|
Wanneer de mens de Edele
Koran toch zou lezen om deze diep te overdenken, dan zou hij bij voortduring
geschokt zijn. De woorden van Allah (swt) zouden hem aangrijpen en niet meer
loslaten, en zij zouden zijn wereld op zijn kop zetten. De volgende verzen van
soera Al Maa'oen zijn zulke verzen. Degene die dezen overdenkt en komt tot een
juist en diep begrip ervan, diens wereld zal op zijn kop gezet worden.
"Hebt gij hem gezien die
deze godsdienst loochent? Het is degene die de wees verstoot. Hij moedigt
anderen niet aan de armen te voeden." (Zie de vertaling van de betekenissen
van de Koran, soera Al Maa'oen 107, vers 1 - 3)
In het eerste vers van
soera Al Maa'oen, "Hebt gij hem gezien die deze godsdienst loochent?",
vraagt Allah (swt) ieder van ons of wij degene gezien hebben die Islam ontkent
en negeert. Oftewel, degene die zichzelf voor de gek houdt, die weigert na te
denken over de realiteit van het leven en die de Leiding van Allah (swt)
probeert te vermijden. Het feit dat Allah (swt) ons een vraag stelt zou een
grote mate van onrust en spanning teweeg moeten brengen in ons. Wie bijvoorbeeld
als leerling op school in aanwezigheid van de al de medestudenten wel eens een
vraag is gesteld door de leraar, die heeft iets van deze onrust en spanning
ervaren. Het hart begint dan te kloppen, het zweet begint te stromen en men
begint zichzelf af te vragen: "Heb ik wel goed opgelet? Weet ik het antwoord
wel? Misschien zal ik iets doms zeggen, en zal iedereen me uitlachen!". Maar deze
onrust en spanning, die voor vele mensen al een nachtmerrie is, is feitelijk niets
wanneer het vergeleken wordt met de onrust en de spanning die de mens zou
moeten voelen wanneer de Almachtige Schepper van het Universum hem aanspreekt
met een vraag.
Allah (swt) vraagt ons of
wij degenen kennen die tot de ongelovigen behoren, of wij hun eigenschappen
kennen. Oftewel, Hij (swt) vraagt ons of wij de eigenschappen van geloof en
ongeloof kennen. Natuurlijk zijn wij dan geneigd om te antwoorden door te
spreken over Tauwhied. Over het geloof in Allah (swt) als de Enige Almachtige
Schepper. Het geloof in Mohammed (saw) als Zijn Dienaar en Boodschapper. Het
geloof in het Hiernamaals, in Hemel en Hel. Dit zijn immers zaken die de
gelovige onderscheidt van de ongelovige. Of wij zijn geneigd om te verwijzen
naar de vijf pilaren van Islam. De sjahaada, de getuigenis van het
geloof in Allah (swt) als de Enige Almachtige Schepper en het geloof in
Mohammed (saw) als Zijn Dienaar en Boodschapper. De salah, vijf
dagelijkse gebeden ter aanbidding van Allah (swt). Het betalen van de zakat,
de jaarlijkse afdracht over het eigendom die ondermeer benut moet worden om de
armen en behoeftigen te helpen. Het vasten tijdens Ramadan. En natuurlijk het
verrichten van de Hadj, de pelgrimage naar het Huis van Allah (swt) in
Mekka.
Maar Allah (swt) stelt
ons deze vraag niet omdat Hij (swt) wil dat wij hem beantwoorden. Hij (swt)
stelt ons deze vraag om onze aandacht te trekken, alvorens Hij (swt) ons met Zijn
kennis begunstigt en ons leert wat het verschil is tussen geloof en ongeloof.
Waaruit wij dan lering moeten trekken.
In het tweede en derde
vers van soera Al Maa'oen beantwoordt Allah (swt) vervolgens de door Hem (swt)
gestelde vraag. Hij (swt) zegt:
"Het is degene die de
wees verstoot. Hij moedigt anderen niet aan de armen te voeden." (Zie de
vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maa'oen 107, vers 2 - 3)
Wie dit antwoord van
Allah (swt) overdenkt, die zal bemerken dat dit antwoord niet de onrust en
spanning in ons wegneemt, zoals die resulteerde toen Allah de Almachtige ons
aansprak met een vraag. Integendeel, wie dit antwoord van Allah (swt)
overdenkt, bij hem wordt de onrust en spanning enkel groter!
Want de moslims lezen allemaal
over Islam, omdat we ons bewust zijn van het bestaan van Allah (swt), en omdat
we ingezien hebben dat Islam Zijn (swt) boodschap is. We willen Hem (swt)
daarom aanbidden, zoals Islam ons dit voorschrijft, omdat wij van Hem (swt)
houden en omdat we angst voor Hem (swt) hebben. We bestuderen Islam om beter te
worden in deze aanbidding, op zoek naar Zijn (swt) welbehagen. We verrichten
onze gebeden. We doen ons best zoveel mogelijk extra gebeden te verrichten. We
vasten, ook buiten Ramadan zo af en toe, en we proberen meer en meer tijd in de
moskee door te brengen. En de besten onder ons maken tijd vrij om de mensen uit
te nodigen tot Tauwhied, tot aanbidding van enkel en alleen Allah (swt). Alles
om dicht bij Hem (swt) te zijn. Want zo hoort het toch?
Daarom slaat het antwoord
dat Allah (swt) geeft in als een bom. Het kan niet anders. Zonder twijfel zijn
de meeste moslims geneigd om zich het Pad naar Succes voor te stellen zoals dat
hierboven uiteengezet. Oftewel, studeren over Islam, groeien in Taqwa, meer
nauwkeurig onze handelingen conform de geboden en verboden van Islam laten zijn
en de mensen uitnodigen tot Islam middels verstandelijke argumenten. Maar in
soera Al Maa'oen spreekt Allah (swt) over niets van dit alles wanneer Hij (swt)
de ongelovige onderscheidt van de gelovige. In plaats van al de dingen waarop de
moslim geneigd is zich te richten wanneer hij Hem (swt) wil aanbidden, in
plaats van al de genoemde dingen die wij doen omdat wij altijd dachten dat dit
de weg naar succes was, zegt Allah (swt):
"Het is degene die de
wees verstoot. Hij moedigt anderen niet aan de armen te voeden." (Zie de
vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maa'oen 107, vers 2 - 3)
Deze woorden zijn daarom
woorden die het fundament onder de voeten van de vrome gelovige wegslaan. Wie
had dit verwacht? Wie had verwacht dat Allah (swt) het helpen van en zorgen
voor de wezen als onderscheider van geloof en ongeloof zou noemen? Dat Hij
(swt) het aanmoedigen van de mensen om de armen, de behoeftigen te voeden, als
onderscheider van geloof en ongeloof zou noemen? Maar weinigen zullen dit
antwoord op de vraag verwacht hebben. En als het goed is, is er in reactie op
dit antwoord van Allah (swt) een siddering door ons lijf geschoten. Want als
dit volgens Allah (swt) de onderscheider tussen geloof en ongeloof is, wie van
ons durft er dan nog te zeggen: "Ik behoor tot de gelovigen"? Wie heeft zichzelf
in het aanzicht van Allah (swt) als gelovige onderscheidden door er op na te
zien dat er voor de meest zwakken in onze samenlevingen, de wezen, gezorgd
wordt? Dat zij hun rechten krijgen, materieel en emotioneel? Oftewel dat zij
onderdak hebben, gepaste kleding, en dat zij gevoed worden? Dat voor de
nalatenschap van hun overleden ouders gezorgd wordt tot het moment dat hun
kinderen volwassen zijn geworden en deze in bezit kunnen nemen? Dat zij in een
beschermende omgeving grootgebracht worden, met zorg en liefde, in aanbidding
van hun Schepper Allah (swt)? Dat zij een goede opvoeding krijgen en een goede
opleiding?
Een blik op de realiteit van
deze wereld leert dat meest waarschijnlijk maar weinig mensen aan deze
voorwaarde voor geloof voldoen. Want de realiteit is dat de wezen genoemde zorg
niet krijgen. Sommigen van hen, gelukkigen onder hen, hebben een dak boven hun
hoofd. Van onder dezen hebben sommigen ook nog te eten. Maar zij zijn de dan de
meest gelukkigen der wezen. Want verreweg de meeste wezen in deze wereld leven
hongerig op straat. En eigenlijk is dit niet verwonderlijk, want in de huidige
wereld leeft een meerderheid van de wereldbevolking in diepe armoede, zonder voldoende
geld voor een menswaardig bestaan. Zelfs voor de meeste volwassen mensen geldt
dat zij door armoede gedwongen zijn om keuzes te maken tussen eten en kleden,
tussen kleden en wonen. En tergend vaak is er zelfs voor hen in het geheel geen
keuze, want is er in het geheel geen geld. Noch voor eten, noch voor kleden, noch
voor wonen. Voor een meerderheid van de mensheid geldt dat zij in armoede
leven. En dat zij, als zij geluk hebben, samen met hun kinderen "mogen" werken
in de zweetlokalen van de internationale kapitalisten. Om zoals in Indonesië,
in Bangladesh, in Pakistan en in Marokko voor één euro of minder per dag de
kleding met de merknamen te maken die men in het westen zo graag wil dragen. En
als zij iets minder geluk hebben dan worden zij dag na dag, week na week, maand
na maand, platgebombardeerd. Omdat zij toevallig geboren zijn op de grond
waarin zich de rijkdommen van deze aarde bevinden, het goud en de olie, zoals
in Irak, in Afghanistan, in Somalië, in Tsjetsjenië. En als zelfs de krachtige
volwassen man in deze huidige wereld tot dit mensonwaardig bestaan gedwongen
worden, vanzelfsprekend zullen de hulpeloze en machteloze wezen dan ook hiertoe
veroordeeld zijn.
Dus nogmaals, nadat de
kennis van de verzen van soera Al Maa'oen tot ons is gekomen, en als wij kijken
naar de diep armoedige situatie van de meeste mensen in de wereld, wie van ons
durft er dan nog te zeggen: "Ik ben een gelovige"? Wie van ons heeft zichzelf
in het aanzicht van Allah (swt) als gelovige onderscheiden door er op na te
zien dat er voor deze mensen gezorgd wordt? Dat zij uit hun lijden verlost
worden? Dat de rijkdommen van deze wereld ook met hen gedeeld worden, zodat ook
zij een menswaardig bestaan kunnen leven? Zoals Allah (swt) ons blijkens soera
Al Maa'oen verplicht heeft?
Allah (swt) maakt in
soera Al Haaqa duidelijk wat de mensen die zich niet hebben ingespannen om te
zorgen voor de machtelozen in deze wereld zal overkomen op de komende Dag des
Oordeels:
"Maar, hij wiens boek
in de linker hand wordt gegeven, zal zeggen: ‘O was mijn boek mij maar niet
gegeven! En had ik maar niet geweten wat mijn oordeel was! O, had de dood maar
aan mij een einde gemaakt! Mijn rijkdom heeft mij niet gebaat, Mijn macht is
van mij weg gegaan'. Grijp hem en boei hem! Werp hem dan in het Woedende Vuur! Bind
hem vervolgens met een ketting (van vuur) vast waarvan de lengte zeventig
armlengten bedraagt!" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran,
soera Al Haaqa 69, vers 25 - 32)
Dan, in een verwijzing
naar de eerder genoemde verzen uit soera Al Maa'oen, herhaalt Allah (swt)
waarom deze mensen zich in deze ellendige situatie zullen bevinden:
"Want hij geloofde
niet in Allah, de Grote. Noch moedigde hij aan, de armen te voeden. Daarom
heeft hij hier geen vriend, noch voedsel, behalve het bloed en de etter uit de
wonden (Al Ghislin), dat niemand dan de zondaren zal gebruiken."
(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Haaqa 69, vers 33
- 37)
Deze verzen maken
duidelijk dat Allah (swt) het werken voor de rechten van de wezen en de armen
tot een voorwaarde voor geloof heeft gemaakt. Een absolute vereiste voor degene
die op de Dag des Oordeels tot de overwinnaars wil behoren. Er is, met andere
woorden, enkel hoop voor degene die zich inspant voor de belangen van de
machtelozen, en er is geen hoop voor degene die zich in dit leven zich niet
heeft ingezet voor deze zaak. Dit maakt in feite twee essentiële zaken
betreffende Islam duidelijk.
Ten eerste, de plicht tot
zorg voor het welzijn van de machtelozen maakt duidelijk dat Islam is gezonden
als barmhartigheid, om de mensen te verlossen van onrecht en onderdrukking, en
om hun problemen op te lossen. Allah (swt) zegt:
"Heden heb Ik uw
godsdienst voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooid en Islam voor u als
godsdienst gekozen." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran,
soera Al Maida 5, vers 3)
Islam is een
barmhartigheid van Allah (swt) voor de mensen. Het is hetgeen de mensen leidt
naar het Rechte Pad van de juiste manier van leven. De manier van leven waar de
problemen die horen bij het leven op de juiste manier opgelost worden. Het
leven volgens de geboden en verboden van Allah (swt). Het leven in eerbied,
vrij van onderdrukking, uitbuiting en vervolging. Dit is het doel van de
Sjari'a van Allah (swt). De Wet van Allah (swt) is er niet om de mensen het
leven moeilijk te maken, maar juist om het leven makkelijk te maken, door de
problemen die horen bij het leven op de juiste manier op te lossen. En iedere
afwijking van de Sjari'a, iedere poging om middels iets anders dan de Wet van
Allah (swt) de levens van de mensen ter ordenen, dat is wat de mensheid hier op
aarde in het verderf zal storten. Daarom zegt Allah (swt):
"En wie niet
rechtspreken volgens hetgeen Allah heeft nedergezonden, zij zijn de
onderdrukkers." (Zie de vertaling van de betekenissen van de
Koran, soera Al Maida 5, vers 45)
Ten tweede, de plicht tot
zorg voor het welzijn van de machtelozen maakt duidelijk welke taak op onze moslimschouders
rust. De les in de soera's Al Maa'oen en Al Haaqa is dat het enkel woordelijk erkennen
van Islam als de enige juiste manier van leven, als de enige oplossing voor de
problemen van de mens, niet voldoende is voor degenen die op de Dag des Oordeels
tot de overwinnaars wil behoren. Wie dit begrip van Islam niet in handelingen
omzet en zich inspant om middels Islam de problemen van de mensen op te lossen,
hij zal tot de verliezers behoren op de Grote Dag en hem zal het boek in de
linkerhand gegeven worden.
Maar welke handelingen
precies zijn dan vereist om het correcte geloof in Islam in de juiste
handelingen omgezet te krijgen? Hoe precies, met andere woorden, moet de moslim
werken voor de rechten van de wezen en de armen? Allah (swt) zegt:
"Jullie zijn het beste
volk dat voor de mensheid is verwekt. Jullie gebieden wat goed is, verbieden
wat kwaad is en jullie geloven in Allah." (Zie de vertaling van de
betekenissen van de Koran, soera Al Imraan 3, vers 110)
In dit vers wordt het
gebieden van het goede en het verbieden van het kwade tot voorwaarde voor
geloof gesteld, naast de aanbidding van enkel Allah (swt). ‘Oemar ibn Al Chattab
(ra) zei over dit vers: "Wie van jullie tot deze geprezen gemeenschap wil
behoren, laat hem de voorwaarde vervullen die Allah (swt) stelt in dit vers". (Tafsier
Ibn Kathier). Het "gebieden van het goede en verbieden van het kwade"
betekent het inspannen om de juiste oplossingen voor de problemen van de mensen
geïmplementeerd te krijgen en te behouden. Dit is het aansporen tot regeren met
enkel en alleen Islam, want zo worden de juiste oplossingen voor de problemen
van de mensen geïmplementeerd. En enkel hierdoor blijft de mensheid weg van het
onrecht en de onderdrukking die onvermijdelijk resulteert wanneer middels Koefr
over de mensen geregeerd wordt. En hierdoor zal verzekerd worden dat niet enkel
de wezen de rechten krijgen die hen toekomen, maar dat al de mensen de hen
toekomende rechten zullen krijgen. Voedsel, kleding en onderdak, waar zoveel
mensen tegenwoordig enkel maar van kunnen dromen, behoren tot de meest
elementaire van deze mensenrechten volgens Islam. De Boodschapper van Allah
(saw) heeft gezegd: De zoon van Adam (as) kent geen groter recht dan een
huis waarin hij mag verblijven, een stuk kleed waarmee hij zijn naaktheid mag
bedekken, en een stuk brood en wat water.
De overwinnaars op de Dag
des Oordeels zijn dus degenen die oproepen tot het regeren met enkel en alleen
Islam. Want enkel door de tenuitvoerbrenging van de Sjari'a, namelijk, door de
implementatie van de Wet van Allah (swt), worden de rechten van de mensen
gegarandeerd. Laat derhalve degene die zich op de Dag des Oordeels ver
verwijderd wil zien van degenen die de verliezers zullen zijn, en die
daarentegen tot de overwinnaars wil behoren, Allah (swt) op de juiste wijze
aanbidden en zich storten op het werk voor de terugkeer van de Islamitische
Staat Al Khilafa. Want dit is een voorwaarde voor geloof, en het is het enige
Pad naar Succes, in dit leven en het Hiernamaals.
|