, vers 60)
In de verzen, en er zijn
nog vele andere van gelijke strekking, verbiedt Allah (swt) het volgen van
twijfel in kwesties van ‘aqieda. Allah (swt) bekritiseert de ongelovigen omdat
zij hetgeen volgen waarvoor geen definitieve bewijzen zijn. Met andere woorden,
hun visie op het leven, hetgeen waarop zij hun oordelen en handelen baseren, is
geresulteerd uit een ‘aqieda die niet 100% zeker de waarheid is. En dit
volstaat om te bewijzen dat de moslims in hun ‘aqieda geen twijfel mogen laten
bestaan.
Dus om hun ‘aqieda te
kunnen bepalen moeten de moslims zoeken naar de boodschappen waarvan 100% zeker
is dat zij van Allah (swt) afkomstig zijn, oftewel waar zij imaan moeten hebben
omdat hiervoor definitieve bewijzen zijn. En dan is de vraag natuurlijk, waar
vindt men deze zekerheid?
De
Edele Koran
Het is zoals gezegd
definitief zeker dat de Edele Koran afkomstig is van Allah (swt), omdat
hiervoor bewijzen zijn die eenieder kan waarnemen. De moslim moet derhalve
imaan hebben in deze afkomst van de Edele Koran, en het enigste alternatief
hiervoor is koefr. Want ofwel men erkent de bewijzen en accepteert de afkomst
van gans de Edele Koran alszijnde het Woord van Allah (swt), en dit is imaan in
de Edele Koran. Ofwel men probeert de bewijzen te bedekken en te negeren en
weigert de afkomst van gans de Edele Koran alszijnde het Woord van Allah (swt)
te erkennen, en dit is koefr. Er bestaat geen tussenweg tussen deze twee, omdat
gans de Edele Koran van bewijzen voor diens afkomst is voorzien. Dus om te
geloven in een deel van de Edele Koran en niet te geloven in een ander deel is
hetzelfde als niet geloven in gans de Edele Koran, omdat in beide gevallen
definitieve bewijzen worden bedekt en genegeerd, en dit is koefr.
Dus zeker is dat in de
Edele Koran de boodschap van Allah (swt) gevonden kan worden. Voor wat betreft
de betekenis van de Edele Koran, diens realiteit is dat de verzen in twee
categorieën opgesplitst moeten worden. Ten eerste zijn er verzen wiens
taalgebruik op slechts één enkele wijze begrepen kan worden. Dit zijn de
eenduidige (moehkamaat) verzen. En ten tweede zijn er verzen wiens
taalgebruik op meerdere manieren begrepen kan worden. Bijvoorbeeld omdat een
gebruikt woord meerdere betekenissen met zich mee draagt, waardoor de betekenis
van de zin afhankelijk is van de betekenis die men aan het woord geeft. Of
omdat een zin zowel een letterlijke als een figuurlijke betekenis toegeschreven
kan worden. Dit zijn de meerduidige (moetasjaabihaat) verzen.
Wanneer een vers van de
Edele Koran slechts één mogelijke betekenis toegeschreven kan worden dan kan
het niet anders zijn of deze betekenis is ook de betekenis die Allah (swt)
heeft willen doen overkomen. In deze betekenis moet dan imaan zijn, omdat het
vers een taal gebruikt die op slechts één enkele wijze begrepen kan worden. In
dergelijke gevallen is het namelijk definitief zeker dat het vers afkomstig is
van Allah (swt) en is het definitief zeker dat hetgeen begrepen wordt uit het
vers ook de boodschap is die Allah (swt) heeft willen laten overkomen met het
vers. Daarentegen, wanneer een boodschap verschillende mogelijke betekenissen
toegeschreven kan worden, dan is het onmogelijk voor de ontvanger van de
boodschap om te weten precies welke van deze de zender van de boodschap bedoeld
heeft. Enkel wanneer de zender van de boodschap duidelijk maakt welke van de
mogelijke boodschappen hij precies bedoeld heeft is het dan voor de ontvanger
van de boodschap zeker wat de boodschap bedoeld te zeggen. Dit betekent dat
wanneer een vers van de Edele Koran van een taal gebruik maakt die
verschillende betekenissen toegeschreven kan worden, dan kan men enkel weten
wat de boodschap van Allah (swt) is wanneer Allah (swt) middels Zijn (swt)
boodschapper duidelijk heeft gemaakt welke van de mogelijke betekenissen Hij (swt)
precies bedoeld heeft. Als Hij (swt) dit niet gedaan heeft, dan heeft Allah
(swt) in Zijn (swt) Wijsheid effectief ruimte gelaten voor de moslims om aan
interpretatie te doen. De moslim moet dan zoeken naar wat Allah (swt) precies
bedoeld heeft. Hij moet dan feitelijk een keuze maken tussen de verschillende
betekenissen die de taal gebruikt door Allah (swt) mogelijk maken, en dan op
basis van argumenten één van deze betekenissen kiezen alszijnde "meest
waarschijnlijk de betekenis bedoeld door Allah (swt)". In deze gevallen bestaat
dus wel definitieve zekerheid voor wat betreft de afkomst van het vers, deze is
zeker van Allah (swt) want hiervoor zijn bewijzen. Maar er is hier geen
definitieve zekerheid voor wat betreft de betekenis van de verzen.
Dit betekent dat de
moslim imaan moet hebben dat gans de Edele Koran afkomstig is van Allah (swt),
want hiervoor zijn bewijzen. En hij moet imaan hebben in de betekenis van de
verzen van de Edele Koran wanneer deze maar één mogelijke betekenis hebben.
Maar wanneer de verzen verschillende mogelijk betekenissen kennen, dan moet de
moslim op basis van argumenten één van deze betekenissen kiezen alszijnde
"meest waarschijnlijk de betekenis bedoeld door Allah (swt)". In deze
specifieke betekenis is dan tasdieq en niet imaan, omdat het geloof in de
betekenis van het vers wanneer er meerdere mogelijke betekenis zijn niet op
basis van definitief zekere bewijzen is. En dit betekent dat imaan moet zijn in
de Edele Koran als het woord van Allah (swt), en in al de informaties die Allah
(swt) de mens heeft gegeven middels de eenduidige verzen van de Edele Koran.
De
Soenna
Allah (swt) zegt middels
verzen van de Edele Koran die slechts één mogelijke betekenis kennen, waardoor
imaan moet bestaan in zowel afkomst als betekenis:
"Uw metgezel is noch
afgedwaald noch afgeweken, Noch spreekt hij naar eigen begeerte. Het is slechts
de Openbaring die wordt nedergezonden." (Zie de vertaling van de
betekenissen van de Koran, soera An Nadjm 53, vers 2 - 4)
"En het betaamt de
gelovige man of vrouw niet, wanneer Allah en Zijn boodschapper over een zaak
hebben beslist, dat er voor hen een keuze zou zijn in die zaak. En wie Allah en
Zijn boodschapper niet gehoorzaamt, is zeker klaarblijkelijk afgedwaald."
(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Ahzaab 33, vers
36)
"Gehoorzaam Allah en
gehoorzaam de Boodschapper"(Zie de vertaling van de betekenissen van de
Koran, soera An Nisaa 4, vers 59)
Deze verzen maken
duidelijk dat de Soenna van Profeet Mohammed (saw) net zoals de Edele Koran een
deel is van de Openbaring (wahi) afkomstig van Allah (swt). Op basis van
de Edele Koran moet hier dus imaan in zijn, en om te verklaren dat de Soenna
niet onderdeel is van de wahi is koefr.
De Soena is feitelijk al
hetgeen Profeet Mohammed (saw) gezegd heeft, gedaan heeft en stilzwijgend
toegestaan heeft. De overleveringen hieromtrent worden hadith genoemd,
en de ahadith (meervoud van hadith) vallen in een aantal categorieën
uiteen. Onder de ahadith zijn er overleveringen die door zoveel ketenen
overgeleverd zijn geworden dat er zekerheid bestaat dat hetgeen zij overleveren
werkelijk van de Profeet Mohammed (saw) afkomstig is. Deze categorie van
ahadith zijn de ahadith moetawaatir. De definitie van moetawaatir is dat
de overlevering langs zoveel kanalen plaatsgevonden heeft dat het onmogelijk is
geworden dat in de overlevering een fout is geslopen en dat het onmogelijk is geworden
dat de overleveraars samengespannen hebben om een fout in de overlevering te
brengen. Er bestaan verschillende meningen over bij hoeveel ketenen precies dit
het geval is, maar het is nooit minder dan vijf ketenen.
Bij al de andere ahadith,
waarvan gezegd kan worden dat zij door vier, of door drie, of door twee, of
door één keten (Khabar al Ahad) overgeleverd zijn, bestaat niet de
definitieve zekerheid dat zij werkelijk weergeven hetgeen van Profeet Mohammed
(saw) afkomstig is. Deze ahadith worden verder gecategoriseerd naar
betrouwbaarheid van de overlevering, op basis van de inhoud van hadith (matn)
en op basis van de personen in de keten van overlevering (isnad). De
ahadith waarvan men zeker is dat deze verzinsels zijn worden maudoe
genoemd. En dit zijn feitelijk geen ahadith omdat ze verzinsels zijn. De
ahadith waarvan men minder dan 50% zeker is dat zij werkelijk weergeven hetgeen
van Profeet Mohammed (saw) afkomstig is, terwijl men tegelijkertijd ook niet
uit kan uitsluiten dat dezen wel weergeven hetgeen van Profeet Mohammed (saw),
worden dha'ief genoemd. De ahadith waaromtrent gezegd kan worden dat er
geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan hun afkomst, omdat betreffende geen
van de overleveraars bewijzen bestaan dat zij niet een goed geheugen hadden of
dat zij niet vrome moslims waren, worden hasan genoemd. De ahadith die
overgeleverd zijn door mensen betreffende wie bewijzen zijn dat zij juist wel
een goed geheugen hadden en juist wel vrome moslims waren, worden sahieh
genoemd.
Deze uiteenzetting van de
categorieën van ahadith maakt duidelijk dat enkel betreffende de ahadith moetawaatir
met zekerheid gezegd kan worden dat zij weergeven hetgeen van Profeet Mohammed
(saw) afkomstig is. Voor wat betreft de ahadith sahieh is dit meest
waarschijnlijk ook het geval, echter er bestaat geen definitief bewijs hiervoor
omdat het aantal ketenen van overlevering te beperkt is. En door het beperkte
aantal ketenen kan niet uitgesloten worden dat één van de overleveraars, voor
wie dus bewijzen zijn dat zij een goed geheugen hadden en vrome moslims waren,
toch een fout hebben gemaakt in de overlevering. Een voorbeeld van een hadith
sahieh maakt dit verder duidelijk. Zowel Imam Al Boechari als Imam Moeslim
hebben overgeleverd van ‘Aiesja (ra) dat zij een hadith hoorde die verteld was
door ‘Oemar ibn al Chattab (ra) en Ibn ‘Oemar (ra), waarin de Boodschapper van
Allah (saw) zegt: De dode wordt gestraft voor het huilen van zijn
familieleden over hem. Hierop zij ‘Aiesja: "Moge Allah (swt) genadig
zijn voor ‘Oemar. Bij Allah, de Boodschapper van Allah heeft niet gezegd dat
Allah de gelovigen zal straffen enkel vanwege het huilen van enigen". En ze
(ra) zei: "De Koran zou voldoende bewijs voor jullie moeten zijn: "(En
geen ziel handelt dan voor zichzelf alleen), noch draagt een lastdrager de last
van anderen" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al
An'aan 6, vers 164)". Imam Moeslim voegde hier nog aan toe van ‘Aiesja
(ra): "En jullie praten niet tot mij als leugenaars, noch als (personen) die
beschuldigd worden van liegen, maar het gehoor vergist zich soms".
Dit betekent dat de moslim
imaan moet hebben in de Soenna als bron van leiding voor het leven, omdat de
Soenna onderdeel is van de wahi van Allah (swt). Het betekent ook dat enkel
voor de ahadith moetawaatir definitief zeker bewijzen bestaan dat dezen een
wahi van Allah (swt) weergeven. Dus in de ahadith moetawaatir is informatie die
definitief zeker van Allah (swt) afkomstig is, en waarin dus imaan kan bestaan.
In de ahadith van de categorieën sahieh en hasan moet de moslim tasdieq hebben,
want hier zijn argumenten voor. Maar hij kan hier geen imaan in hebben, want
hier zijn geen definitieve bewijzen voor. In de ahadith dha'ief en maudoe mag
de moslim geen tasdieq en geen imaan hebben.
Idjm'a
as Sahaba
Allah (swt) zegt middels
verzen van de Edele Koran die slechts één mogelijke betekenis kennen, waardoor
imaan moet bestaan in zowel afkomst als betekenis:
"En voor wat betreft de eersten van
degenen die het domein van kwaad verlaten hebben (de Moehaadjirien) en degenen
die hen het geloof beschut en beschermd hebben (de Ansaar), alsmede degenen die
hen in goedheid volgen, Allah heeft welbehagen in hen en zij hebben welbehagen
in Hem; en Hij heeft voor hen tuinen bereid, waar doorheen rivieren stromen.
Daarin zullen zij voor eeuwig vertoeven. Dat is de grote zegepraal." (Zie
de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera At Tauba 9, vers 100)
In dit vers prijst
Allah (swt) de metgezellen van Profeet Mohammed (saw), de sahaba, als
gemeenschap en niet als individuen. En Hij (swt) belooft de gemeenschap van
sahaba het Paradijs, omdat Hij (swt) tevreden met hen is. Het is niet mogelijk
om voor te stellen dat Allah (swt) het Paradijs belooft aan een gemeenschap die
in staat is om in consensus iets anders te volgen dan het goede. Hij (swt) is
tevreden met hen omdat zij Islam zo gehoorzaam tegenover stonden. Wat Profeet
Mohammed (saw) hen verbood verlieten zij gewillig, en wat Profeet Mohammed (saw)
hen gebood deden zij gewillig. En in alles zochten zij de Goddelijke Wet als
leiding voor hun handelen. Bovendien, het compliment voor de in het vers als
tweede genoemden ("degenen
die hen in goedheid volgen")
is op basis van het feit dat zij de gemeenschap van Moehaadjirien en Ansaar gevolgd
hebben, oftewel omdat
zij hebben gevolgd hetgeen deze gemeenschap van sahaba onder consensus in geloofde.
Dit is een definitief bewijs dat consensus onder de sahaba een definitief
bewijs van een boodschap van Allah (swt) is.
Dit betekent dat indien
aangetoond kan worden dat de sahaba in consensus ergens in geloofden, dat er
onder heen consensus bestond over de uitleg van een bepaald vers of de
betekenis van een hadith, of dat er een consensus onder hen bestond betreffende
het Oordeel van Allah (swt) in een kwestie, dat hierin dan imaan moet zijn. Dus
in Idjm'a as Sahaba is informatie die definitief zeker van Allah (swt)
afkomstig is, en waarin dus imaan kan bestaan.
Punten
van discussie betreffende zekerheid
Naast deze bronnen van
communicaties waarvan zeker is dat zij van Allah (swt) afkomstig zijn, zijn er
ook nog andere bronnen waarvan sommige mensen zeggen dat zij eveneens zeker van
Allah (swt) afkomstig zijn en waarvan andere mensen zeggen dat deze niet zeker
van Allah (swt) afkomstig zijn. De reden hiervoor is dat het concept
"zekerheid", de eis die Islam stelt voor het opnemen van iets in de ‘aqieda
door de moslim, door verschillende mensen een verschillende inhoud gegeven kan
worden.
Moetawaarir bil ma'ana versus
moetawaatir bil lafdh
Zo zijn sommige geleerden
van mening dat niet enkel een hadith moetawaatir kan zijn, oftewel definitief
zeker afkomstig van Profeet Mohammed (saw), maar dat ook een onderwerp
moetawaatir kan zijn. Deze geleerden zeggen dat een onderwerp moetawaatir kan
worden wanneer een grote groep van verschillende, betrouwbare ahadith allemaal
tezamen één onderwerp bespreken. Men noemt dit moetawaatir naar betekenis (moetawaarir
bil ma'ana). Er zijn dan een hele reeks van ahadith, die allemaal
betrouwbaar zijn maar niet definitief zeker afkomstig van profeet Mohammed
(saw), die allemaal gaan over verschillende gebeurtenissen. Maar in het
betrouwbare rapport van al die verschillende gebeurtenissen wordt steeds weer
eenzelfde onderwerp besproken. Men zegt dan dat daar zo vaak op dezelfde manier
wordt gesproken over één onderwerp, dat dit onderwerp dan wel zeker afkomstig
moet zijn van Profeet Mohammed (saw).
Het verschil tussen deze moetawaarir
bil ma'ana en de eerder uiteengezette moetawaatir, de moetawaatir in afkomst (moetawaatir
bil lafdh), is dat bij moetawaatir bil lafdh één enkele hadith zo vaak is
overgeleverd door verschillende ketenen dat met zekerheid gezegd kan worden dat
deze specifieke overlevering inderdaad afkomstig is van Profeet Mohammed (saw).
Bij moetwataarir bil ma'ana kan men dat van geen van de ahadith zeggen. Daarom
zijn niet alle geleerden het eens met het concept moetawaatir bil ma'ana. Andere
geleerden zeggen: "De zekerheid van de overlevering betreffende één bepaalde
situatie kan niet geholpen worden door te spreken over een andere situatie".
Dus zij zeggen dat één niet definitief zeker hadith niet plotseling zeker kan
worden omdat een andere niet definitief zeker hadith, betreffende een andere
gebeurtenis, over hetzelfde onderwerp spreekt. Allebei de ahadith zijn niet
definitief zeker, en het onderwerp blijft dan niet definitief zeker, zeggen
deze geleerden.
Zekerheid door
ondersteunend bewijs
Volgens de absolute
meerderheid van geleerden mag in de betrouwbare ahadith die niet moetawaatir
zijn, noch in afkomst, noch in betekenis, niet geloofd worden zoals in de
afkomst van de Edele Koran geloofd wordt. Mer andere woorden, er mag geen imaan
in hun afkomst zijn, maar er moet tasdieq in hun afkomst zijn. Bijvoorbeeld Imaam
Sjaafi'i zei betreffende de Khabar al Ahad dat deze "worden geaccepteerd als
kennis, staan interpretatie toe en worden begrepen middels isjtihaad, en en
worden door de dienaren van Allah (swt) gebruikt in de aftakkingen van de Dien,
en niet in de Oesoel zoals de ‘aqieda."
Imaam An Nawawi zei: "De
sahieh ahadith in zowel Boechari als Moslim zijn niets meer dan onzeker (dhann).
(...) Het is waadjib (verplicht) om te implementeren maar ze worden niet
gebruikt voor ‘Ilm (als in definitief zekere kennis voor ‘aqieda). (..) Khabar
al Ahad moet genomen worden (ter bepaling van) Goddelijke Wetten in
handelingen, maar niet in Wetten betreffende de ‘aqieda. (..)Khabar al Ahad kan
niet gebruikt worden als bewijs in zaken die ‘Ilm en Jaqien (definitief
zekere kennis) vereisen, zoals de ‘aqieda en de Oesoel van de Dien".
En Imaam as Soejoeti zei:
"Er bestaat geen verschil van mening dat alles in de Koran moetawaatir is (...)
en dat alles overgeleverd volgens Ahad (betrouwbaar maar slechts één keten van
overlevering) niet het niveau van moetawaatir bereikt en dus zeker niet van de
Koran is. (...) Hetgeen onzeker is (ad dhann, bedoelend Khabar al Ahad)
wordt niet op vertrouwd in zaken betreffende Oesoel oed dien."
Bijvoorbeeld sjeich Ibn
Taymiyya is het hiermee mee eens, maar volgens hem kunnen er ondersteunende
bewijzen bestaan waardoor Khabar al Ahad, of meer algemeen de betrouwbare
ahadith die niet moetawaatir zijn, toch definitief zeker kunnen worden. Hij
zegt: "Khabar al Ahad is niets anders dan onzekerheid, maar wanneer dit
vergezeld gaat van een consensus onder de geleerden betreffende hun
authenticiteit, dan is er ook de
consensus onder geleerden (...) en dus wordt het (Khabar al Ahad) definief
zeker (qat'i)".
Dus volgens sjeich Ibn
Taymiyya kan er imaan zijn in bijvoorbeeld de ahadith sahieh in Boechari en
Moeslim, omdat er onder de geleerden een consensus bestaat dat dezen sahieh
zijn. En sjeich Ibn Taymiyya acht de consensus onder de geleerden een
additioneel bewijs, waardoor de sahieh ahadith ook definitief zeker worden. Lang
niet alle geleerden zijn het erover eens, echter, dat "consensus onder
geleerden" gebruikt mag worden als bewijs in kwesties betreffende de Goddelijke
Wetten. En voor veel geleerden is de consensus onder de geleerden voor wat
betreft de ahadith sahieh van Boechari en Moeslim dan ook geen additioneel
bewijs. Bovendien, de consensus onder de geleerden is dat de ahadith sahieh van
Boechari en Moeslim sahieh zijn, en dus betrouwbaar. De consensus is niet dat
zij moetawaatir zijn. Dus de meeste geleerden gaan niet akkoord met de
redenatie van sjeich Ibn Taymiyya en achten een ahadith sahieh niet definitief
zeker ook als iedereen het eens is dat deze hadith sahieh is.
Sjeich Al Albani is op
basis van argumenten afgeweken van de hierboven uiteengezette meningen
betreffende rol van niet-moetawaatir ahadith in de ‘aqieda.. Al Albani zegt net
als Ibn Taymiyya dat de Khabar al Ahad onderdeel van de ‘aqieda mogen zijn.
Echter, Ibn Taymiyya zegt dit omdat volgens hem de Khabar al Ahad over bewijzen
beschikken die hen definitief zeker laten zijn, namelijk de consensus onder de
geleerden. Al Albani zegt dit omdat hij van mening is dat Allah (swt) in de
kwestie ‘aqieda niet de onzekerheid die hoort bij de Khabar al Ahad heeft
verboden, maar een ander soort onzekerheid. Al Albani maakt onderscheidt tussen
Dhann Raadj'i, zijnde de onzekerheid die dichter bij de waarheid is, en Dhann
Mardj'oe, zijnde de onzekerheid die dichter bij de valsheid is. Oftewel,
van Dhann Raadj'i is sprake wanneer iets meer dan 50% zeker is, en van Dhann
Mardj'oe is sprake wanneer iets minder dan 50% zeker is. De realiteit van de
ahadith is dat de ahadieth in de categorie moetawaatir 100% zeker afkomstig
zijn van de Boodschapper van Allah (saw). Van de ahadith in de categorieën
sahieh en hasan is dit meer dan 50% zeker. En van de ahadith in de categorie
dhaief is dit minder dan 50% zeker. Oftewel, Khabar al Ahad valt in de categorie
Dhann Raadj'i. Betreffende de verzen die Dhann in ‘aqieda verbieden zegt Al
Albani: "De verworpen Dhann, in deze verzen, is niet de Dhann Raadj'i van de
Khabar al Ahad die geaccepteerd zijn door de geleerden. Deze Dhann, vermeld in
de bovenstaande verzen, is de twijfel op basis van gissen en vermoeden (Dhann
Mardj'oe)." Voor deze reden zegt Al Albani dat ook tasdieq onderdeel moet zijn van
de ‘aqieda, en dus dat ook onderwerpen die besproken worden enkel door Khabar
al Ahad onderdeel van de ‘aqieda uit kunnen maken.
Samenvattend
Er bestaat met andere
woorden een consensus onder geleerden dat de Islamitische ‘aqieda de dingen
bevatten die definitef zeker zijn, en waarin de moslim dus imaan moet hebben.
Verder, voor wat betreft de kern van de ‘aqieda van Islam bestaat in het geheel
geen meningsverschil omdat Allah (swt) in de Edele Koran in niet mis te
verstane bewoordingen de opdracht geeft tot geloof in de deze kern. Voor wat
betreft de aftakkingen van de ‘aqieda van Islam bestaan soms meningsverschillen.
Allah (swt) stelt hieromtrent als eis dat het definitief zeker moet zijn. Maar
zoals aangetoond, de geleerden verschillen soms van mening over wat nu precies
"definitief zeker" is. En ten slotte mag volgens een geleerde de ‘aqieda ook
niet-definitief zekere kennis bevatten.
Wanneer een
meningsverschil betreffende aftakkingen van de ‘aqieda van Islam resulteert
omdat geleerden verschillende meningen hebben betreffende de realiteit van
"definitief zeker", bijvoorbeeld de ene geleerde zegt "in dit-en-dit moet imaan
zijn want er bestaat hieromtrent moetawaatir bil ma'ana" terwijl de andere
geleerde zegt "in dit-en-dit kan geen imaan zijn omdat er enkel moetawaatir bil
ma'ana is en dit is niet definitief zeker", dan kan en mag niet gezegd worden
"die geleerde is juist want hij heeft de juiste ‘aqieda, en die geleerde is
onjuist want hij heeft de onjuiste ‘aqieda". De reden hiervoor is dat beiden
zich houden aan de opdracht van Allah (swt) - "heb imaan in dat wat definitief zeker
is". Dus wanneer in de aftakkingen van de ‘aqieda van Islam een meningsverschil
ontstaat omdat de definitie van zeker verschilt, dan moet dit getolereerd
worden alszijnde onderdeel van Islam.
En wanneer een geleerde
komt en betreffende een onderwerp uit de Khabar al Ahad zegt "dit is onderdeel
van mijn ‘aqieda omdat volgens mij Allah (swt) heeft gezegd dat ook Dhann Raadj'i
onderdeel moet zijn van de ‘aqieda", terwijl een andere geleerde zegt "dit is
niet onderdeel van mijn ‘aqieda omdat volgens mij Allah (swt) heeft gezegd dat
Dhann geen onderdeel mag zijn van de ‘aqieda", dan kan en mag niet gezegd
worden "die geleerde is juist want hij heeft de juiste ‘aqieda, en die geleerde
is onjuist want hij heeft de onjuiste ‘aqieda". De reden hiervoor is dat beiden
zich houden aan de opdracht van Allah (swt). Zij verschillen enkel van mening
over wat precies de opdracht van Allah (swt) is.
Sommige mensen die deze Oesoeli
behandeling van de ‘aqieda van Islam verkeerd begrijpen zouden naar aanleiding
van dit alles, in het bijzonder de behandeling van de eenduidige en meerduidige
verzen, misschien kunnen zeggen: "Maar hoe kan een moslim nu een vers uit de
Edele Koran verwerpen?". Maar dit is niet gezegd geworden. De moslim moet imaan
hebben dat al de verzen van de Edele Koran afkomstig zijn Allah (swt), want
hiervoor zijn bewijzen. Van sommige van deze verzen valt de precieze betekenis
niet met zekerheid vast te stellen, echter, en dit is een feit. Wanneer er in
deze gevallen niet een ander eenduidig vers is dat de precieze betekenis
duidelijk maakt, of een hadith, of een idjm'a onder de sahaba, dan kan er geen
imaan bestaan in de betekenis van het vers. Omdat er geen bewijs is. Dan
behoort de moslim te zeggen "ik heb imaan dat dit vers van Allah (swt) is, en
ik heb tasdieq dat dit de betekenis is, en dit zijn mijn argumenten hiervoor,
maar ik accepteer de mogelijkheid dat ik het verkeerd heb".
Andere mensen die deze Oesoeli
behandeling van de ‘aqieda van Islam verkeerd begrijpen zouden naar aanleiding
van dit alles misschien kunnen zeggen: "Maar hoe kan een moslim nu de Soenna
verwerpen?". Maar dit is niet gezegd geworden. Wanneer niet met definitieve
zekerheid gezegd kan worden dat een hadith werkelijk van Profeet Mohammed (saw)
afkomstig is, dan kan en mag men in de afkomst van de hadith geen imaan hebben.
Met kan en moet dan tasdieq in de afkomst van de hadith hebben. En volgens
bijna alle geleerden mag tasdieq niet opgenomen in de ‘aqieda. Tegelijkertijd, echter,
er is idjm'a as sahaba die duidelijk maakt dat ook de betrouwbare niet-moetawaatir
ahadith gevolgd moeten worden wanneer gezocht wordt naar het Goddelijk Oordeel
voor wat betreft handelingen. Dus er moet imaan zijn dat al de betrouwbare
hadith - de moetawaatir en de niet-moetawaatir van sahieh en hasan - gebruikt
moeten worden voor de bepaling van de Goddelijke Wetten betreffende de
handelingen van de mens. En dit betekent dat de betrouwbare niet-moetawaatir
ahadith niet verworpen mogen worden. De niet-moetawaatir ahadith mogen volgens
bijna alle geleerden enkel niet voor de bepaling van de ‘aqieda gebruikt
worden.
We hopen middels deze
uiteenzetting van Oesoel oed Dien enige duidelijkheid verschaft te hebben in de
methode ter bepaling van de ‘aqieda van Islam. Dit zou duidelijk moeten hebben
gemaakt dat voor wat betreft de kern van de ‘aqieda geen verschillen kunnen en
mogen bestaan tussen de moslims. En dit is ook niet het geval. Enkel voor wat
betreft de aftakking van de ‘aqieda kunnen en mogen verschillen bestaan, en dit
is ook een realiteit. De reden hiervoor, nogmaals, is dat het begrip
"definitieve zekerheid" door verschillende geleerden een verschillende inhoud
wordt gegeven. Terwijl een enkele geleerde zegt dat niet "definitie zekerheid"
de vereiste is voor de ‘aqieda, maar gewoon "vetrouwen op basis van
argumenten". Ten gevolge van deze verschillen komen de geleerden soms tot
verschillen in de bepaling van de aftakkingen van de ‘aqieda. Maar allen houden
zich aan de voorschriften van Allah (swt), zoals zij die begrijpen, en derhalve
kan niemand met zekerheid zeggen dat iemand goed danwel fout is. Integendeel,
met moet bij deze op deliel gebaseerde verschillen zeggen: "Dit is wat ik denk,
en dit zijn mijn argumenten hiervoor, en ik denk dat ik het juist heb, maar ik
accepteer de mogelijkheid dat ik het verkeerd heb".
|