|
Geachte, Nu er zoveel over wordt gesproken in de media, sta ik, zo voel ik het althans, een beetje voor een dilemma. Ik weet dat de mensen hier echt willen dat ik vrouwen de hand schud, ik heb gelezen zelfs dat sommige mensen omdat ze dit weigerden hun rechten zelfs hebben verloren! Maar, hoewel ik niemand het gevoel wil geven dat ik hem of haar niet respecteer of waardeer, ik wil ook niet de wetten van mijn religie overtreden. De reden voor deze vraag is, echter, sinds men is begonnen te praten over het schudden van de hand heb ik (voor het eerst) kennis gemaakt met verschillende meningen van moslims hierover. Sommigen zeggen dat het schudden van de hand is toegestaan, anderen zeggen dat het niet toegestaan is. Wat is nu de mening hierover? De realiteit van het geven van een hand is dat het een van de manieren is van groeten en welkom heten. Echter, deze manier is niet gebruikelijk bij alle volkeren. Er zijn namelijk volkeren die geen hand schudden maar die de zoen prefereren, of de hand op de schouder leggen als gebaar van begroeting, of die buigen, et cetera. En er zijn ook mensen die de vrouw geen hand geven uit geloofsredenen, zoals de orthodoxe joden: de mannen onder hen geven vrouwen geen hand*. Betreffende de islamitische visie hierop, is bestaan inderdaad verschillende opvattingen omtrent het schudden van de hand onder de rechtsgeleerden van Islam. Er zijn vele geleerden die beweren dat het geven van de hand verboden is. Dit oordeel door hen wordt gebaseerd ofwel op een aantal overleveringen van de profeet (saw) die zij interpreteren alszijnde verboden op inzake het schudden van de hand tussen man en vrouw, ofwel op de mening dat het schudden van de hand een vorm van verleiding is. Met andere woorden, ze beschouwen het schudden van de hand als iets dat tot moreel verval kan leiden. Naar onze mening, echter, is dit oordeel onjuist en is het schudden van de hand tussen man en vrouw vrijgelaten door Allah (swt; moebah), wat wil zeggen dat men het mag doen, en ook mag laten. Onze bewijsvoering voor deze opinie is de volgende: Van Oem 'Atia is overgeleverd door Boekhari: 
"Wij gaven de profeet (saw) de eed van trouw, en hij (saw) las ons voor dat wij geen metgezellen zouden toeschrijven aan Allah (swt), en hij verbood ons te weeklagen. Daarop trok een vrouw haar hand terug, en zei: 'die-en-die vrouw heeft met mij geweeklaagd, en ik wil haar met gelijke munt terugbetalen'. Daarop zei de profeet (saw) niets en ging de vrouw vervolgens weg." En in een andere overlevering van Oem 'Atia van de hand van Ahmed: 
"De profeet (saw) droeg de vrouwen op niet te weeklagen, waarop een vrouw zei: 'ik wil een vrouw met gelijke munt terugbetalen', daarop trok de vrouw haar hand terug, en trok de profeet (saw) zijn hand terug, en nam haar de eed van trouw niet af." Dus een vrouw heeft de eed van trouw niet afgelegd, omdat zij zich een schuld herinnerde. Deze vrouw zag af van het geven van haar hand na hier in eerste instantie aanstalten toe te hebben gemaakt, en in tegenstelling tot de andere vrouwen die wel hun hand aan de Profeet (saw) gaven. Uit de woorden "trok een vrouw haar hand terug" en "trok de vrouw haar hand terug, en trok de profeet (saw) zijn hand terug" kan enkel begrepen worden dat de profeet en de vrouw allebei hun handen hebben uitgestoken, om elkanders hand te schudden. Terugtrekken van de hand, namelijk, impliceert uitsteken van de hand, omdat terugtrekken enkel kan bestaan in geval van uitsteken. Dit is een aanwijzing dat het geven van een hand is toegestaan. Sommige mensen stellen dat bij het afleggen van de eed van trouw de vrouwen hun hand in het water legden, maar dit is een zwakke stelling aangezien deze is gebaseerd op een zwakke overlevering. Verder, van Oem 'Atia is overgeleverd:  "Toen de profeet (saw) naar Medina kwam, heeft hij de vrouwen van de Ansar in een huis laten verzamelen. Vervolgens stuurde Hij 'Oemar Ibn Al-Khatab naar hen, die hen een voor een groette en zei: 'ik ben de boodschapper van de profeet (saw)'. Zij zeiden: 'welkom geachte boodschapper van Allah, en welkom boodschapper van de boodschapper van Allah'. Vervolgens zei 'Oemar: 'u geeft uw eed van trouw dat u geen metgezellen aan Allah zult toeschrijven, dat u niet zult stelen, dat u geen overspel zult plegen, dat u uw kinderen niet zult doden, dat u niet zult lasteren, en dat u niet ongehoorzaam zult zijn in het behoorlijke; zegt 'ja' '. Vervolgens stak 'Oemar de vrouwen zijn hand toe van achter de deur, en ook zij staken hun handen toe (om de hand van 'Oemar te schudden). Vervolgens heeft 'Oemar gezegd: 'Allah, u bent getuige hiervan'."
Al-Haytami zegt: "Deze overlevering is verteld door Abu Dawud, Ahmed, Abu Y'ala, Al-Bazzar, en At-Tabarani". En de betekenis van "'Oemar stak de vrouwen zijn hand toe van achter de deur, en zij staken hun handen toe", is dat hij hun de hand heeft gegeven om te schudden met de stilzwijgende instemming van de Profeet (saw), en medeweten van al de moslims, zonder dat zij dit afwezen. Dit is tevens een bewijs voor de opinie dat het geven van een hand is toegestaan. Boekhari heeft overgeleverd van Anas Ibn Malik: 
"Een slavin van onder de slavinnen van Medina nam de hand van de profeet (saw) en trok hem mee naar waar zij wilde". Dit is een aanwijzing dat de Profeet (saw) zijn handen in de handen van vrouwen legde. Omtrent deze overlevering zeggen sommige geleerden dat met het "leggen van de hand" wordt bedoeld "het bieden van hulp", en zij interpreteren de overlevering figuurlijk. Maar in onze mening behoort deze overlevering letterlijk geïnterpreteerd te worden. In eerste instantie, namelijk, behoort een tekst of een woord altijd letterlijk genomen te worden, tenzij er aanwijzingen bestaan dat dit niet zou moeten of niet kan. Pas dan kan de tekst / het woord figuurlijk genomen worden. Hier is bij dit voorbeeld geen sprake van. Degenen die als opinie "verboden" hebben aangenomen, hebben hun mening op het volgende gebaseerd: In Boekhari vertelt Aisha (ra): "Bij Allah, zijn hand (van de profeet saw) heeft geen hand van een vrouw aangeraakt tijdens het geven van de eed van trouw." Deze overlevering duidt naar onze mening niet op het verbod van het geven van de hand, maar duidt op de kennis van Aisha (ra), gebaseerd op wat ze heeft gezien. Deze overlevering staat haaks op de overleveringen van Oem 'Atia, dat hij (saw) wel degelijk zijn hand heeft uitgestoken om de handen van vrouwen te schudden. Maar belangrijker, beide overleveringen sluiten elkaar niet uit. Aisha (ra) heeft niet ten alle tijde aan de zijde van de Profeet (saw) verbleven en dus betekent het feit dat zij (ra) niet heeft gezien dat de Profeet (saw) de hand van een vrouw schudde niet noodzakelijkerwijs dat hij (saw) dit nooit gedaan kan hebben. Oemaima bint Roeqayqa heeft gezegd: "Ik ben bij de profeet (saw) geweest met vrouwen van de Ansar om onze eed van trouw te geven. We zeiden: 'geachte boodschapper van Allah, wij geven u onze eed, dat wij geen metgezellen aan Allah zullen toeschrijven, dat we niet zullen stelen, dat we geen overspel zullen plegen, en dat we niemand zullen belasteren, en dat we u niet ongehoorzaam zullen zijn in het behoorlijke'. Waarop de profeet zei: 'voor zover u kunt, en aankunt'. Vervolgens zeiden wij: 'Allah en zijn profeet zijn barmhartiger met ons, laat ons aan u trouw zweren, geëerde profeet', waarop de profeet (saw) zei: 'ik geef de vrouwen geen hand, en wat ik zeg tegen honderd vrouwen, is gelijk aan wat ik zeg tegen een vrouw'. (verteld door Al-Nisa'i). Deze hadith is juist (sahih) maar zij spreekt de eerdere overleveringen van Oem 'Atiya en Anas bin Malik tegen. Daarom is het noodzakelijk om een overweging hier in acht te nemen, zoals de geleerden van Islam gebruikelijk zijn in een situatie als deze: of we wijzen een van beide overlevering af en hanteren de ander als maatstaf, of we hanteren beiden op een manier die beiden in staat stelt om gebruikt te kunnen worden zonder dat een afgewezen moet worden. Het punt hier is dat beiden gehanteerd dienen te worden, omdat, bij dit voorbeeld het onmogelijk is te bepalen welke geldig (naseg) verklaard moet worden en welke ongeldig (mansoeg). Daarom ook, in overeenstemming met de principes van jurisprudentie (fiqh) zeggen wij dat het geven van een hand tussen man en vrouw vrij verklaard is door Allah (swt). Want de Profeet (saw) heeft in sommige situaties zijn hand gegeven, en in andere weer niet, zoals de overleveringen aantonen. Dit betekent dat de handeling vrij (moebah ) is. Bovendien, in de overlevering van Oemaima is hetgeen de Profeet (saw) gezegd heeft in de vorm van een mededeling ("ik geef vrouwen geen hand"), en niet in de vorm van gebod (Talab) om iets te verrichten, wat betekent dat de Profeet (saw) het over zichzelf heeft. En niet alles wat de Profeet (saw) doet is verplicht voor de Oemmah. Zo heeft de Profeet (saw) bijvoorbeeld geen konijnen gegeten; dit houdt echter geen verbod in voor anderen. Van de andere kant, veronderstellend dat het hier toch om een gebod zou handelen, dan nog betreft het hier enkel een afwijzing. En volgens de regels der basisjurisprudentie die wij adopteren, om een verbod te kunnen beargumenteren op basis van een bevel, is een noodzakelijkheid tevens het bestaan van een definitieve aanwijzing (Karina Jazima) dat het laten sterk vereist is, wat hier niet het geval is. Daarom is deze overlevering niet voldoende voor een verbod. De stelling van sommige geleerden dat het geven van een hand verboden (haram) is, omdat het als middel van verleiding leidt tot onrust (fitna), dit is naar onze visie een stelling die niet nauwkeurig is in haar beschrijving van de realiteit van het schudden van de hand tussen man en vrouw. Het handen schudden an sich, waar we het hier over hebben, heeft algemeen geaccepteerd niets van doen met verleiding maar is een vorm van groet uit beleefdheid. Niet ontkennende dat hetgeen voor verleiding dient verboden is, volgens de regels der jurisprudentie moet voor een verbod op het schudden van handen op basis van verleiding aangetoond worden met bewijs dat het hier een handeling betreft die gekenmerkt is als onderdeel van verleiding. De overlevering van Oemaima wijst hier, zijnde dat de Profeet (saw) het handen schudden heeft opgevat als verleiding en daarom geweigerd heeft, niet op. En de geleerden die verleiding als argument gebruiken, doen dat op basis van het principe "het sluiten van de deuren voor corruptie". Dit is naar onze mening een verkeerd principe; het gebruikt verstandelijke argumentatie om te verbieden wat door middel van openbaring toegestaan is verklaard. Maar verstandelijke argumenten zijn geen Goddelijke Oordelen en behoren dus niet als zodanig gehanteerd te worden. Zou men dat wel doen, dan laat men de vrouw verworden tot een gevangene van haar huis; zij is dan niet in staat te studeren, te werken, te handelen of medische hulp te verlenen, ondanks dat dit haar recht is, gegeven door het Goddelijk Oordeel. Dit is, helaas, in sommige samenlevingen het geval. En daarom zijn we de mening toegedaan dat het geven van een hand toegestaan is, en Allah weet het best. Op dit punt aangekomen, hier willen we graag iets verduidelijken. Indien een persoon overtuigd raakt van onze mening, dan is dat geen probleem. En indien hij of zij niet overtuigd raakt van deze mening, dan is dat net zo geen probleem, maar dan dient deze persoon zich aan de door hem of haar geadopteerde islamitische mening te houden, aangezien dit dan het Goddelijk Oordeel voor hem of haar is. Het is dus niet gepast om anderen, die zich baseren op een andere islamitische mening, te veroordelen vanwege het feit dat zij zich niet conformeren aan de persoonlijk geadopteerde mening. Net zo, het is niet gepast om mensen die op basis van de bronnen van Islam en de regels behorende bij de islamitische jurisprudentie van huichelarij te beschuldigen, enkel omdat zij tot een andere mening komen. Vooral niet wanneer men vervolgens vrouwen de hand schudt, met als excuus dat het een noodzaak betreft.... Hierover bestaat in elk geval geen verschil van mening tussen de geleerden van Islam: dit is absoluut niet toegestaan uit Goddelijk Oordeel perspectief. * zie ook: De Humanist, editie 06, 2004 op www.humanist.comdev.nl Bij het orthodoxe jodendom mag een vrouw haar man nooit tegenspreken, en mag een vrouw een man geen hand geven, tenzij deze haar echtgenoot is.
|