|
Het is een feit dat de
meeste mensen geld het allerbelangrijkste in hun leven achten. Om slechts
weinig geld te hebben is hun grootste vrees, en om meer geld te hebben dan alle
andere mensen is hun grootste wens. Alhoewel men kan bediscussiëren of het wel
correct is om geld en dus het najagen van geld zo belangrijk te maken, kan men
niet ontkennen dat de "uitvinding" van geld het leven gemakkelijk heeft gemaakt.
Geld heeft ruilen heel eenvoudig gemaakt, namelijk. Maar, er bestaan
verschillende ideeën over hoe geld moet zijn. Het westen heeft een specifiek
eigen idee over hoe geld georganiseerd moet zijn in de samenleving en over wat
precies dienst moet doen als geld. Dit westerse idee is onderdeel van de
westerse, kapitalistische ideologie. Als zodanig is dit idee volstrekt anders
dan het idee van Islam over geld. Want het Islamitische idee over hoe geld
georganiseerd moet zijn in de samenleving en over wat precies dienst moet doen als
geld is afkomstig van de overtuiging dat de mens in alles gehoorzaam moet zijn
aan Allah (swt). Terwijl het kapitalistische idee over geld afkomstig is van de
overtuiging dat de mens zich de wet niet voor moet laten schrijven door God,
maar in plaats hiervan zelf moet beslissen wat hij wil en vervolgens ook moet
doen wat hij wil.
Dit artikel zal zowel het
kapitalistische idee betreffende geld uiteenzetten, als de realiteit van geld
in het kapitalisme. Dit met het doel zowel idee als realiteit te bekritiseren.
Een later artikel zal dan ingaan op het idee van Islam betreffende geld.
Alsmede aantonen dat de beste oplossing voor de kwestie die geld is, gevonden
wordt in Islamitische ideologie en niet in kapitalistische ideologie.
De
kapitalistische economische theorie betreffende geld
In vroeger tijden was het
gebruikelijk om een waardevol materiaal zoals goud of zilver te gebruiken als
geld. Echter, volgens de theorie van de kapitalistische economen brengt het problemen
met zich mee om waardevolle materialen te gebruiken als geld. Het eerste
probleem, zo zeggen zij, is dat de meeste waardevolle materialen relatief zwaar
zijn. En als het geld dus bijvoorbeeld uit goud en zilver bestaat, dan moeten
de mensen altijd deze zware materialen in hun zakken meeslepen. Het tweede
probleem is volgens de kapitalistische economen dat waardevolle materialen slechts
in heel beperkte hoeveelheden beschikbeer zijn. Daarom zijn ze nu juist
waardevol. Ze zitten verborgen in de aarde en men moet mijnen bouwen en hard
werken om de edelmetalen uit de grond te kunnen halen. Dit is een probleem volgens
de kapitalistische economen omdat economieën, wanneer zij groeien doordat de
mensen rijker worden of doordat er simpelweg meer mensen komen, meer en meer
geld nodig hebben om te kunnen functioneren [1].
Maar, het is niet altijd mogelijk om bijvoorbeeld de hoeveelheid goud en zilver
te vergroten. Men moet hiervoor immers eerst het goud en zilver weten te vinden
in de aarde, en daarna ook nog eens opgraven. Dit betekent volgens de kapitalistische
economen dat een economie die goud en zilver gebruikt als geld niet kan groeien
wanneer er geen nieuw goud of zilver gevonden wordt, of tot het moment dat
nieuw goud en zilver gevonden en opgegraven wordt. Met andere woorden, om waardevolle
materialen als goud en zilver te gebruiken als geld kan groei van een economie
voorkomen, zeggen de kapitalistische economen.
Daarom stelt de
kapitalistische economische theorie dat ten beste een waardeloos materiaal dat
ruimelijk voorhanden is als geld gebruikt kan worden. Als bijvoorbeeld gewoon
papier genomen wordt en de status van geld wordt gegeven, dan kan men heel
eenvoudig meer papier maken wanneer de mensen meer handelstransacties willen
gaan doen. Dus dan wordt de groei van de economie niet tegengehouden. En
natuurlijk, papier kan men heel eenvoudig overal mee naar toe nemen. Veel
eenvoudiger althans dan goud en zilver.
Wanneer een economie een
in essentie waardeloos materiaal waarde de status van geld geeft, dan maakt
deze economie gebruik van wat men noemt "geld zonder intrinsieke waarde". Dit
betekent dat het materiaal dat als geld gebruikt wordt van zichzelf geen echte
waarde heeft, en dat dit materiaal in de vorm van geld een veel grotere waarde vertegenwoordigd
dan de waarde van het materiaal. Bijvoorbeeld het papiergeld is in zichzelf
niets waard, want papier is bijna niets waard. Maar zodra dit papier de vorm
van geld aanneemt, dus als van het papier een bankbiljet wordt gemaakt, dan
wordt dit waardeloze papier plotseling veel meer waard. Dit papiergeld is dus
niet iets waard omdat het materiaal waaruit het gemaakt is iets waard is. Het
is enkel iets waard omdat de mensen er vertrouwen in hebben dat ze met dit
papiergeld een bepaalde hoeveelheid producten zullen kunnen kopen. Geld zonder
intrinsieke waarde, met andere woorden, is gebaseerd op vertrouwen. Het
vertrouwen van de mensen dat het bankbiljet veel meer waard is dan enkel de
waarde van het papier waaruit het bestaat. Dit is tegengesteld aan geld dat
bestaat uit waardevolle materialen zoals goud of zilver. De waarde van
dergelijk geld heeft namelijk een echte waarde, want de waarde van dat geld is
gebaseerd op de waarde van het materiaal waaruit het gemaakt is.
Er bestaat één groot
probleem bij geld zonder intrinsieke waarde tegenover geld dat bestaat uit
waardevolle materialen. Oftewel, er bestaat één groot probleem betreffende
hetgeen de kapitalistische economen voorstellen, zijnde om geld te maken van
een waardeloos materiaal dat ruimelijk voorhanden is. Dit probleem is dat degene
die verantwoordelijk is om het geld zonder intrinsieke waarde te maken en uit
te geven, zodat de mensen de handelstransacties kunnen verrichten, heel
gemakkelijk een beetje extra zou kunnen maken voor zichzelf. Dus bijvoorbeeld
de overheid, wanneer zij de verantwoordelijkheid heeft om het papiergeld te
drukken en uit te geven, zou wat meer geld kunnen drukken dan de mensen nodig
hebben voor hun handelstransacties. En met dit beetje extra geld zou de
overheid dan alles kunnen doen wat zij graag wil. Zij zou met dit extra
gedrukte geld soldaten kunnen inhuren om oorlog te voeren tegen andere landen. Zij
zou met dit extra gedrukte geld paleizen kunnen laten bouwen voor haar nobelen
en edelen. En zij zou met dit extra gedrukte geld uitkeringen kunnen geven aan
de mensen, zodat zij niet teveel zullen klagen over de overheid. Dit alles zou
de overheid enkel een beetje papier en inkt kosten! Als het geld uit
waardevolle materialen zou bestaan, echter, dan zou de overheid dit niet kunnen
doen. Het probleem dat uit het extra drukken van geld door de overheid zou
resulteren, is dat er meer geld gedrukt worden dan de mensen nodig hebben om de
handelstransacties te doen die zij van plan zijn. Als gevolg hiervan zou het
geld langzaam maar zeker in waarde afnemen. Dit is immers altijd zo in kwesties
van vraag en aanbod. Als het aanbod van een goed (in dit geval geld) stijgt,
dan neemt de waarde van dit goed af. Dus, als de mensen merken dat er steeds
meer geld gedrukt wordt door hun overheid, dan weten ze dat hun geld in waarde
af zal nemen. Dat er inflatie zal komen, of in andere woorden geldontwaarding.
De mensen zullen het geld dan gaan wantrouwen, omdat ze niet langer zullen
weten hoeveel ze later nog zullen kunnen kopen met het geld. Maar als de mensen
het geld zonder intrinsieke waarde gaan wantrouwen, dan verliest dit geld al
zijn waarde. De waarde van het geld zonder intrinsieke waarde is immers geheel
en al gebaseerd op vertrouwen. Dus wanneer dit vertrouwen verloren gaat, dan
wordt het papiergeld weer net zoals al het andere papier: waardeloos. En als
het geld waardeloos wordt, dan is de economie kapot [2].
Daarom zegt de
kapitalistische economische theorie dat de verantwoordelijkheid voor de creatie
van het geld zonder intrinsieke waarde in handen moet zijn van een instituut
die onafhankelijk van de staat opereert. Niet de overheid maar een
onafhankelijke Centrale Bank moet als taak hebben om te zorgen voor genoeg
papiergeld in de economie, dus dat er niet te weinig papiergeld in circulatie
is zodat al de handelstransacties verricht kunnen worden. En tegelijkertijd moet
die Centrale Bank als taak hebben om ervoor te zorgen dat er niet teveel
papiergeld in de economie is, omdat hierdoor waardoor inflatie zou ontstaan. Zo
kan, volgens de kapitalistische economen, ervoor gezorgd worden dat de mensen
het geld zonder intrinsieke waarde niet zullen gaan wantrouwen. Zodat de
voordelen van geld zonder intrinsieke waarde tegenover goud en zilver als geld
gebruikt worden. En zodat het nadeel van geld zonder intrinsieke waarde tegenover
goud en zilver als geld omzeild worden.
De
geschiedenis van geld in kapitalisme
De geschiedenis van het
geld zonder intrinsieke waarde dat de kapitalistische economen promoten,
oftewel het papiergeld, begint in de tijd dat waardevolle metalen nog gebruikt
werden als geld. In die tijd, de middeleeuwen, waren banken nog zuiver plaatsen
waar een eigenaar zijn goud ter bewaring en bescherming achter kon laten, tot
het moment dat hij het weer nodig had. Dus wanneer een eigenaar van goud of
zilver even geen plannen had om iets te kopen met het goud of zilver, dan
bracht hij het naar de bank ter bewaring en ter voorkoming van diefstal. De
bankier schreef bij ontvangst van het goud of het zilver dan een
ontvangstbewijs uit voor de eigenaar, waarmee die eigenaar dan later zijn goud
of zilver terug zou kunnen eisen op het moment dat hij wel een plan had gemaakt
om iets te gaan kopen.
Naar verloop van tijd
raakten de mensen zo vertrouwt met deze ontvangstbewijzen dat zij gebruikt begonnen
te worden als ruilmiddel. Wanneer de eigenaar van een bepaalde hoeveelheid goud
of zilver, die hij ter bewaring had afgegeven bij een bankier, een bepaald goed
wilde kopen, dan kon hij naar de bankier gaan en zijn goud of zilver terug
eisen om hiermee dan dit goed te gaan kopen. Maar, hij kon ook gewoon het
ontvangstbewijs dat hij had gekregen van de bankier, en waarmee het goud of
zilver opgeëist kon worden bij de bankier, ruilen met de verkoper. Verkopers van
goederen begonnen deze ontvangstbewijzen van bankiers te accepteren als
betaling, in plaats van echt goud of zilver, omdat ze hadden geleerd dat zij
met het ontvangstbewijs in de hand het goud of het zilver zouden kunnen ophalen
bij de bankier. Vanwege dit vertrouwen in de ontvangstbewijzen werden dezen over
tijd van gelijke waarde geacht als het goud of het zilver zelf. En zo ontstond in
feite het papiergeld.
Doordat de
ontvangstbewijzen alsmaar meer gebruikt werden voor handel werd het echte goud
alsmaar minder gebruikt. De bankiers die het goud bewaarden merkten dit doordat
er steeds minder mensen bij hen kwamen om het goud dat zij in hun kluizen
bewaarden op te eisen. Heel veel van het goud dat zij in bewaring hielden werd
dus in het geheel niet meer gebruikt. Het goud in hun kluizen was iHet emand eens komen brengen, en de
bankier had hier toen een ontvangstbewijs voor uitgeschreven, maar met dit
ontvangstbewijs werden nu de aankopen gedaan. En dus vond geen van de eigenaren
van het ontvangstbewijs het noodzakelijk om het goud weer op te eisen bij de bankier.
Het goud bij de bankier kwam de kluis dus nooit uit. Om van deze situatie
gebruik te kunnen maken begonnen de bankiers het goud dat toch niet opgeëist
werd uit te lenen. Tegen een rente konden mensen die geld nodig hadden dit goud
komen lenen bij de bankiers, en zo creëerden de bankiers voor zichzelf een
extra inkomstenbron. Naast het geld dat ze kregen om het goud te bewaren kregen
ze nu ook een rente betaald over dit goud wanneer ze het andere mensen
uitleenden.
Al snel, echter, leerden
de bankiers dat zij het goud helemaal niet uit hun kluizen hoefden te halen om
mensen geld te kunnen lenen. De ontvangstbewijzen die de bankiers uitschreven
werden immers net zo gebruikt als het echte goud, want de ontvangstbewijzen
zelf werden geaccepteerd als betaalmiddel. Dus als iemand voor een lening
aanklopte bij de bankier, dan kon de bankier ook gewoon een extra ontvangstbewijs
uitschrijven en het goud in zijn kluis laten. Met het ontvangstbewijs in handen
kon de lener dan kopen op de markt wat hij wilde, en later zou hij het bedrag
dat afgesproken was op het ontvangstbewijs betalen aan de bankier in de vorm
van echt goud. Met rente. De bankiers realiseerden zich dus dat ze middels het
uitschrijven van papiertjes, die in zichzelf waardeloos waren, echt goud konden
verdienen. Ze creëerden zelf geld, middels pen en papier, en kregen daar later
dan echt goud voor terug. Zij schreven derhalve massa's ontvangstbewijzen uit
voor mensen die geld wilden lenen, ook al namen ze in werkelijkheid in het
geheel geen goud in ontvangst. En zo werden de bankiers astronomisch rijk.
Zo kwamen er natuurlijk na
verloop van tijd veel meer ontvangstbewijzen voor goud en zilver in omloop dan
er werkelijk goud in de kluizen van de bankiers lag. En als een consequentie
hiervan gebeurde het af en toe dat er op één dag, bij toeval, meer mensen naar
één specifieke bankier gingen om goud en zilver op te eisen dan die bankier werkelijk
beschikbaar had. Voor heel veel van de uitgeschreven ontvangstbewijzen had de
bankier immers nooit echt goud of zilver ontvangen. Wanneer dit gebeurde dan
kon de bankier niet al de mensen het goud geven waarop zij volgens hun
ontvangstbewijzen recht op hadden. Dergelijke gebeurtenissen eindigden
gewoonlijk in moord en doodslag, waarbij de betreffende bankier als slachtoffer
fungeerde omdat de woedende menigte hem voor dief hielden. Dergelijke
gebeurtenissen leerden de overige bankiers een les. Zij speelden immers
allemaal het spel van het uitschrijven van ontvangstbewijzen zonder werkelijk
goud ontvangen te hebben. Het leerde de bankiers dat hen allemaal het zwaard
van Damocles boven het hoofd hing. Het zou eenieder van hen kunnen overkomen
dat op één dag teveel mensen voor hun deur zouden staan om goud en zilver op te
eisen. En dat zij dan niet in staat zouden zijn om de mensen dit goud en zilver
te geven. Sterker nog, wanneer dit bij één van hun collega's plaatsvond dan
vergrootte dit de mogelijkheid dat het ook bij hen plaats zou vinden. Want de
mensen leerden door de problemen bij één bankier dat het niet geheel zeker was
dat ze hun goud of zilver zouden kunnen krijgen. In reactie, om te voorkomen
dat het ook hen zou overkomen dat de bankier hen hun goud niet zou kunnen
geven, stroomden de mensen bij het failliet gaan van een bankier dan naar de
overige bankiers om hun goud op te eisen. Dus het failliet gaan van één bankier
bracht het voortbestaan van al de bankieren in gevaar!
In reactie begonnen de
verschillende bankiers dan ook samen te werken. Tezamen brachten zij een
hoeveelheid goud en zilver bijeen op een centrale locatie, waaruit zij allen
zouden kunnen putten in geval van nood. Als er op een dag bij één van hen
teveel mensen aan zouden kloppen voor goud en zilver, dan zou deze bankier naar
de centrale locatie kunnen gaan en daar het goud en zilver lenen dat hij nodig
had. Zo werd de kans op het failliet gaan van één van de bankiers verminderd.
En zo zouden de mensen nooit te weten komen dat de bankiers veel meer
ontvangstbewijzen hadden uitgeschreven dan ze werkelijk goud en zilver hadden
ontvangen. Dus, zo zouden de mensen nooit wantrouwen ontwikkelen betreffende de
ontvangstbewijzen van de bankiers, en dus nooit het goud of zilver kopen
opeisen.
Tegelijkertijd met dit
initiatief werd er een organisatie opgericht die toezicht moest houden op de
centrale goud- en zilvervoorraad. Deze organisatie, genaamd de Centrale
Bankier, zou ook toezicht houden op de bankiers die deelnamen aan dit kartel. Want
de wetenschap dat er een centrale goudvoorraad bestond zou sommigen van de
bankiers er toe kunnen aanzetten om nog meer lening uit te geven en dus om nog
meer ontvangstbewijzen uit te schrijven zonder echt goud of zilver ontvangen te
hebben. Bij een probleem zouden ze immers toch naar de centrale goud- en
zilvervoorraad kunnen gaan. Om dergelijk overdreven risicovol gedrag te
voorkomen eiste de Centrale Bankier een minimale reserve van al de deelnemende
bankiers. Wie mee wilde doen met het kartel van bankiers en gebruik wilde kunnen
maken van de centrale goud- en zilvervoorraad moest te allen tijde omstreeks
10% van de uitgeschreven ontvangstbewijzen gedekt hebben door goud of zilver.
Oftewel, als een bankier 100 kilo goud in zijn kluizen had dan mocht hij niet
meer dan 1000 kilo aan ontvangstbewijzen uitschrijven. De Centrale Bankier zou
erop toezien dat alle deelnemende bankiers zich hieraan hielden, waardoor het
risico op het failliet gaan van één van de bankiers geminimaliseerd zou worden.
Wat het systeem van de
Centrale Bankier niet zou kunnen voorkomen, echter, zo realiseerden de bankiers
binnen dit kartel zich, was het failliet gaan van één van de bankiers die niet
aan dit systeem deelnamen. Zij zouden geen centrale goud- en zilvervoorraad tot
hun beschikking hebben, en zij zouden zoveel ontvangstbewijzen voor goud en
zilver uit kunnen schrijven als zijzelf wilden. De bankiers die niet deelnamen
aan het systeem van de Centrale Bankier zouden dus veel meer kunnen verdienen
dan de bankiers die wel meededen, en zij zouden ook een veel grotere kans
hebben om failliet te gaan. Echter, indien dit laatste zou gebeuren dan zouden ook
de bankiers die wel meededen aan het systeem van de Centrale Bankier een
probleem krijgen. Het failliet gaan van één van die "wilde" banken zou immers
ook het vertrouwen van de mensen in de ontvangstbewijzen van de bankiers van
het systeem van de Centrale Bankier schaden. De mensen zouden op de stoep komen
te staan ook bij de bankiers die wel deelnamen aan het systeem van de Centrale
Bankier, en dan zou de centrale goud- en zilvervoorraad mogelijk niet voldoende
zijn om aan de vraag naar goud en zilver te voldoen. De "wilde" bankiers, met
andere woorden, bedreigden het ganse systeem. Dus gebruikten de bankiers die
deelnamen aan het systeem van de Centrale Bankier hun rijkdom om goede vrienden
te worden met de heersers en de regenten. Ze gaven hen geld voor hun legers en
verkiezingscampagnes, ze leenden hen geld tegen lage rente, ze gaven feestjes
ter hunner ere, et cetera, om deze heersers en regenten er toe te bewegen een
wet uit te vaardigen die het enkel zou toestaan om als bankier te werken indien
men over een speciale vergunning hiertoe beschikte. Een vergunning die
afgegeven zou moeten worden door de Centrale Bankier die ook de centrale goud-
en zilvervoorraad beheerde en die op naleving van de minimumreserve
controleerde. Oftewel, de bankiers die deelnamen aan het systeem van de Centrale
Bankier gebruikten de overheid om ervoor te zorgen dat enkel zij als bankier
mochten opereren. En zo werden al de niet-deelnemers aan dit systeem uit de
markt gewerkt, en kon enkel nog bij de bankiers die wel deelnamen leningen
verkregen konden worden.
De bankiers voelden zich
niet beschaamd om al snel hierna nog een gunst van de heersers en regenten te
vragen. Het probleem waar de bankiers van het systeem van de Centrale Bankier
een oplossing voor zochten was dat over het algemeen de mensen weliswaar ontvangstbewijzen
van de bankiers accepteerden als betaalmiddel, maar dat er toch nog altijd
bepaalde personen waren die liever het echte goud in handen hadden dan de
ontvangstbewijzen van de bankiers. Deze lieden weigerden de ontvangstbewijzen
van de bankiers als betaalmiddel, en zij verwezen als verklaring hiervoor dan
naar de voorvallen uit de geschiedenis waar enkele bankiers failliet waren
gegaan. Hierdoor ondermijnden deze lieden het vertrouwen van de mensen in de
ontvangstbewijzen van de bankiers, en hierdoor bleven sommige mensen toch maar
steeds weer bij de bankiers verschijnen om goud op te eisen in ruil voor de
ontvangstbewijzen in hun bezit. Dus vroegen de deelnemers aan het kartel de
heersers en regenten een wet uit te vaardigen die het de mensen zou verbieden
om de ontvangstbewijzen uitgeschreven door de bankiers van het systeem van de
Centrale Bankier niet als betaalmiddel te accepteren. Dan, als deze ontvangstbewijzen
een wettig betaalmiddel zouden zijn geworden, dan zou goud of zilver helemaal
niet meer gebruikt hoeven te worden om dingen te kopen. Dan zouden de
ontvangstbewijzen van de bankiers volstaan en zou al het goud en zilver in hun
kluizen opgeslagen kunnen worden en nooit meer opgeëist worden. Bij deze
zekerheid zouden de bankiers dan de minimale reserve kunnen verlagen, waardoor
zij meer leningen aan zouden kunnen gaan waarmee ze nog meer in rente zouden
kunnen verdienen. Omdat de heersers en regenten zelf de grootste leners waren,
want wanneer zij oorlog gingen voeren of herkozen moesten worden dan was hun
behoefte aan geld vele malen groter dan hun werkelijke inkomsten, gaven zij de
bankiers hun zin. Wetten werden geïmplementeerd die de ontvangstbewijzen
uitgeschreven door de bankiers van het systeem van de Centrale Bankier een
wettig betaalmiddel maakte, de betaling waarmee niemand nog zou mogen weigeren.
Onderwijl, echter,
broedden de bankiers van het systeem van de Centrale Bankier alweer op een
volgend plan. Want ook al bestonden er de centrale goud- en zilvervoorraad, de
minimale reserve vereiste en een plicht om de ontvangstbewijzen uitgeschreven
door de bankiers te accepteren voor betaling, het viel nog immer niet uit te
sluiten dat er een dag zou komen dat de mensen met de ontvangstbewijzen in de
hand meer goud zouden opvragen bij de bankiers dan zij in hun kluizen hadden. Sterker
nog, door de centrale goud- en zilvervoorraad, de minimale reserve vereiste en
de plicht om de ontvangstbewijzen uitgeschreven door de bankiers te accepteren
voor betaling was het bankieren heel erg veilig geworden. De bankiers hadden daarom
heel veel extra leningen uitgegeven, omdat de kans dat mensen goud echt zouden
komen opeisen heel erg klein was geworden, waardoor ze heel erg veel extra geld
verdienden aan rente. Maar, al die extra ontvangstbewijzen die waren
uitgeschreven door de bankiers om deze leningen mogelijk te maken deed de kans
dat zij ooit teveel mensen op hun stoep zouden hebben staan om goud op te eisen
wel weer toenemen. Daarom wendden de deelnemers aan het kartel zich tot hun
vrienden de heersers en regenten met het verzoek nog een wet uit te vaardigen.
Een wet die het de mensen simpelweg zou verbieden om naar de bankiers te gaan
en goud of zilver op te eisen in ruil voor de ontvangstbewijzen. Als de
heersers en regenten niet akkoord zouden gaan met dit voorstel dan zouden zij
geen geld meer kunnen lenen bij de bankiers van het systeem van de Centrale
Bankier, zo beloofden de bankiers hen. En dan zouden de bankiers van het
systeem van de Centrale Bankier heel goedkoop geld uitlenen aan de vijandige
heersers en regenten, dus dan zouden de heersers en regenten hun eigen graf
graven. Dus kregen de bankiers van het systeem van de Centrale Bankier wederom
hun zin en werd het de mensen verboden om naar de bankiers te gaan met het
verzoek de ontvangstbewijzen om te wisselen voor echt goud of zilver. En zo was
het voor eens en voor altijd gedaan met de mogelijkheid dat er ooit teveel
mensen op de stoepen van de bankiers zouden staan om goud en zilver op te
eisen.
Historische
bewijzen voor deze geschiedenis van geld
De Centrale Bank van
Groot-Brittannië, de Royal Bank of England, kwam tot bestaan in 1689. In 1688
was er een revolutie in Groot-Brittannië en werd koning James III afgezet. In
zijn plaats besteeg Willem van Oranje de troon als koning William of Orange,
tezamen met koningin Mary. In een poging geld bijeen te brengen voor het Engelse
koningshuis ging Willem van Oranje een lening van £1.200.000 aan met een groep
bankiers die vertegenwoordigd werden door William Paterson. In ruil voor deze
lening, die het Engelse koningshuis met rente terug zou moeten betalen, mochten
de lenende bankiers tezamen de Bank of England oprichten. Vervolgens werd in
1694 per koninklijk decreet verordend dat deze bank het alleenrecht had op de
creatie van geld. Niemand zou voortaan nog ontvangstbewijzen voor goud en
zilver mogen uitschrijven behoudens de Bank of England. Zo werden de inwoners
van Groot-Brittannië verplicht om leningen aan te gaan bij deze bank. De Britse
staat zelf werd de grootste lener. De Britse staatsschuld bij de Bank of
England groeide van £1.200.000 in 1688, tot £12.000.000 in 1700, tot
£850.000.000 in 1815. Waardoor, zo valt eenvoudig in te zien, de bankiers
achter de Bank of England een enorme macht uit kwamen te oefenen op de Britse
heersers [3].
De Nederlandse Bank
(DNB), de Centrale Bank van Nederland, werd in 1814 opgericht door koning
Willem I. Het was één van zijn allereerste officiële verrichtingen als koning,
nadat Nederland bevrijd was geworden van Napoleonistische overheersing. In de
oprichtingsovereenkomst van de DNB liet Willem I opnemen dat enkel de DNB het
recht zou hebben om leningen uit te schrijven en (aldus) geld te creëren. De
ondernemingsvorm van de DNB zou die van een naamloze vennootschap zijn. De
private personen die het kapitaal bij elkaar hadden gebracht om de DNB op te
kunnen richten zouden in de DNB de naamloze vennoten zijn. Met andere woorden,
deze private investeerders kochten middels hun investering het recht om het
Nederlandse geld te maken [4].
Het Federal Reserve
systeem in de Verenigde Staten, de Amerikaanse evenknie van de Centrale Bank,
kwam tot bestaan middels de Federal Reserve Act van 1913. De Federal Reserve
Act was de wet in reactie op een voorstel gedaan door Senator Nelson Aldrich.
In 1910 was Senator Aldrich op Jeckyll Island voor de kust van de staat Georgia
samengekomen met de allergrootsten op deze aarde in het bereik van bankieren.
Frank Vanderlip, de president van de grootste bank van Amerika op dat moment de
National City Bank of New York, was hier. Henry Davidson en Benjamin Strong
waren er namens de bank J.P. Morgan. Charles Norton was er namens de First
National Bank of New York. En Paul Warburg, wiens broer Max de baas was van het
grootste bankiers consortium in Nederland en Duitsland, was er als
vertegenwoordiger van de Rothschild familie wiens banken Frankrijk en
Groot-Brittannië domineerden. Deze vertegenwoordigers van de grote banken en
senator Aldrich werkten tezamen een voorstel uit voor de oprichting van een
Centrale Bank in Amerika, die onder gedeelde controle zou komen van de
Amerikaanse overheid en de grote banken. Deze Centrale Bank zou het alleenrecht
krijgen op het creëren van geld en zou de controle uitoefenen op de banken actief
op de Amerikaanse markt. De Amerikaanse overheid zou dit voorstel
implementeren, waardoor de vertegenwoordigde banken effectief de complete
controle kregen over de creatie van geld in Amerika [5].
In 1930, ten slotte,
richtten de Centrale Banken van enkele van de voornaamste landen in de wereld in
Basel, Zwitserland, de Bank for International Settlements (BIS) op. De precieze
landen waren België, Frankrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, Japan en
Groot-Brittannië. Naast deze landen behoorden ook drie private banken uit de
Verenigde Staten tot de oprichters, te weten J.P. Morgan & Company, First
National Bank of New York en First National Bank of Chicago. Middels deze drie
private banken, die de eigenaren van het Amerikaanse systeem van de Federal
Reserve waren, was ook de Amerikaanse Centrale Bank bij de oprichting BIS
betrokken. Deze BIS fungeert sindsdien als de "Centrale Bank voor de Centrale
Banken". De BIS koopt en verkoopt goud en andere waardevolle metalen voor de
Centrale Banken die haar opgericht hebben en fungeert als vertegenwoordiger van
de Centrale Banken. De Centrale Banken hebben een rekening bij de BIS, en de
BIS heeft een rekening bij de Centrale Banken, en zo kunnen de Centrale Banken
via de BIS financiële middelen overbrengen van het ene land naar het andere.
Uit de formele overeenkomst tussen de BIS en de Zwitserse staat blijkt precies
hoe de machtsverhoudingen zijn tussen staat en de eigenaren van de Centrale
Banken. De BIS, namelijk, is feitelijk een natiestaat op zichzelf. Al de
werknemers van de BIS kennen diplomatische immuniteit en kunnen niet voor een
rechtbank vervolgd worden voor misdaden. Let wel, niet enkel tijdens hun
dienstverband maar ook nadat hun dienstverband bij de BIS is afgelopen. Verdermeer,
de BIS en haar werknemers zijn vrijgesteld van de betaling van iedere vorm van
belastingen of andere heffingen, en van al de vereisten betreffende immigratie
en emigratie (met andere woorden, ze hebben geen paspoort of
verblijfsvergunning nodig). Ten slotte heeft geen enkele natiestaat inzage in
de activiteiten van de BIS en niemand heeft het recht om de activiteiten en de
boekhouding van de BIS te controleren [6].
De BIS opereert dus volledig in het geheim. Vanwege deze unieke positie van de
BIS in de wereld kunnen de Centrale Banken via haar in het geheim goud en geld
verplaatsen over heel de wereld. Zonder dat iemand het weet, zonder dat iemand
er naar mag vragen.
Kritiek
op het monetair systeem van kapitalisme
Voor wat betreft het
monetair systeem in kapitalisme ging de realiteit dus aan de theorie vooruit:
er was eerst het bankieren middels papiergeld en pas later kwam er een theorie
om dit te rechtvaardigen. Derhalve is het gerechtvaardigd om de kritiek op dit
monetair systeem toe te spitsen op de realiteit van het systeem, en veel minder
op de later gekomen theoretische pogingen tot rechtvaardiging hiervan.
Het eerste punt dat in
kritiek op het monetair systeem in kapitalisme gemaakt moet worden, is dat dit
gebaseerd is op leugen en bedrog. Want de oorsprong van dit systeem is gelegen
bij de bankiers die beweerden goud en zilver te zullen bewaren, maar die zich
na in ontvangstname van het goud en zilver omdraaiden en dit zonder medeweten
van de eigenaren van het goud en zilver tegen een rente uitleenden aan derde
partijen. En, die ontvangstbewijzen voor goud en zilver uitschreven alhoewel ze
in het geheel geen goud en zilver in ontvangst hadden genomen. Het uiteindelijk
resultaat van deze leugens en dit bedrog is het hedendaagse papiergeld zonder
intrinsieke waarde, wiens waarde niet gekoppeld is aan een bepaalde hoeveelheid
goud of zilver maar bepaald wordt door enkel vertrouwen. En de theorie achter dit
monetair systeem in kapitalisme is gekomen om deze leugen en dit bedrog te
rechtvaardigen.
Ten tweede, dit monetair
systeem is in essentie een piramidespel dat, zoals alle piramidespelen,
uiteindelijk niet anders dan ten onder kan gaan. Het allereerste papiergeld
werd gecreëerd door bij een bankier een lening aan te gaan. Deze bankier
schreef dan een ontvangstbewijs voor een bepaalde hoeveelheid goud of zilver
uit, en met dit ontvangstbewijs kon de lener dan op de markt kopen wat hij
wilde. De afspraak was dat de lener op een later moment de bankier het goud of
zilver behorende bij het ontvangstbewijs alsnog zou betalen aan de bankier, waardoor
hij effectief de lening terugbetaalde, inclusief een rente. Vandaag de dag is
dit nog altijd de manier waarop in het monetair systeem van kapitalisme het
geld wordt gecreëerd. In dit systeem wordt het geld gecreëerd wanneer iemand
bij de bank een lening aangaat. De bank heeft geen geld, goud of zilver dat hij
uit de kluis haalt om aan de lener te geven. Hij heeft het recht om vanuit het
niets, middels een druk op de computer, het saldo op de bankrekening van de lener
te verhogen. De lener krijgt het geld van de lening dus op zijn rekening,
zonder dat het saldo van een andere rekening verminderd wordt. En zo wordt in
het monetair systeem van kapitalisme geld gecreëerd. Door een lening af te
sluiten bij een bank wordt de totale hoeveelheid geld groter gemaakt. Maar, dit
geleende geld moet natuurlijk wel terugbetaald worden aan de bank op enig
moment. Wat dit betekent kan het best uitgelegd worden wanneer men zich
voorstelt dat een economie bestaat uit één persoon en één bank. Indien de ene
persoon in de economie geld nodig heeft om dingen te kunnen kopen dan zal hij
dit moeten lenen bij de bank. Tegen een rente. Dus stel dat deze ene persoon €100
leent bij de bank, dan zal hij bijvoorbeeld €150 terug moeten betalen. Maar de
vraag is dan, waar kan deze persoon de extra €50 die hij in rente moet betalen
vandaan halen? Het antwoord op deze vraag is zo simpel dat het verstand moeite
heeft het te accepteren: de €50 die nodig is om de lening van €100 met rente
terug te kunnen betalen kan enkel verkregen worden door extra geld te lenen bij
de bank. Want dit is de manier waarop extra geld gecreëerd wordt. Maar, ook dit
geleende geld zal weer met rente terug betaald moeten worden aan de bank. Dus
om de rente te kunnen betalen over de tweede lening van €50 zal de lener nog
een extra lening aan moeten gaan bij de bank. Enzovoorts, enzovoorts. Daarom is
het monetair systeem van kapitalisme gelijk een piramidespel, omdat er nooit
genoeg geld in omloop is om al de verplichtingen te kunnen voldoen. Over de
laatste lening die geld gecreëerd heeft moet rente betaald worden, en het geld
dat hiervoor nodig is komt enkel tot bestaan door nog een lening aan te gaan.
Deze laatstgenoemde
realiteit van het monetair systeem in kapitalisme heeft twee gevolgen die
allebei als verdere kritiek op dit systeem aangedragen kunnen. Enerzijds, en
dit is dus het derde punt van kritiek, betekent het dat de totale
geldhoeveelheid in kapitalisme altijd toe zal moeten nemen. Want als de toename
van de totale hoeveelheid geld in omloop op enig moment stokt of niet snel
genoeg verloopt, dan zullen mensen de rente over hun lening immers niet kunnen
betalen en dan valt het ganse systeem als een kaartenhuis in elkaar. Maar, een
toename van de geldhoeveelheid betekent inflatie, oftewel geldontwaarding. Dus
in het monetair systeem van kapitalisme is inflatie onvermijdelijk. Het gevolg
van inflatie, echter, is dat de koopkracht van een inkomen of van een
spaartegoed afneemt. Want inflatie betekent dat de prijzen van goederen stijgen
omdat er het geld minder waard wordt doordat er steeds meer geld in omloop
komt. Dit betekent dat bij inflatie de mensen armer worden omdat zij met hun
geld alsmaar minder zullen kunnen kopen. En dit is een vorm van diefstal.
Anderzijds, en dit is dan
het vierde punt van kritiek, betekent het feit dat in het monetair systeem van
kapitalisme geld gecreëerd wordt door leningen aan te gaan dat de absolute
macht in handen wordt gegeven van de banken. Geld is de spil in iedere economie,
dus wie het geld controleert die controleert de economie. In het monetair
systeem van kapitalisme hebben de eigenaren van de banken dus alle macht, want
zij controleren het geld. Hun banken maken immers het geld! Dit betekent in de
praktijk dat het een economie goed zal gaan wanneer de banken willen dat het de
economie goed zal gaan. Ze zullen dan de rente laag houden en veel leningen uit
geven, de mensen zullen met het extra geld dan veel nieuwe dingen aanschaffen,
bedrijven zullen in reactie hierop geld lenen om investeringen te doen en meer
te kunnen produceren, et cetera, et cetera. En wanneer de banken willen dat het
een economie niet goed gaat, dan zal het deze economie ook niet goed gaan. Dan
zullen de banken de rente hoog laten zijn en geen tot weinig nieuwe leningen
uitgeven, de mensen en de bedrijven zullen dan in eerste instantie minder gaan
consumeren omdat de rente over de bestaande leningen afbetaald moet worden,
waardoor mensen en bedrijven minder inkomsten zullen krijgen waardoor bedrijven
failliet zullen gaan, waardoor minder geconsumeerd zal gaan worden, waardoor
mensen en bedrijven minder inkomsten zullen krijgen, waardoor bedrijven
failliet zullen gaan, et cetera, et cetera.
[1] Deze stelling kan eenvoudig beargumenteerd worden, en wordt dit ook in de boeken van economische theorie, maar het zou meest waarschijnlijk enkel verwarren opwekking wanneer geprobeerd zou worden deze argumentaties hier in samenvatting weer te geven.
[2] Dit vindt bijvoorbeeld nu plaats in Zimbabwe, en vond eerder plaats in Turkije in 2000 - 2001.
[3] www.bankofengland.co.uk/about/history/index.htm
[4] www.dnb.nl
[5] Zie: G. Edward Griffing, "The Creature from Jeckyll Island", American Media, 1998
[6] www.bis.org
|