|
"Het profeetschap zal
onder jullie zijn zolang Allah het wil, en dan wanneer Allah het wil zal Hij
het wegnemen. Vervolgens zal er de Khilafa Raasjida zijn zolang Allah
het wil, en dan wanneer Allah het wil zal Hij het weg nemen. Dan zal er een
pijnlijk leiderschap zijn zolang Allah het wil, en dan wanneer Allah het wil
zal Hij het weg nemen. En dan zal er de tirannie zijn zolang Allah het wil, en
dan wanneer Allah het wil zal Hij het weg nemen. En dan zal er (terug) de
Khilafa zijn volgens het voorbeeld van de Profeet. En toen zweeg de Profeet." (Imaam Ahmed)
Introductie
Na de dood van ‘Oethman
ibn ‘Affan (ra) werd ‘Ali ibn Aboe Taalib (ra) door de moslims verkozen tot
Khalifa. Hij was derhalve de vierde van de Khoelafaa ar Raasjiddien, de
Rechtgeleide Kaliefen.
Zijn naam, zijn
genealogie, zijn jeugd, en zijn status onder Qoraiesj
Zijn
naam was ‘Ali bin ‘Abd Manaf bin Sjayba bin Haasjim bin ‘Abd Manaf bin Qoessay
bin Moerra bin Ka'ab bin Loe'ayy bin Ghaalib bin Fihr bin Maalik bin Nadr bin
Kanana. Hij
werd geboren in het 28e jaar na het Jaar van de Olifant. De Boodschapper (saw)
werd geboren in het Jaar van de Olifant. ‘Abd Manaf, zijn vader, was bekend
onder de naam Aboe Taalib. Aboe Taalib, letterlijk "vader van Taalib", was
feitelijk de koenja van ‘Abd Manaf. Taalib was de oudere broer van ‘Ali. De
moeder van ‘Ali was Fatima, dochter van Asad, zoon van Haasjim. Zowel van
vaderszijde als van moederszijde was ‘Ali van Banoe Haasjim, wat onder de Arabieren
bijzonder eervol was. De vader van ‘Ali, Aboe Taalib, was een broer van
‘Abdoellah, de vader van de Boodschapper van Allah (saw). ‘Ali en Profeet
Mohammed (saw) waren volle neven, derhalve.
‘Ali werd geboren in de
Ka'aba. Zijn moeder Fatima verrichte als hoogzwangere vrouw nog omcirkelingen
van de Ka'aba. Tijdens deze activiteit voelde zij plotsklaps de pijn van de
bevalling opkomen. Ze trok zich daarop terug op een rustige plaats bij de
Ka'aba, waar ‘Ali vervolgens geboren werd. De Profeet (saw) was bij zijn
geboorte aanwezig, en hij was de eerste op wie de ogen van ‘Ali vielen na zijn
geboorte. Zijn moeder wilde hem Asad noemen naar haar vader, terwijl zijn vader
hem Zaid wilde noemen. De Profeet (saw) noemde hem daarop ‘Ali, een naam die
afgeleid is van het woord Allah, omdat ‘Ali in het huis van Allah geboren was.
Een unicum daar er voorheen niemand was die de naam ‘Ali droeg.
‘Ali was van gemiddelde
lengte en neigde eerder tot klein dan tot lang. Hij had een mooi gezicht met
een rechte neus, mooie lippen en ogen die gezag uitstraalden. Zijn stem was
melodieus en in zijn jeugd was zijn lichaam krachtig en sterk. Op latere
leeftijd werd hij ietwat kalend bij het voorhoofd en ontwikkelde hij een
buikje. Hij had een lange, volle baard tot op zijn borst die hij geregeld rood
verfde met henna.
Zijn
bekering tot Islam
Na de dood van zijn vader
‘Abdoellah werd Profeet Mohammed (saw) opgevoed in het huis van zijn oom Sjayba
bin Haasjim, de grootvader van ‚Ali die bekend was onder de naam ‘Abdoel Moetallib. Na
diens dood, toen de Profeet (saw) negen jaar oud was, werd Profeet Mohammed
(saw) met veel liefde opgevoed in het huis van Aboe Taalib. Profeet Mohammed
(saw) was als een zoon voor Aboe Taalib, en derhalve was ‘Ali van kinds af aan
als een broer voor Profeet Mohammed (saw), hoewel feitelijk een neef. Nadat
Profeet Mohammed (saw) met Khadidja (ra) getrouwd was en bij haar ingetrokken
was, kwam Profeet Mohammed (saw) met Aboe Taalib overeen dat hij (saw) voor de
peuter ‘Ali zou zorgen.
Toen de eerste
openbaringen van Allah (swt) tot Profeet Mohammed (saw) kwamen was ‘Ali
omstreeks acht jaren oud (sommige bronnen spreken van negen, weer anderen van
tien). Profeet Mohammed (saw) vertelde eerst zijn vrouw Chadidja van zijn
ervaring, en zij (ra) geloofde daarop in hem (saw). Toen nam zij (ra) hem mee
naar Waraqa bin Naufal omdat hij als christen bekend was met Tora en Bijbel, en
ook hij geloofde in hem. Toen nodigde hij de jonge ‘Ali uit tot Islam, en ook
hij geloofde in hem (saw). Omdat ‘Ali nog zo jong was toen hij Islam aannam,
heeft hij nooit in zijn leven afgoden aanbeden zoals de mensen van het Arabisch
schiereiland destijds gewoon waren.
Tijdens
het leven van de Profeet (saw)
Ongeveer drie jaren in
het profeetschap besloot de Boodschapper van Allah (saw) de leiders van Banoe
Haasjim bijeen te roepen voor een maaltijd, om hen dan na de maaltijd uit te
nodigen tot Islam en om hun steun te vragen voor Islam. Omstreeks veertig
mannen van Banoe Haasjim verzamelden zich en de op dat moment elfjarige ‘Ali (ra)
was onder hen. Na de maaltijd nodigde de Boodschapper van Allah (saw) hen uit
tot Islam en vroeg hen Islam en de Boodschapper van Allah (saw) te
ondersteunen. Het bleef stil en enkel de jonge ‘Ali (ra) stond op en zei: "Ik
zal u ondersteunen, o Boodschapper van Allah!". De Boodschapper van Allah (saw)
bedankte ‘Ali daarop voor zijn steun, en in de richting van de overige gasten
herhaalde hij zijn oproep een tweede en een derde keer. Iedere keer bleef het
stil, buiten ‘Ali (ra) die iedere keer temidden van zijn volwassen familieleden
opstond om zijn steun voor Islam en de Boodschapper van Allah (saw) uit te
spreken.
Tijdens de jaren van
uitnodiging tot Islam bleef ‘Ali (ra) aan de zijde van de Boodschapper van
Allah (saw). Toen de Boodschapper van Allah (saw) de berg Safa beklom en van
daar de mensen toesprak, stond ‘Ali (ra) aan zijn rechter zijde. De
Boodschapper van Allah (saw) zei: Als ik jullie zeg dat er zich in de vallei
een vijandelijk leger bevind klaar om jullie aan te vallen, zouden jullie mij
dan geloven? De mensen antwoordden: "Jawel, wij zouden je geloven want het
is ons bekend dat jij betrouwbaar bent". Toen zei de Boodschapper van Allah
(saw): Ik zeg jullie dat er geen God is buiten Allah, en dat ik Zijn profeet
ben. Daarop joelden de mensen de Boodschapper van Allah (saw) uit en
vertrokken.
Bij de migratie van de Boodschapper
van Allah (saw) naar Al Madina bleef ‘Ali (ra) achter in zijn huis. De
Boodschapper van Allah (saw) had ‘Ali (ra) de opdracht gegeven om de vijanden
van Islam te misleiden door te gaan slapen in het bed van de Boodschapper van
Allah (saw). Hierna moest ‘Ali (ra) ervoor zorgen dat de mensen die bij de
Boodschapper van Allah (saw) goederen in bewaring af hadden gegeven, dezen
terug zouden krijgen. Dus toen de vijanden van Islam later het huis van de
Boodschapper van Allah (saw) binnen braken om hem (saw) in zijn (saw) slaap te
doden, troffen zij ‘Ali (ra) aan op de plaats waar zij dachten dat de
Boodschapper van Allah (saw) lag te slapen. Dankzij deze hulp van ‘Ali (ra),
die zijn eigen leven waagde om de Boodschapper van Allah (saw) te helpen,
leerden de vijanden van Islam pas een tijd na het vertrek van de Boodschapper
van Allah (saw) over zijn (saw) emigratie naar Al Medina. Waardoor de
Boodschapper van Allah (saw) een voorsprong op de vijanden van Islam kon
opbouwen die hem in staat stelde om uit hun handen te blijven.
Enkele dagen later vertrok
ook ‘Ali (ra) uit Mekka naar Al Madina, alwaar de Boodschapper van Allah (saw)
de Islamitische Staat had gesticht. In Al Madina zou ‘Ali (ra) bekend worden
als één van de meest moedige strijders van de moslims. ‘Ali (ra) vocht aan de
zijde van Boodschapper van Allah (saw) tijdens al de veldslagen die bij het
leven van de Boodschapper (saw) uitgevochten werden, met uitzondering van de
Slag bij Taboek. Voor deze slag liet de Boodschapper van Allah (saw) ‘Ali (ra) achter
in Al Madina als verantwoordelijke in zijn (saw) afwezigheid. Bij de Slag van
Badr was hij één van de drie die naar voren traden in reactie op de uitdaging
van ‘Oetba, Sjaiba en Al Walid van onder de Qoraiesj. Hamza (ra) trad naast
‘Ali (ra) naar voren, evenals ‘Oebayda bin Harith (ra). ‘Ali (ra) doodde Al
Walid en Hamza (ra) doodde Sjaiba. ‘Oebaida bin Harith (ra) werd dodelijk
getroffen door ‘Oetba, maar hierna werd ‘Oetba gedood door ‘Ali en Hamza
tezamen. Daarop stormden nog eens drie Mekkanen op ‘Ali (ra) en Hamza (ra) af,
en ook zij werden alledrie door hen beiden gedood. In het daaropvolgende
gevecht tussen het leger van de moslims en het leger van Qoraisj doodde ‘Ali (ra)
volgens overleveringen eenentwintig Mekkanen, mede waardoor de moslims die dag
de overwinnaars waren. Ook bij de Slag van Oehoed werden de moslims uitgedaagd
door de Qoraiesj. Talha ibn Abi Talha was de vaandeldrager van de Qoraiesj, en
stond onder hen bekend als de allerbeste zwaardvechter. Hij trok naar voren en
daagde de moslims uit. ‘Ali(ra) was die dag de vaandeldrager van de moslims, en
hij (ra) trad Talha tegemoet. Talha viel als eerste aan, maar ‘Ali (ra) weerde
diens aanval af waarna hij Talha doodde. Toen tijdens de slag veel van de moslims
vluchtten, denkende dat de Boodschapper van Allah (saw) gedood was, hield ‘Ali
(ra) stand en beschermde de Boodschapper van Allah (saw). Nadat duidelijk was
geworden dat de Boodschapper van Allah (saw) niet gedood was, en de moslims
zich gehergroepeerd hadden, gaf de Boodschapper van Allah (saw) de opdracht
voor een aanval op de Qraiesj. Hij gaf ‘Ali (ra) de opdracht voorwaarts te
trekken. Al vechtend scheurde ‘Ali (ra) het leger van Qoraiesj uiteen. De
Mekkanen stoven uiteen in reactie op de komst van ‘Ali (ra). Op gegeven
ogenblik tijdens het gevecht brak het zwaard van ‘Ali (ra), die daarop van de
Boodschapper van Allah (saw) diens zwaard overhandigd kreeg. Met in zijn
linkerhand het vaandel van de moslims en in zijn rechterhand het zwaard van de
Boodschapper van Allah (saw) vocht ‘Ali (ra) vervolgens tot het einde van de
slag. Hij liep zestien wonden op die dag, maar bleef vechten voor de zaak van
Islam. Vanwege deze dag noemde de Boodschapper van Allah (saw) ‘Ali "Asad
Allah", oftewel leeuw van Allah. Bij de Slag om Chaybar zei de
Boodschapper van Allah (saw) tegen de moslims: Ik zal morgen het vaandel geven
aan een man middels wiens hand Allah (ons) de overwinning zal schenken. Hij houdt
van Allah en Zijn Boodschapper, en Allah en Zijn Boodschapper houden van hem.
De volgende dag overhandigde hij (saw) aan ‘Ali (ra) het vaandel van Islam. ‘Ali
(ra) bleek bij de Slag van Chaybar inderdaad degene die de weg naar de
overwinning opende voor de moslims. In een uiting van immense kracht brak hij
(ra) in zijn eentje de poort van het fort van Chaybar open, waarna de moslims
het fort wisten te overmeesteren. Na de slag kon de poort door acht moslims
niet weggedragen worden omdat deze te zwaar voor hen was.
Na de Slag bij Badr vroeg
‘Ali de Boodschapper van Allah (saw) om de hand van zijn dochter Fatima (as).
De Boodschapper van Allah (saw) zei dat hij ‘Ali (ra) zou antwoorden nadat hij
Fatima (as) om haar mening had gevraagd. Fatima (as) antwoordde de Boodschapper
van Allah (saw) niet in antwoord op diens vraag, waarmee ze haar instemming met
het voorstel tot huwelijk met ‘Ali (ra) aangaf. ‘Ali (ra), echter, beschikte niet
over geld en was daardoor niet in staat om de huwelijksceremonie en de
bruidsschat te bekostigen. Hij verkocht daarom zijn harnas en wapen aan
‘Oethman (ra) voor vijfhonderd dirham. Bij het huwelijk schonk ‘Oethman (ra)
vervolgens hetzelfde harnas en wapen aan ‘Ali (ra) terug. Toen ‘Ali (ra) de
Boodschapper van Allah (saw) hierover vertelde prees hij (saw) ‘Oethman en bad
voor hem (ra).
In het zesde jaar na de
Hidjra vertrokken de moslims onder aanvoering van de Boodschapper van Allah
(saw) uit Al Madina naar Mekka om de Hadj (bedevaart) te verrichten. Maar de
moslims werd de toegang tot Mekka ontzeg door de Qoraiesj. In plaats te vechten
koos de Boodschapper van Allah (saw) ervoor om een verdrag met de Qoraiesj
overeen te komen, waaronder de moslims het volgende jaar terug zouden mogen
keren om Hadj te verrichten. Dit verdrag tussen de Boodschapper van Allah (saw)
en de Qoraiesj zou bekend worden als het Pact van Hoedaybiyya, en het hield een
grote overwinning in voor de moslims. Tot het moment van ondertekening van het
verdrag hadden de Qoraiesj altijd neergekeken op de moslims, hen beschouwende
als een opstandige groep van onder hun midden die vernietigd moest worden. Hun
ondertekening van het Pact van Hoedaybiyya met de moslims betekende dat zij de
moslims voortaan accepteerden als een afzonderlijke gemeenschap over wie
Qoraiesj niets te zeggen hadden en tegen wie zij niet opgewassen waren. En het
Pact van Hoedaybiyya betekende dat zij de staat van de moslims in Al Madina erkenden
als een onafhankelijke staat, de Islamitische Staat. De Boodschapper van Allah
(saw) gaf aan ‘Ali (ra) de opdracht het Pact van Hoedaybiyya op te schrijven,
waarna het ondertekend werd door Soehail bin ‘Amr namens de Mekkanen en de
Boodschapper van Allah (saw) als leider van de Islamitische Staat en de
moslims.
Toen twee jaar na het
Pact van Hoedyabiyya de Qoraiesj hun zijde van de overeenkomst verbraken,
marcheerde het moslim leger naar Mekka om de stad in te nemen. De Qoraiesj
gaven zich over en Mekka werd zonder slag of stoot ingenomen door de moslims.
De Boodschapper van Allah (saw) begaf zich daarop naar de Ka'aba en sloeg al de
afgodsbeelden die zich hierin bevonden kapot. Sommigen van de afgodsbeelden,
echter, bevonden zich hoog aan de muren van de Ka'aba. Daarom vroeg de
Boodschapper van Allah (saw) aan ‘Ali (ra) om op de schouders van de
Boodschapper van Allah (saw) te gaan staan en dezen kapot te slaan. ‘Ali (ra)
deed aldus.
Na deze overwinning was
de Islamitische Staat definitief de grootste macht op het Arabisch
schiereiland. De Boodschapper van Allah (saw) stuurde daarop afgevaardigden
naar de verschillende steden op het Arabisch Schiereiland, om hen persoonlijk
tot Islam uit te nodigen. Bij verschillende gelegenheden koos de Boodschapper
van Allah (saw) ‘Ali (ra) als zijn gezant, zoals naar Banoe Djazima. Naar de
steden die de uitnodiging tot Islam verwierpen en die tot oorlog tegen Islam
opriepen stuurde de Boodschapper van Allah (saw) legers van de moslims. En bij
verschillende gelegenheden wees hij ‘Ali (ra) aan als aanvoerder van deze
legers, zoals voor het leger dat optrok tegen de stad Ta'ief, tegen Banoe Tai,
tegen Banoe Zabada en tegen Banoe Ramla. ‘Ali (ra) was ook de aanvoerder van
het leger dat Jemen opende voor Islam. Niet enkel dit, de debatten die ‘Ali (ra)
daarna voerde met de leiders van de christenen en de joden in Jemen deden velen
van hen zich bekeren tot Islam, waarna het volk van Jemen zich massaal tot
Islam wendde.
Tijdens
het leven van de Khoelafaa ar Raasjiddien voor hem
Na de dood van de
Boodschapper van Allah (saw) zag ‘Ali (ra) toe op de wassing en begrafenis van
diens lichaam. Onderwijl kwamen verschillende leiders van de Ansaar bijeen om
van onder hen een opvolger voor de Boodschapper van Allah (saw) te kiezen die
de leider van de moslims zou worden en die ervoor zou zorgen dat met Islam
geregeerd zou blijven worden. Toen de Moehadjirien hiervan hoorden spoedden
Aboe Bakr (ra) en ‘Oemar (ra) zich naar deze bijeenkomst om zich eveneens met
deze zaak te bemoeien. Uiteindelijke kamen de aanwezigen bij deze bijeenkomst
overeen om Aboe Bakr (ra) te verkiezen als Khalifa, ondermeer omdat hij (ra)
ook degene was die door de Boodschapper van Allah (saw) aangewezen was om het
gebed te leiden tijdens zijn (saw) ziekte, wat een uiting was van het feit dat
Aboe Bakr (ra) in de ogen van de Boodschapper van Allah (saw) onder al de
metgezellen de meest vooraanstaande positie genoot.
‘Ali (ra) was niet
tevreden met het feit dat de beslissing over de Khalifa (letterlijk: opvolger)
van de Boodschapper van Allah (saw) in het regeren over de mensen met Islam
genomen was in zijn afwezigheid. ‘Ali (ra) was ook van mening dat hij (ra)
aanspraak mocht maken op de positie van Khalifa. Imaam As Soejoeti heeft
overgeleverd van Aboe Sa'id al Choedri dat toen Aboe Bakr de preekstoel besteeg
nadat hij gekozen was tot Khalifa, hij vroeg naar (ondermeer) ‘Ali (ra). ‘Ali (ra)
gaf toen de eed van gehoorzaamheid en trouw aan Aboe Bakr (ra). Volgens sommige
overleveringen zou ‘Ali (ra) hierover gezegd hebben: "In de Islamitische
wetenschappen doe ik voor niemand onder, en het Kalifaat zou tot mij moeten
zijn gekomen. Bij deze veronachtzaming van mijn recht raakte ik verward. Ik
begon te overleggen of ik mijn claim (op het Kalifaat) zou moeten bevestigen,
of dat ik geduld zou moeten uitoefenen. En na veel overleg besloot ik te kiezen
voor het laatste".
Bij de dood van Aboe Bakr
(ra) was ‘Ali (ra) zeer bedroefd. Op zijn sterfbed had Aboe Bakr (ra) de
moslims aangeraden om ‘Oemar ibn Al Chattab (ra) als zijn opvolger aan te
stellen, en de moslims deden aldus. ‘Oemar ibn al Chattab (ra) werd zo de
tweede Khalifa van de moslims. ‘Ali (ra) huwde zij dochter Oemm Koelthoem met
Khalifa ‘Oemar (ra). En onder Khalifa ‘Oemar (ra) vervulde ‘Ali (ra) in het
staatsbestel van de Islamitische Staat de rol van rechter en van assistent en
adviseur van de Khalifa. Toen de Byzantijnen een aanval openden op Damascus,
dat op dat moment onderdeel van de Islamitische Staat was, adviseerden sommigen
van de sahaba ‘Oemar (ra) om naar Syrië te vertrekken om het leger van de
moslims aan te voeren. ‘Ali (ra), daarentegen, adviseerde Khalifa ‘Oemar (ra)
om in Al Madina te blijven en om een aanvoerder voor het leger te benoemen. Omdat
een mogelijke dood van Khalifa ‘Oemar (ra) op het slagveld het voorbestaan van
de Islamitische Staat in gevaar zou kunnen brengen. Khalifa ‘Oemar (ra) nam het
advies van ‘Ali (ra) en besloot zelf in Al Madina te blijven. Toen weer later
de moslims Al Qoeds (Jeruzalem) openden voor Islam, adviseerden sommigen van de
sahaba Khalifa ‘Oemar (ra) om in Al Madina te blijven. ‘Ali (ra), daarentegen,
adviseerde Khalifa ‘Oemar (ra) om naar Al Qoeds te vertrekken om
hoogstpersoonlijk het verdrag tussen de moslims en de christenen in Al Qoeds te
ondertekenen. Ook in dit geval koos Khalifa ‘Oemar (ra) ervoor om het advies
van ‘Ali (ra) te volgen.
Onder ‘Oethman (ra) als
Khalifa bleef ‘Ali (ra) in functie als de meest voornam rechter binnen de
Islamitische Staat. Hiernaast kwam ‘Ali (saw) in de rol van "tussenpersoon"
toen sommige lieden zich door laster lieten misleiden tot ontevredenheid over
Khalifa ‘Oethman (ra). De ontevreden opstandigen verzochten ‘Ali (ra) om hun
klachten bij Khalifa ‘Oethman (ra) kenbaar te maken. En Khalifa ‘Oethman (ra)
verzocht ‘Ali (ra) om aan de mensen de boodschap over te brengen dat de meesten
van hun klachten aantoonbaar onjuist waren, en dat hij (ra) betreffende de
klachten die enigszins gegrond waren beloofde de reden voor de klacht weg te
nemen. Toen de ontevreden opstandelingen het huis van Khalifa ‘Oethman
belegerden, toen stuude ‘Ali (ra) zijn zoons Al Hassan (ra) en Al Hoessein (ra)
om de Khalifa te beschermen.
Zijn
benoeming tot Khalifa
Na de dood van Khalifa
‘Oethman (ra) boden de ontevreden opstandigen ‘Ali (ra) aan om hem de eed van
gehoorzaamheid en trouw te geven. Oftewel om hem de post van Khalifa te geven.
Maar ‘Ali (ra) weigerde. Ook anderen van de vooraanstaande moslims weigerden
het aanbod om als Khalifa aan te worden gesteld. Omdat allen diep bedroefd
waren betreffende de moord op Khalifa ‘Oethman (ra) en niet dankzij de moord op
‘Oetman (ra) Khalifa wensten te worden. En omdat velen van hen van mening waren
dat na Aboe Bakr (ra), ‘Oemar (ra) en ‘Oethman (ra) ‘Ali (ra) de enige juiste
persoon was om Khalifa te worden. Om het probleem van opvolging van Khalifa
‘Oethman (ra) op te lossen kwamen al de moslims in Al Medina bijeen in de
moskee van de Boodschapper van Allah (saw). Nadat één van hen publiekelijk zijn
eed van gehoorzaamheid en trouw had afgegeven aan ‘Ali (ra) volgden al de
andere moslims snel. Zo werd ‘Ali (ra) door de mensen van Al Medina gekozen als
Khalifa.
Gebeurtenissen
ten tijde van het Kalifaat van ‘Ali
Echter, al snel na zijn
verkiezing tot Khalifa werd ook ‘Ali (ra) bedreigd door de ontevreden
opstandelingen. Ze zeiden hem: "O Khalifa! Weet dat wij mensen zijn die dingen
tot het bittere einde doorzetten. We kunnen de zaak op zijn kop zetten en
regeringen omver werpen". Khalifa ‘Ali realiseerde zich dat zij hiermee de
waarheid spraken, hoe misleid de ontevreden opstandigen ook mochten zijn. Wat
ze waren groot in aantal in Al Medina, en ze waren effectief de meest machtige
factie in de stad.
Als een van zijn eerste
handelingen als Khalifa besloot ‘Ali (ra) daarom om degenen die verantwoordelijk
waren voor de moord op ‘Oethman (ra) niet direct voor het gerecht te brengen.
Khalifa ‘Ali (ra) besloot dit uit te stellen totdat hij de situatie in de
Islamitische Staat onder zijn controle had gebracht. Hij (ra) vreesde dat de
ontevreden opstandelingen ook tegen hem in opstand zouden komen als hij hen op
dat moment direct zou vervolgen. Wat de situatie van de Islamitische Staat nog
meer paniebel zou maken. In plaats hiervan besloot Khalifa ‘Ali (ra) daarom
eerst al de woelaa (gouverneurs) die onder ‘Oethman (ra) gediend hadden te
vervangen. Dit, daar de ontevreden opstandigen hun opstand tegen ‘Oethman (ra)
hadden geprobeerd te rechtvaardigen middels klachten over de woelaa
(goeverneurs) die onder Khalifa ‘Oethman (ra) dienden. ‘Ali (ra) besloot om al
de woelaa die onder Khalifa ‘Oethman (ra) dienden te vervangen, of zij nu door
Khalifa ‘Oethman (ra) waren aangesteld of door Aboe Bakr (ra) of ‘Oethman (ra),
en of zij nu inderdaad laakbaar hadden gehandeld als wali of niet. Zo probeerde
Khalifa ‘Ali (ra) de gemoederen te kalmeren in de Islamitische Staat. Door de
woelaa te vervangen zou iedere reden voor ontevredenheid betreffende de Khalifa
weggenomen worden, en dus iedere steun voor de ontevreden opstandelingen
vervagen. En door al de woelaa te vervangen, en niet slechts enkelen zoals
uitsluitend de woelaa die door ‘Oethman (ra) waren aangesteld, zou Khalifa ‘Ali
(ra) niet van voortrekkerij beschuldigd kunnen worden. Hierna, als Khalifa ‘Ali
(ra) de macht en invloed van de ontevreden opstandelingen zou hebben verzwakt,
dan zou gewerkt worden aan vervolging van de moordenaars van ‘Oethman (ra).
Khalifa ‘Ali (ra) benoemde daarom ondermeer
‘Abdoellah ibn ‘Abbaas (ra) als wali (gouverneur) voor Basra en Ziyad ibn Abiya
voor Perzië. Hij (ra) benoemde Malik Asjtar als wali voor Egypte, en schreef
hem:
"O Malik, laat de mensen
weten dat je benoemt bent als gouverneur voor Egypte. Al je handelingen als
gouverneur van Egypte zullen open staan voor kritiek van de mensen. Je moet
goede daden doen. Beheers je emoties. Je behandeling van je onderdanen moet
eerlijk en rechtvaardig zijn. Behandel hen met genegenheid en hou van hen. Er
zijn twee typen van onderdanen over wie geregeerd moet worden. Ten eerste je
broeders in Islam, en ten tweede de mensen wiens bescherming gegarandeerd is
(niet-moslim onderdanen van de Islamitische Staat, de dhimmi). Moedwillig of per vergissing, de mensen zijn geneigd tot
het maken van fouten. Het zal je sieren wanneer je hen vergeeft, zoals jij
hoopt dat Allah (swt) jouw je zondes zal vergeven. Schaam je er niet voor om
hen te vergeven. Zoek nooit plezier in het bestraffen van hen. Wees niet
opvliegend. Zeg nooit dat je een gouverneur boven hen bent, want dat doet een
gevoel van minderwaardigheid in hen broeden. Als je ooit het gevoel van trots
zou voelen in je verheven positie, denk dan aan Macht en Grandeur van Allah
(swt) want dat is de manier om je arrogantie onder controle te brengen. Onthoud
dat Allah (swt) degenen haat die wreed en arrogant zijn. Wees eerlijk en
rechtvaardig, want als je hierin faalt dan zul je een tiran zijn. En de tiran
is de vijand van Allah (swt)."
Maar in de instabiele
situatie die heerste in de Islamitische Staat op dat moment, en die al eerder
de moord op Khalifa ‘Oethman ten gevolge had gehad, hadden deze beide
beslissingen van Khalifa ‘Ali (ra) een onbedoeld resultaat. Ten eerste,
namelijk, waren niet al de woelaa bereid om hun posities op te geven terwijl
zij niets verkeerd hadden gedaan. En onder hen waren woelaa die invloedrijk en
daardoor machtig waren. Zoals Moe'awiyya
(ra), bijvoorbeeld, die op dat moment al ruim twintig jaar lang wali van Syrië
was en die zeer geliefd was onder het volk van Syrië. Ten tweede was de familie
van ‘Oethman (ra) ontevreden over het besluit om de vervolging van de
ontevreden opstandelingen die ‘Oethman (ra) vermoord hadden uit te stellen. Zij
waren van mening dat de moordenaars direct vervolgd moesten worden, en zij
waren van mening dat Khalifa ‘Ali (ra) nalatig was in het nakomen van de Wet
van Allah (swt) toen hij niet direct de moordenaars van ‘Oethman (ra) voor het
gerecht bracht. Zij zagen in het besluit van Khalifa ‘Ali (ra) een reden om in opstand
te komen tegen hem. Een opstand om de Khalifa te dwingen de moordenaars van
‘Oethman (ra) voor het gerecht te brengen.
Khalifa ‘Ali (ra) stuurde
daarop een afgevaardigde naar Moeawiyya om hem de beweegredenen achter het
besluit van ‘Ali (ra) uit te leggen, om hem te vragen zijn positie af te staan
aan de persoon die Khalifa ‘Ali (ra) benoemd had, en om hem te vragen zijn
macht en invloed te gebruiken om de moordenaars van ‘Oethman (ra) voor het
gerecht te krijgen. Maar Moe'awiyya
(ra) weigerde en verklaarde dat hij ‘Ali (ra) pas als Khalifa zou accepteren
als ‘Ali (ra) de moordenaars van ‘Oethman (ra) had laten berechten. Daarop
restte Khalifa ‘Ali (ra) niets anders dan een leger bijeen te brengen om Moe'awiyya (ra) uit zijn ambt
te verwijderen, omdat hij een bevel van de rechtmatige Khalifa genegeerd had.
Echter, ook in Mekka
ontstond ontevredenheid betreffende het besluit van Khalifa ‘Ali (ra) om de
moordenaars van ‘Oethman vooralsnog niet te vervolgen. Ook zij besloten een
leger bijeen te brengen om naar Al Medina op te trekken en de ontevreden
opstandigen daar een lesje te leren. Dit Mekkaanse leger stond onder aanvoering
van ‘Aiesja (ra), de vrouw van de Boodschapper van Allah (saw), en Talha (ra) en
Zoebair (ra) die beiden het Paradijs beloofd waren door de Boodschapper van Allah
(saw). Zij verklaarden enkel uit te zijn op bestraffing van de moordenaars van
‘Oethman (ra). Dus wie niets met de moord van doen had zou niets te vrezen
hebben, verklaarden ze. En wie tegen hen op zou trekken in oorlog zou daarmee
aantonen achter de moord op ‘Oethman (ra) te zitten, zo redeneerden ze. Khalifa
‘Ali (ra), echter, achtte dit een vorm van rebellie tegen zijn gezag terwijl
hij (ra) niets gedaan had wat tegen de Wet van Allah (saw) indruiste. Hij (ra) bereidde
daarom een leger voor om de Mekkanen te stoppen. En zo dreigde een complete
burgeroorlog in de Islamitische Staat. Een catastrofe geresulteerd uit het feit
dat sommige dwalende mensen zich hadden laten verleiden tot opstand tegen de
rechtmatige Khalifa ‘Oethman (ra).
Bij Basra troffen de
beide legers elkander. Khalifa ‘Ali (ra) liet zijn leger niet vechten, maar hij
stuurde een gezant naar ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra). De gezant
zette voor hen nogmaals uiteen waarom Khalifa ‘Ali (ra) de beslissingen had
genomen die hij had genomen. Toen ‘Aiesja, Talha en Zoebair dit uitgelegd
kregen, kregen ze meer begrip voor de positie van Khalifa ‘Ali (ra). Ze
antwoorden dat ze niet tegen Khalifa ‘Ali (ra) in opstand wensten te komen,
maar dat ze enkel de moordenaars gestraft wilden zien. De gezant legde hen
daarna uit dat het wel degelijk de doelstelling van Khalifa ‘Ali (ra) was om
recht geschied te krijgen, maar dat de moordenaars van ‘Oethman (ra) een te
grote groep waren geweest om dat meteen te doen. Ze zouden ook Khalifa ‘Ali
(ra) vermoord hebben. En ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) zagen ook wel
in dat dit de waarheid was. Toen vroeg de gezant van Khalifa ‘Ali (ra) aan
‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) of ze zich we gerealiseerd hadden dat
ze met hun actie de moordenaars van ‘Oethman (ra) geholpen hadden. De
moordenaars van ‘Oethman (ra) waren blij met de actie van ‘Aiesja (ra), Talha
(ra) en Zoebair (ra), omdat hierdoor Khalifa ‘Ali (ra) gedwongen was om zich
met hun rebellie bezig te houden in plaats van met hun vervolging. De
moordenaars van ‘Oethman (ra) hadden zich daarom allemaal aangesloten bij het
leger van Khalifa ‘Ali (ra), hopende dat door de oorlog tussen de moslims hun
misdaad vergeten zou worden. Toen ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) dit
hoorden realiseerden ze zich dat ze verkeerd waren geweest. Ze vroegen om vrede
met Khalifa ‘Ali (ra). Khalifa ‘Ali (ra), Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair
(ra) kwamen zo overeen om de volgende dag een vredesovereenkomst te ondertekenen.
Maar toen de moordenaars van ‘Oethman (ra), die zich onder het leger van Khalifa
‘Ali (ra) bevonden, dit te horen kregen, wisten ze dat hun uur gekomen was.
Daarom besloten ze in de nacht voorafgaand aan de ondertekening van het
vredesverdrag het leger van ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) aan te
vallen. Toen dit gebeurde dachten Talha (ra) en Zoebair (ra) dat Khalifa ‘Ali
(ra) hen aanviel, en zij riepen hun soldaten op om een tegenaanval te lanceren.
Zo vervielen de beide legers toch in oorlog. Het leger van Khalifa ‘Ali (ra) concentreerde
haar aanval op de kameel waarmee ‘Aiesja (ra) zich vervoerde. Hiervoor werd de
slag bekend als de Slag van de Kameel. Toen het dier eenmaal geveld was, gaven
de strijders van Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) zich over, maar meer
dan tienduizend moslims hadden reeds de dood gevonden. Na de strijd gaven de
volgelingen van ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) aan Khalifa ‘Ali (ra)
de eed van trouw en gehoorzaamheid.
Dit deed enkel de opstand
van Moe'awiyya (ra) tegen Khalifa
‘Ali (ra) nog over blijven. Khalifa ‘Ali (ra) stuurde een afgezant naar Moe'awiyya (ra) om de kwestie
te bespreken en om te proberen een vreedzame oplossing te zoeken. Maar Moe'awiyya (ra) bleef bij
zijn besluit om Khalifa ‘Ali (ra) niet te gehoorzamen zolang deze de
moordenaars van ‘Oethman (ra) niet berecht had. Daarop trok Khalifa ‘Ali (ra)
met zijn leger op naar het noorden, in de richting van het Syrië waar Moe'awiyya (ra) de wali was.
Bij As Siffin aan de flank van de rivier de Eufrates troffen de legers van
Khalifa ‘Ali (ra) en wali Moe'awiyya
(ra) elkaar. Khalifa ‘Ali (ra) daagde Moe'awiyya (ra) uit tot een persoonlijk duel, om zo de
kwestie te beslechten. Maar Moe'awiyya
(ra) weigerde. Daarop bevochten beide legers elkaar lang en hard, waarbij
duizenden moslims de dood vonden. Op een gegeven moment leek het leger van Moe'awiyya (ra) aan de
winnende hand, maar onder aanvoering van Khalifa ‘Ali (ra) zelf kwam het leger
van ‘Ali (ra) sterk terug. Zo sterk zelfs dat Moe'awiyya (ra) vreesde de slag te zullen verliezen. Moe'awiyya (ra) liet zijn
troepen toen pagina's van de Edele Koran aan hun speren vastmaken, en hen luid
oproepen tot onderhandelingen in de
kwestie op basis van Koran en Soenna. Dit had het door Moe'awiyya (ra) gewenste
effect, namelijk dat de troepen van Khalifa ‘Ali (ra) de wapens neerlegden en
weigerden verder te vechten. Khalifa ‘Ali (ra) kon daarop niets anders dan
ingaan op het aanbod van onderhandelingen met Moe'awiyya (ra), ook al realiseerde Khalifa ‘Ali (ra)
zich dat hij met een list van Moe'awiyya
(ra) van doen had. Dit bleek inderdaad zo te zijn omdat de afgevaardigden van Moe'awiyya (ra) aangaven dat
ze wilden onderhandelen over wie de Khalifa zou zijn, Moe'awiyya (ra) of ‘Ali. Voor
Khalifa ‘Ali (ra) was dit aanbod onacceptabel. Hij was immers als Khalifa
gekozen door de mensen van Al Medina en derhalve was zijn Khilafa rechtmatig.
Voor Khalifa ‘Ali (ra) was het enige dat over onderhandeld kon worden de
kwestie van berechting van de moordenaars van ‘Oethman (ra). Maar enkele
aanvoerders van de troepen van Khalifa ‘Ali (ra) dwongen de Khalifa om toch akkoord
te gaan met het voorstel van Moe'awiyya
(ra), om de Slag bij As Siffin tot een einde te laten komen. De beide troepen
gingen derhalve uiteen met de afspraak dat op een later moment afgevaardigden
van beide partijen samen zouden komen. Om tezamen de Koran en de Soenna te
raadplegen betreffende de vraag wie de Khalifa zou moeten zijn.
De
moord op Khalifa ‘Ali
De situatie bleef dus in
feite onopgelost. Khalifa ‘Ali (ra) bleef aan de macht maar stuurde geen
opdrachten meer naar Moe'awiyya
(ra). En Moe'awiyya (ra) bleef wali
van Syrië, zonder zich iets aan te trekken van Khalifa ‘Ali (ra) maar ook
zonder zichzelf tot Khalifa uit te roepen. Het probleem tussen Khalifa ‘Ali
(ra) en Moe'awiyya (ra) was dus niet
uit de wereld, maar sluimerde onder de oppervlakte verder. De Slag bij As
Siffin had het probleem van opstandigheid dus niet opgelost voor Khalifa ‘Ali
(ra). Bovendien, na deze slag zag de Khalifa zich met een verder probleem
geconfronteerd. Van onder zijn troepen waren er omstreeks 12.000 geweest die
zich hadden afgezonderd van de overige moslims omdat zij het niet eens waren
met het besluit van Khalifa ‘Ali (ra) om akkoord te gaan met het voorstel tot
bemiddeling tussen hemzelf en Moe'awiyya
(ra) middels afgezanten. Deze 12.000 mensen waren de Chawaaridj. Hun slogan was
een vers van de Koran, "het oordeel is enkel voor Allah", maar hun begrip van
de betekenis hiervan was verre van correct. Zij zagen enkel zichzelf als moslim
en iedereen die het in een kwestie niet met hen eens was, die was volgens hen
een dwalende geworden. Een kafir (ongelovige) die wegens apostasie gedood
moest worden. De Chawaaridj bekritiseerden Khalifa ‘Ali (ra) omdat hij, zo zij
zeiden, het oordeel voor zijn kwestie met Moe'awiyya (ra) had gezocht in bemiddeling van
afgezanten en niet in de Koran en de Soenna. Khalifa ‘Ali (ra) verweerde zich
door hen te wijzen op het feit dat de afspraak met Moe'awiyya (ra) stelde dat de bemiddelaars het oordeel
in de kwestie uit de Koran en de Soenna moesten halen. Maar de woorden van
Khalifa ‘Ali (ra) waren aan dovemans oren gericht. De Chawaaridj stonden niet
open voor argumenten. Zij hadden al besloten dat Khalifa ‘Ali (ra) een fout had
gemaakt en geen enkel argument, hoe juist ook, kon hen hun mening laten
veranderen. Voor de Chawaaridj stond vanaf dat moment vast dat Khalifa ‘Ali
(ra) gedood moest worden.
Toen de afgevaardigde van
Khalifa ‘Ali (ra) en de afgevaardigde van Moe'awiyya (ra) elkaar ontmoetten zoals de afspraak was,
toen liet de afgevaardigde van Khalifa ‘Ali (ra) zich door de afgevaardigde van
Moe'awiyya (ra) misleiden tot
akkoord gaan met het afzetten van ‘Ali (ra) als Khalifa en het benoemen van Moe'awiyya (ra) als Khalifa.
Toen Khalifa ‘Ali (ra) dit hoorde was hij woest vanwege dit verraad van de
rechtmatige Khalifa. Hij (ra) beet op zijn vingers en vroeg zichzelf
vertwijfeld af: "Men is ongehoorzaam tegenover mij maar gehoorzaam tegenover Moe'awiyya (ra)?".
De Chawaaridj reageerden
direct toen ze het nieuws over de uitkomst van de onderhandelingen tussen
Khalifa ‘Ali (ra) en Moe'awiyya
(ra) hoorden. Drie van hen kwamen bijeen om een plan te maken. Ze waren ‘Abd al
Rahman ibn Moeldjam al Moeradi, Al Boerk ibn ‘Abdoellah at Tamimi en ‘Amr ibn
Boekayr at Tamimi. Deze drie kwamen bijeen in Mekka en zworen dat ze, zoals ze
dit zelf zeiden, de Oemma zouden verlossen van Khalifa ‘Ali (ra), Moe'awiyya (ra) en ‘Amr ibn
al ‘Aas (die de vertegenwoordiger van Moe'awiyya (ra) was geweest bij de onderhandelingen).
‘Abd al Rahman zou Khalifa ‘Ali (ra) voor zijn rekening nemen, Al Boerk zou Moe'awiyya (ra) doden en ‘Amr
zou ‘Amr ibn Boekayr ibn al ‘Aas doden.
Op de ochtend van de
vrijdag, de zeventiende Ramadan van het jaar 40 Hidjri, werd Khalifa ‘Ali (ra)
vroeg wakker en zei tegen zijn zoon Al Hassan (ra): "Deze nacht zag ik de Boodschapper
van Allah (saw), en ik zei: ‘O Boodschapper van Allah (saw), welk een ellende
en onenigheid heb ik gekregen van uw Oemma!'. Hij (saw) zei tegen me: ‘Smeek
tot Allah tegen hen'. Ik zei: ‘O Allah, geef me in ruil voor hen iets dat beter
is voor mij dan zij zijn, en geef hen in ruil voor mij iets dat slechter is
voor hen dan ik ben'." Toen klonk de oproep tot het ochtendgebed en trok
Khalifa ‘Ali (ra) naar buiten. Daar sloeg ‘Abd al Rahman hem met een vergiftigd
zwaard neer. Khalifa ‘Ali (ra) overleed aan de toegebrachte verwonding twee
dagen later.
Verdere
zaken die hem bijzondere maken
‘Ali
(ra) had een bijzondere band met de Boodschapper van Allah (saw). Hij was
feitelijk grootgebracht als lid van zijn huishouden en was met geliefde dochter
van Boodschapper van Allah (saw), Fatima (as), getrouwd waardoor hij ook zijn
(saw) schoonzoon was. Toen de Boodschapper van Allah (saw) in Al Madina de
broederschappen maakte tussen de moslims van Mekka (de emigranten of Moehadjirien) en de moslims van Al
Madina (de helpers of Ansaar) kwam
‘Ali (ra) met tranen in de ogen naar hem (saw) toe, omdat hij (saw) hem niet
een broeder van onder de Ansaar had aangewezen. De Boodschapper van Allah (saw)
ging toen zelf het broederschap met ‘Ali (ra) aan. ‘Ali (ra) was ook, tezamen
met Ibn ‘Abbaas (ra), degene die het lichaam van de Boodschapper van Allah
(saw) waste en voorbereide op de begrafenis.
Imaam
as Soejoeti heeft overgeleverd dat de Boodschapper van Allah (saw) heeft
gezegd: Ik ben de stad van Kennis, en ‘Ali de poort. Er wordt gezegd dat
tien mannen eens bij ‘Ali (ra) kwamen en hem vroegen om uitleg voor zijn
bewering dat kennis beter is rijkdom. Ieder van hen wenste een antwoord enkel
voor zichzelf. ‘Ali (ra) antwoordde toen als volgt:
1 Kennis is de
nalatenschap van de Profeten, terwijl rijkdom de nalatenschap is van
Farao;
2 Men moet zijn rijkdom
beschermen, maar zijn kennis beschermt hem;
3 Wanneer kennis
gedeeld wordt dan neemt dit toen, en wanneer rijkdom gedeeld wordt dan
neemt dit af;
4 Een rijke man heeft
veel vijanden, terwijl een man met kennis veel vrienden heeft;
5 Een man met kennis is
genegen meer genereus te zijn, terwijl een man met rijkdom meer genegen is
om gierig te zijn;
6 Kennis kan niet
gestolen worden, terwijl rijkdom voortdurend blootgesteld is aan diefstal;
7 Over tijd wordt
kennis dieper en breder, terwijl munten slechts roestig worden;
8 Rijkdom kan geteld
worden, terwijl kennis niet geteld kan worden;
9 Kennis verlicht de
geest, terwijl rijkdom genegen is deze zwart te maken;
10 Kennis deed bij de
Profeet (saw) de bescheidenheid bestaan om te zeggen "U aanbidden wij want
wij zijn Uw dienaren", terwijl rijkdom bij Farao en Nimrod de
hooghartigheid deed bestaan die hen ertoe bracht zichzelf tot God uit te
roepen.
‘Ali (ra) behoorde tot
degenen die nog bij het leven van de Profeet (saw) onder de mensen oordeelden
middels het Oordeel van Allah (swt). Andere mensen die dit deden waren
ondermeer Aboe Bakr (ra), ‘Oemar (ra) en Moe'adh bin Djebbel (ra), maar ‘Ali
(ra) werd door allen erkend als de beste rechter. ‘Ali (ra) kon ondermeer als
beste voor de zaak onder behandeling het Oordeel van Allah (swt) extraheren uit
de openbaringen van Allah (swt). Zo vertelde Aboe Hoeraira (ra) dat ‘Oemar ibn
Al Chattab (ra) zei: " ‘Ali is de beste van ons in juridische aangelegenheden".
‘Ali (ra) werd eens een
zaak voorgelegd waarin twee vrouwen discussieerden over het moederschap van een
jongen. Beide vrouwen beweerden dat zij de moeder waren, maar geen van beiden
kon bewijzen voor deze claim overleggen. Daarop zei ‘Ali (ra) dat hij in dat
geval gedwongen was om de jongen in tweeën te laten hakken, om iedere vrouw een
deel van de jongen te kunnen geven. Deze woorden deden één van de twee vrouwen
in tranen uitbarsten, en ze zei tegen ‘Ali (ra): "Dood het kind niet. U mag het
aan de andere vrouw toekennen". Zo wist ‘Ali (ra) te achterhalen wie de echte
moeder van het kind was. Hij (ra) wees de jongen als zoon toe aan de vrouw die de
gedachte aan het doden van de jongen niet kon verdragen.
In een andere kwestie
ruzieden twee mannen over het geld dat ze tezamen verdiend hadden met het
voeden van een derde persoon. De ene man had drie broden, de andere man had
acht broden, en de derde persoon had tezamen met hen acht broden opgegeten.
Hiervoor had de derde persoon acht dirhams achtergelaten als betaling en nu
ruzieden de beide eigenaren van het brood over hoeveel van deze acht dirham ieder
zou krijgen. De eigenaar van de vijf broden bood de eigenaar van de drie broden
drie dirham aan, maar deze wilde de helft van de acht dirham hebben. In eerste
instantie adviseerde ‘Ali (ra) de eigenaar van de drie broden om de aangeboden
drie dirham te accepteren, maar deze weigerde en zei dat hij een rechtvaardig
oordeelde wenste. ‘Ali (ra) vroeg toen of alle drie de deelnemers aan het eten
een gelijk deel hadden gegeten, en de beide eigenaren van de broden antwoordden
bevestigend. Daarop oordeelde ‘Ali dat de eigenaar van de vijf broden zeven
dirham zou krijgen, en de eigenaar van de drie broden slechts één dirham. De
eigenaar van de drie broden was verbaasd en vroeg ‘Ali (ra) om uitleg. ‘Ali
antwoordde: "Jij had drie broden en je metgezel vijf. Dus er waren acht broden
in totaal. Al de broden werden gelijk verdeeld door de drie mensen. Deel ieder
brood in drie stukken, dat waren vierentwintig stukken. Jouw metgezel met vijf
broden bracht vijftien van deze stukken in, terwijl jij eigenaar was van drie
broden oftewel negen stukken. Aangezien jullie de vierentwintig stukken eerlijk
deelden at ieder van jullie acht stukken. Jij had negen stukken waarvan je acht
zelf op at. Dus de vreemdeling at slechts één stuk van jouw brood. Je metgezel
had vijftien stukken brood. Hiervan at hij er acht zelf op, zeven achter latende
die de vreemdeling op at. Dus de vreemdeling at één stuk van jouw en zeven
stukken van je metgezel. Jij hebt derhalve recht op één dirham voor één stuk
brood en je metgezel op zeven dirham voor zeven stukken brood."
‘Ali (ra) was tevens een
meester in de Arabische taal. Hij (ra) stond bekend om zijn welbespraaktheid.
Hij (ra) was één van de beste dichters in de Arabische taal, en hij wist
middels korte en beknopte zinnen grote wijsheden tot uitdrukking te brengen.
Hij is de feitelijke vader van de grammatica van de Arabische taal omdat hij
als eerste een boek liet schrijven met de regels van de grammatica erin
uiteengezet. Hij gaf Aboe al Aswad ad Doeali hiertoe de opdracht. Aboe al Aswad
ad Doeali vertelde dat de Amir al Moe'uminien ‘Ali ibn Aboe Taalib (ra) op een
dag hem bij zich liet komen en zei: "Ik heb in deze stad van jouw fouten
gehoord (in het gebruik van het Arabisch), en ik wil een boek maken met
(daarin) de principes van de Arabische taal". Khalifa ‘Ali (ra) gaf Aboe al
Aswad drie dagen laten een papier met een ruwe uiteenzetting van de eerste
principes, en hij gaf Aboe al Aswad de opdracht dit verder uit te werken.
Weerlegging van de
leugens die over ‘Ali (ra) worden verteld
Na de dood van ‘Ali ibn
Aboe Taalib (ra) onstonden groeperingen die allerhande leugens over Khalifa
‘Ali (ra) verkondigden. De nakomelingen van Moe'awiyya (ra), de Oemeyaden, spraken enkel slecht over
Khalifa ‘Ali (ra) en zij beschuldigden hem ervan actief of passief deel te
hebben genomen aan de moord op Khalifa ‘Oethman (ra). Maar de betrouwbare
overleveringen betreffende deze kwestie, zoals hierboven uiteengezet, bewijzen
dat dit niet het geval was.
Anderen begonnen ‘Ali
(ra) te verheerlijken. Sommigen van hen gingen zo ver in hun dwaasheid dat ze
zeiden dat ‘Ali (ra) God was, of dat eigenlijk ‘Ali (ra) uitverkoren was door
Allah (swt) om profeet te zijn. Deze mensen hebben Islam verlaten met deze
beweringen. ‘Ali (ra) zelf liet deze mensen ter dood brengen toen zij zich voor
hem verzamelden, hem deze nonsens vertelden en hem begonnen te aanbidden. De
eerste maal dat dit gebeurde waarschuwde hij (ra) hen en gaf hij (ra) het goede
advies terug te keren naar het Rechte Pad van Islam. Maar toen de deze mensen
voor een tweede keer voor hem verschenen, met dezelfde woorden en hetzelfde
gedrag, liet hij hen ter dood brengen.
Weer anderen beweerden
dat Allah (swt) ‘Ali (ra) en zijn nageslacht uit het huwelijk met Fatima (as) heeft
uitverkozen om leider van de Oemma van Islam te zijn; dat ‘Ali (ra) eigenlijk
de eerste Khalifa had moeten zijn en dat Allah (swt) dit verordend heeft; dat
‘Ali (ra) een tegenstander is geweest van de Khilafa van Aboe Bakr (ra), ‘Oemar
(ra) en ‘Oethman (ra); en dat deze sahaba samen hebben gespannen tegen het
Oordeel van Allah (swt) om zelf Khalifa te kunnen zijn. Maar Imaam As Soejoeti
heeft overgeleverd van Al Hasan (ra) dat toen ‘Ali (ra) als Khalifa naar Basra
kwam, dat toen twee mannen tot hem kwamen en hem vroegen: "Zul je ons niet
informeren betreffende de zaak waarvoor je gekomen bent, leiding nemende over
de Oemma, waardoor sommigen van hen de anderen (neer)slaan? Is dit (jouw
leiderschap, vert.) een overeenkomst
met de Boodschapper van Allah (saw) die hij (saw) met jouw gesloten heeft?
Vertel het ons want jij bent degene die vertrouwd wordt, degene in wie wij
vertrouwen hebben betreffende hetgeen jij gehoord hebt". ‘Ali (ra) antwoordde:
"Voor wat betreft een overeenkomst betreffende deze zaak met de Profeet (saw),
nee. Bij Allah (swt), ik was de eerste die hem (saw) bevestigde en ik zal niet
de eerste zijn die een leugen over hem (saw) spreekt. Als ik een overeenkomst
zou hebben gehad met de Profeet (saw) over deze zaak, dan zou ik het nooit
toegestaan hebben dat de broeder van Banoe Taym ibn Moerra (oftewel Aboe Bakr
(ra), vert.) en ‘Oemar ibn Al
Chattab (ra) op zijn (saw) minbar zouden staan. Ik zou hen bevochten hebben met
mijn eigen hand, zelfs als ik niets zou hebben kunnen vinden buiten dit kleed
van mij. Echter, de Boodschapper van Allah (saw) werd niet vermoord, noch
stierf hij plotsklaps. Integendeel, hij sluimerde in ziekte voor dagen en
nachten, terwijl de moe'adhdhien tot hem kwam en de tijd van het gebed
aankondigde. Hij (saw) gaf Aboe Bakr (ra) de opdracht, die dan de mensen in het
gebed voorging. Ook al wist hij (saw) mijn stand. Één van zijn vrouwen wilde
dat hij zich wegdraaide van Aboe Bakr (en iemand anders zou kiezen om voor te
gaan in gebed, vert.) en hij (saw)
weigerde en werd boos. Hij (saw) zei: Jullie
zijn de vrouwelijke metgezellen van Joesoef! Zeg Aboe Bakr dat hij de mensen
moet leiden in het gebed! Toen Allah (swt) de Profeet (saw) tot zich nam
toen overpeinsden wij onze belangen en we verkozen voor onze aardse
aangelegenheden hem met wie de Profeet (saw) tevreden was voor onze Dien
(oftewel Aboe Bakr, vert.). Het gebed is de wortel van Islam en het is
de leider van de Dien, dus legden wij de eed (van gehoorzaamheid en trouw, vert.) af aan Aboe Bakr (ra) omdat hij
dit waard was. Geen twee van ons waren het oneens over hem, niemand van ons
getuigde tegen anderen, en evenmin ontkenden we zijn voorrecht. Ik heb mij van
mijn plicht tegenover Aboe Bakr (ra) gekweten, de gehoorzaamheid die zijn recht
was erkennende, ging op militaire expedities met zijn legers. Ik nam wanneer
hij (ra) me gaf, ging op militaire expedities wanneer hij (ra) me stuurde, en
ik sloeg voor hem (ra) met de zweep voor de Hadd-bestraffing. Toen hij stierf
nam ‘Oemar (ra) het (de Khilafa, vert.) op zich, en hij deed dit volgens
het voorbeeld van zijn metgezel en hetgeen hij (ra) wist van deze zaak. Wij
legden de eed (van gehoorzaamheid en trouw, vert.) af aan ‘Oemar (ra) omdat hij dit waard was. Geen twee van
ons waren het oneens over hem, niemand van ons getuigde tegen anderen, en
evenmin ontkenden we zijn voorrecht. Ik heb mij van mijn plicht tegenover
‘Oemar (ra) gekweten, de gehoorzaamheid die zijn recht was erkennende, ging op
militaire expedities met zijn legers. Ik nam wanneer hij me gaf, ging op
militaire expedities wanneer hij me stuurde, en ik sloeg voor hem met de zweep
voor de Hadd-bestraffing. Toen hij (ra) stierf herinnerde ik in mijzelf de
nauwe band die ik had (met de Profeet (saw), vert.), mijn voorrang, mijn voorrang en mijn verdiensten, denkende
dat niemand aan mij gelijk zou zijn. Echter, hij (‘Oemar, vert.), was
bang dat als de Khalifa na hem een verkeerde handeling zou doen dat dit dan aan
hem zou kleven in zijn graf. Hij trok zichzelf en zijn zoon terug van deze zaak
(de benoeming van een nieuwe Khalifa, vert.),
en als er iets van partijdigheid in hem geweest was dan zou hij zijn zoon (Ibn
‘Oemar, vert.) de voorkeur hebben gegeven bij de zaak (van Khalifa, vert.). Hij onthief zichzelf hiervan en
droeg deze over aan een groep van zes van onder Qoraiesj, van wie ik er één
was. Toen de groep bijeenkwam dacht ik dat zij niemand gelijk aan mij zouden
achten. Abdoerrahman bin ‘Auf (ra) nam een belofte van ons dat we zouden
luisteren en gehoorzamen naar wie Allah (swt) ook de autoriteit zou geven. Toen
later nam hij de hand van ‘Oethman bin ‘Affan (ra) en legde zijn hand in diens
hand. Ik overpeinsde mijn situatie en zag in dat mijn gehoorzaamheid mijn
gelofte van trouw vooraf was gegaan en mijn overeenkomst was afgenomen voor
iemand anders. Daarom legden wij de eed (van gehoorzaamheid en trouw, vert.) af aan ‘Oethman (ra). Ik heb mij
van mijn plicht tegenover ‘Oethman (ra) gekweten, de gehoorzaamheid die zijn
recht was erkennende, ging op militaire expedities met zijn legers. Ik nam
wanneer hij me gaf, ging op militaire expedities wanneer hij me stuurde, en ik
sloeg voor hem met de zweep voor de Hadd-bestraffing."
|