|
De vestiging van de
Verenigde Staten van Amerika vond plaats in een tijdperk waarin de seculiere
ideologie kapitalisme nog volop in ontwikkeling was. Dus nadat de leiders van
de revolutie tegen de Britse overheersing van de "Nieuwe Wereld" in 1776 de
onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika hadden uitgeroepen, kwam
op hun schouders de verantwoordelijkheid te liggen om de systemen te
ontwikkelen waarmiddels deze Verenigde Staten geregeerd zouden moeten worden. Één
van de kwesties waarover de leiders van de Amerikaanse Revolutie, de zogenoemde
"Founding Fathers", kwamen te debatteren was de manier om de leiders van de
natie te verkiezen, te weten de president en zijn assistent de vicepresident.
Verreweg de meesten van
de Founding Fathers waren geen voorstander van een systeem waarin alle mensen
van een natie tezamen komen om de leider te kiezen. Zij zagen in een dergelijk
systeem feitelijk een bedreiging voor het nog maar kort gevormde Amerika. De
Founding Fathers bestonden hoofdzakelijk uit leden van de elite van het nieuwe
Amerika en zij waren van mening dat de meeste mensen eenvoudigweg niet genoeg
onderwezen en geïnformeerd waren om correcte keuzes te kunnen maken in de
kwestie van president en vicepresident. James Madison zei: "Democratieën zijn
altijd spektakels van onrust en twist geweest; onverenigbaar met veiligheid
voor het individu en het recht op eigendom; en over het algemeen net zo kort
van bestaan als gewelddadig in hun einde". Het systeem dat de Founding Fathers derhalve
overeen kwamen voor de verkiezing van president en vicepresident was het
systeem van het Electoraal College ("Electoral College"). In dit systeem wordt
iedere van de Amerikaanse staten een aantal kiesmannen toegewezen. Uiteindelijk
hebben deze kiesmannen de taak om de president en de vicepresident te kiezen.
Individuen worden in het ambt van kiesman benoemd nadat hierover in ieder van de
Amerikaanse staten algemene verkiezingen zijn gehouden. Oftewel, in het Amerikaanse
systeem kiest het volk de kiesmannen, en deze kiesmannen kiezen vervolgens de
president en de vicepresident.
Volgens het
oorspronkelijk idee van het Electoraal College moesten deze kiesmannen
samenkomen om naar de eigen persoonlijke inzichten de president en
vicepresident te kiezen. De kiesmannen moesten niet gebonden zijn aan de mening
van de mensen die hen in de positie van kiesman gekozen hadden. Op deze manier dachten
de Founding Fathers een systeem van democratie tot stand te brengen dat het voordeel
in democratie, zijnde keuze voor de mensen, zou laten bestaan. Zonder het
nadeel in democratie, zijnde keuze voor onwetende mensen en dus onjuiste keuze,
te laten bestaan. Het grote (en volgens de Founding Fathers grotendeels
onwetende en ongeïnformeerde) publiek zou immers enkel kiesmannen kiezen van
onder de elite, wel onderwezen en wijze individuen die bekend zijn met wat
nodig is om een staatsman te zijn. En aan deze kiesmannen zou dan de taak zijn
om de echte president en vicepresident vast te stellen. Volgens dit idee wordt
het algemene publiek wel betrok bij de verkiezing van president en
vicepresident, waardoor de mensen niet het gevoel zullen krijgen dat zij in een
dictatuur wonen en waardoor dus de kans op revolutie geminimaliseerd wordt. Maar
zo kan tegelijkertijd verzekerd worden dat de beslissing betreffende de
belangrijke posities van president en vicepresident niet aan de grillen van het
grotendeels onwetende, onontwikkelde en ongeletterde publiek bloot staan.
Al snel, echter, bleek dat
de rol van de kiesmannen zich niet ontwikkelde tot de rol die de Founding
Fathers op het oog hadden. Reeds in 1816 was er de kritiek op de kiesmannen
waarneembaar dat zij te veel de mening volgden van het gewone volk die hen tot
kiesman hadden gekozen, en te weinig hun eigen meningen en inzichten. En dit is
eigenlijk altijd de manier gebleven waarop de kiesmannen hun rol in het
verkiezingsproces hebben ingevuld. Wanneer zij moeten stemmen voor president en
vicepresident dan stemmen zij gewoonlijk op de personen waarnaar de voorkeur
uit gaat van degenen die hen tot kiesman verkozen hebben. En niet
noodzakelijkerwijs op degenen naar wie hun persoonlijke voorkeur uit gaat.
Hieruit is geresulteerd dat tegenwoordig het systeem van het Electoraal College
zo werkt dat de overheid van een staat de kiesmannen voor de staat benoemt. En
bij de verkiezingen onder het algemene publiek kunnen de mensen dan enkel nog
kiezen tussen de kandidaten voor het president- en vicepresidentschap. Degene
van hen die de meeste stemmen krijgt, krijgt dan de stem van al de kiesmannen
in deze staat [1].
In het systeem van het
Electoraal College is de doorslaggevende stem dus niet bij de kiesmannen komen
te liggen zoals de Founding Father voor ogen hadden toen zij dit systeem
ontwikkelden. De doorslaggevende stem is bij het grote publiek komen te liggen.
Dit betekent niet, echter, dat de controle van de elite over het proces van
verkiezing van de president en de vicepresident, wat de Founding Fathers middels
het systeem van het Electoraal College probeerden te realiseren, niet tot stand
is gebracht. Dit kan duidelijk gemaakt worden door het proces te analyseren
waarmee de kandidaten voor het presidentiële ambt tot stand worden gebracht, de
zogenoemde "primaries", als ook het proces waarmee een president wordt
gekozen uit de kandidaten voor dit ambt.
Onder het proces van de
primaries moeten de leden van de verschillende politieke partijen in Amerika komen
tot de aanwijzing van één individu die namens de partij kandidaat zal zijn voor
het ambt van president. Zo moesten de leden van de Democratische Partij in
voorbereiding op de presidentsverkiezingen een kandidaat kiezen uit ondermeer Barack
Obama, Hillary Clinton, Joseph Biden, Christopher Dudd, John Edwards, Mike
Gravel, Dennis Kucinich, Bill Richardson en Tom Vilsack. Buiten deze personen
stelden nog twaalf andere , minder bekende personen zich op enig moment in dit
proces verkiesbaar als "presidentskandidaat namens de Democratische Partij". De
leden van de Republikeinse Partij moesten een kandidaat voor het ambt van
president kiezen uit John McCain, Mike Huckabee, Mitt Romney, Ron Paul, Fred
Thompson, Duncan Hunter en Rudy Guiliani. En buiten deze personen stelden nog
vier andere, minder bekende personen zich op enig moment in dit proces verkiesbaar
als "presidentskandidaat namens de Republikeinse Partij". Om het in de
primaries tot kandidaat te kunnen schoppen moet een persoon beschikken over ten
minste $100,000 aan campagnegelden. Zo is de wet. Echter, dit is slechts een
formele voorwaarde. Om een serieuze kandidaat te zijn in de primairies is een
campagnekas van ten minste $100 miljoen noodzakelijk, zo leert de recente
geschiedenis. Iedereen met minder geld dan dit is namelijk kansloos gebleken
tijdens de laatste paar verkiezingen. Dit geld is noodzakelijk om de
publiciteit te kunnen kopen die nodig is om de aandacht van de kiezers te
kunnen trekken. Voor degenen die zich als kandidaat namens één van de partijen
in de presidentiële verkiezingen zullen mengen is een campagnekas van nog eens
minstens $200 miljoen noodzakelijk. Wie als kandidaat niet aan deze bedragen
kan komen, die zal niet de publiciteit kunnen kopen waarmee de bekendheid bij
het grote publiek wordt gegenereerd die hem in de ogen van de mensen een
serieuze kandidaat laat zijn.
Verreweg het meeste van
dit geld wordt gegenereerd uit giften afkomstig van bedrijven en
samenwerkingsorganen binnen bepaalde sectoren van de economie. Dit betekent dat
de persoon die het wil schoppen tot serieuze kandidaat in de
presidentsverkiezingen zich zal moeten inspannen om in de gunst te komen bij de
elite van het land. Omdat de elite de financiering van de presidentscampagnes
voor hun rekening nemen.
Bij de grafiek: Het budget voor
campagne van de meest voorname kandidaten in de Amerikaanse presidentsverkiezingen
van 2008. (bron: www.opensecrets.org)
Maar zelfs genoemde
bedragen kunnen een kandidaat niet de publiciteit geven die nodig is om de
verkiezingen tot president te kunnen winnen. Naast de publiciteit die gekocht
kan worden heeft iedere kandidaat ook behoefte aan de gratis publiciteit die de
media kan genereren. Met andere woorden, journalisten op televisie, radio en in
de kranten zullen over de kandidaat moeten spreken wil hij bekend worden bij
het grote publiek. En daarbij is het natuurlijk van belang hoe precies de media
over een kandidaat berichten. Als de media slecht spreken over een kandidaat
zal dit namelijk doorwerken in het denken van de kiezers, en als de media goed
spreken over een kandidaat dan zal dit eveneens doorwerken in het denken van de
kiezers.
Bij de foto: De meeste kandidaten
voor het Amerikaanse presidentschap zijn bij het grote publiek feitelijk
onbekend, omdat de media hen negeren.
Ook dit betekent dat de
persoon die het wil schoppen tot serieuze kandidaat in de
presidentsverkiezingen zich zal moeten inspannen om in de gunst te komen bij de
elite van het land. Want de media in de Verenigde Staten van Amerika staat namelijk
onder volledige controle van de elite. Zes ondernemingen controleren meer dan 90%
van de nieuwsvoorziening middels televisie, radio en internet. En dit betekent
dat slechts een handvol individuen bepaalt wat de mensen te zien en te horen
krijgen aan meningen en opvattingen. Zij bepalen aan welke meningen en
opvatting de mensen blootgesteld zullen worden, en waardoor de mensen dus
beïnvloed zullen worden. En zij bepalen aan welke meningen en opvatting de
mensen niet blootgesteld zullen worden, en waardoor de mensen dus niet
beïnvloed zullen worden.
Bij de
grafiek: Voor iedere kandidaat geeft de kolom links het totaal
aantal vermeldingen in de media weer, en de kolom rechts het aantal positieve
vermeldingen. (bron: www.journalism.org)
De conclusies die
getrokken moeten worden uit deze realiteit van de processen die leiden tot de
verkiezing van de Amerikaanse president zijn dat, ten eerste, de Amerikaanse
elite middels hun geld beslist wie precies de kandidaten zullen zijn voor dit
ambt. Ten tweede, dat de Amerikaanse elite middels hun controle over de media
beslist wie van deze kandidaten bekend zullen zijn bij publiek en wie niet. En
ten derde en laatste, dat de Amerikaanse elite middels hun controle over de
media beslist aan wie de mensen uiteindelijk de voorkeur zullen geven en wie
dus de verkiezing zal winnen.
Hieruit blijkt dat de democratie
in de Verenigde Staten van Amerika ook vandaag de dag voortgaat zoals de
Founding Fathers voor ogen hadden, want de elite van het land hebben de volledige
controle binnen deze democratie, zij het op een manier die anders is dan de
Founding Fathers probeerden te realiseren middels het systeem van het
Electoraal College. En dit verklaart waarom de kernelementen van het
Amerikaanse buitenlandbeleid bij zowel de Democraten als de Republikeinen
hetzelfde zijn. Beide partijen zijn afhankelijk van de elite en dienen derhalve
de belangen van de elite. En als het gaat over wat precies het doel moet zijn
van het Amerikaanse buitenlandbeleid, dan bestaan er binnen de elite geen
meningsverschillen: Amerika moet streven naar wereldhegemonie, en de wereld zo
organiseren dat deze voortgaat op een manier die ten voordele is van de
Amerikaanse elite. Wie de speeches van Obama en McCain over het buitenlands
beleid er op naslaat zal dit zien. Beiden stonden een voortzetting van het
beleid van "democratisering van het Midden-Oosten" voor, oftewel het bestrijden
van Islam. Beiden gaven aan hiervoor de Amerikaanse inspanning in de oorlog in
Afghanistan vergroten. Obama door soldaten uit Irak te halen en te verplaatsen
naar Afghanistan, McCain door eenvoudigweg meer soldaten naar het Midden-Oosten
/ Centraal-Azië te sturen. Zowel Obama als McCain zagen Pakistan ook als een
van de belangrijkste fronten in Amerikaanse oorlog tegen Islam. Beiden verklaarden
samen te willen werken met de Pakistaanse regering om het onderwijssysteem van
Pakistan minder Islamitisch te maken - een proces dat onder Bush Jr. op gang is
gezet - en om het Pakistaan leger beter in staat te stellen oorlog te voeren
tegen de moslims in het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan. Hierbovenop
heeft Obama voorgesteld om Amerikaanse soldaten in te zetten in Pakistan in een
oorlog tegen de moslims die zich niet aan de Amerikaanse plannen onderwerpen. Voor
wat betreft de Palestijnse kwestie, Obama verklaarde hieromtrent dat het
bestaan van de zionistische bezettingsstaat "fundamenteel rechtvaardig" is en
dat Amerikaanse steun voor de zionistische bezettingsstaat "niet
onderhandelbaar" is. Obama gaf ook aan voorstander te zijn van continuering van
het beleid van Bush Jr. met betrekking tot Hamas, zijnde dat Hamas geïsoleerd
moet worden en tegelijkertijd Fatah gesteund. McCain noemde zichzelf "trots,
pro-Israël" en zei betreffende de Palestijnse kwestie dat Amerika de zionisten
moet blijven voorzien van "willekeurige welke militaire middelen zij nodig hebben".
McCain zei net als Obama dat Hamas geïsoleerd moet worden en Fatah gesteund. Betreffende
Iran zei Obama dat een Amerikaanse militaire aanval "niet uitgesloten moet
worden", terwijl McCain zei dat "de optie op de tafel moet blijven" [2].
Dat er bij de Amerikaanse
verkiezingen toch sprake was van een echte concurrentie heeft te maken met de
manier waarop men probeert dit doel te realiseren. Binnen de Amerikaanse elite bestaan
verschillende meningen over de manier waarop Amerika hegemonie over de wereld
zal kunnen realiseren. Deels heeft dit te maken met het feit dat sommige
groepen voordeel hebben bij de manier waarop de neoconservatieven onder Bush
Jr. geprobeerd hebben dit te realiseren, hoofdzakelijk de elite van de
militaire industrie. Maar andere groepen binnen de Amerikaanse elite hebben juist
geleden onder de manier waarop Bush Jr. de Amerikaanse hegemonie over de wereld
probeerde te realiseren. Het barbaarse, platvloerse en gewelddadige optreden
van Amerika onder Bush Jr. in de wereld heeft ertoe geleid dat feitelijk al de
Amerikaanse industrieën (meest voornaam constructie en engineering) opdrachten
verloren zijn aan hun internationale concurrenten uit landen als Duitsland,
Frankrijk, Rusland, China en in mindere mate Groot-Brittannië. McCain stond
meer in de lijn van Bush Jr. en verklaarde de genoemde doelen na te zullen
streven op dezelfde wijze als Bush Jr. Voor deze reden werd hij gesteund door
de elite met belangen in de militaire industrie. Obama staat zogenaamd voor
verandering ("the change we need"), maar natuurlijk voor wat betreft methode en
niet voor wat betreft doel, en werd daarom hoofdzakelijk gesteund door de elite
met belangen buiten het militair industrieel complex.
Dit alles betekent dat
niet verwacht mag worden dat de verkiezing van Barack Obama tot president van
Amerika een echt grote verandering teweeg zal brengen. Want bij iedere
Amerikaanse presidentsverkiezing zijn de serieuze kandidaten voor het ambt
voorgeselecteerd door de elite. En de serieuze kandidaten staan dus allen voor
de realisatie van eenzelfde doel, zijnde Amerikaanse hegemonie over de wereld
zodat Amerika de wereld kan gebruiken tot haar eigen voordeel. De geschiedenis
bewijst dit, evenals de uitspraken die Obama en McCain hierover gedaan hebben
tijdens de verkiezingscampagne. En wie de boeken leest van Obama's adviseur op
het gebed van buitenlands beleid, de meester-strateeg Zbigniew Brezinski, die
zal zich realiseren dat Amerikaanse hegemonie over de wereld ook het primaire
doel zal zijn voor Obama.
1 "Why the Electoral College is bad for America", George C. Edward III, Yale
University Press, 2005
2 Council on Foreign Relations, www.cfr.org
|