|
Geloven in een Oermacht kan dus een natuurlijke instinctieve reactie zijn van de mens in reactie op de realisatie van de eigen onmacht. Maar, daarmee is niet gezegd dat deze instinctieve reactie de enigste reden is voor de waarneming van gedrag van aanbidding bij de mens. Evenmin is daarmee gezegd dat deze reactie een juiste of onjuiste reactie is op de realisatie van de eigen onmacht.
Al de zaken die de mens in staat is waar te nemen delen dezelfde drie eigenschappen. Ze zijn allen beperkt in zowel tijd als volume, ze zijn allen afhankelijk in hun bestaan van andere zaken en ze zijn allen onmachtig in de zin dat dingen buiten hun eigen invloedssfeer op hen van invloed zijn. De mens zelf bijvoorbeeld is beperkt in volume, want hij groeit tot een bepaalde hoogte en breedte. En de mens is beperkt in tijd, omdat ieder mens met zijn geboorte een begin kent en met zijn sterven een einde. Al dat waargenomen kan worden is op dezelfde wijze beperkt in tijd en volume. Zelfs de energie, omdat geen enkele uiting hiervan oneindig voortduurt. Ieder geluid moet voortgebracht worden door iets anders en kent dus een begin, en verzwakt naarmate het uitdijt langzaam maar zeker tot het stopt en kent dus een einde. Warmte moet voortgebracht worden door iets anders en kent dus een begin, en verzwakt langzaam maar zeker naarmate het uitdijt tot het stopt en kent dus een einde, et cetera. Zelfs het universum kent een begin en een eind in tijd en volume, want het universum -het geheel van al de dingen die waargenomen kunnen worden- bestaat enkel en alleen uit zaken die een begin en eind hebben in tijd en volume, en kan zelf dus niet anders dan een begin en een einde hebben in tijd en volume. De afhankelijkheid van andere zaken uit zich bij de levende wezens in het bestaan van de organische behoeften. De levende wezens moeten voeding tot zich nemen, tezamen met zuurstof in geval van mens en dier of zuurstof en kooldioxide in geval van planten. Zelfs de niet-levende zaken zijn afhankelijk van andere zaken in hun bestaan, want bij andere omstandigheden zouden zij niet bestaan. Water bijvoorbeeld zou bij een andere temperatuur ijs zijn, of gas. En bij bepaalde omstandigheden breken de waterstof en zuurstof atomen die water uitmaken zich van elkaar los, en zouden deze omstandigheden dus hebben bestaan in de natuur dan zou water niet bestaan kunnen hebben. Ten slotte zijn op alle zaken dingen van invloed die buiten hun eigen invloedssfeer liggen. Te denken valt aan de wetten van de natuur, de "what goes up must come down" of "water kookt bij 100 graden Celsius en één Bar druk". Het bestaan van zwaartekracht is niet een keuze geweest van de materie, en niets van de materie heeft invloed over de zwaartekracht op een zodanige wijze dat het kan beslissen of de zwaartekracht op haar van invloed zal zijn of niet. En het was niet de keuze van het water om te allen tijde bij 100 graden Celsius en één Bar druk tot koken over te gaan. Het water beschikt niet over de macht om zelf te bepalen of zij zal koken wanneer deze omstandigheid zich voor doet, en het water beschikt niet over de macht om te bepalen bij welke omstandigheden zij zal koken. Dit zijn voorbeelden van wetten die op de materie van invloed zijn. Iedere vorm van de materie is onderdanig aan dergelijke wetten, en geen van de vormen van de materie heeft invloed op deze wetten die op haar van invloed zijn.
Wie bij realisatie van deze feiten met betrekking tot de materie nadenkt over de oorsprong van de materie, die zal inzien dat van de drie mogelijke verklaringen voor het bestaan van de materie -de materie is altijd geweest, de materie heeft zichzelf geschapen of de materie is door iets anders buiten de materie geschapen- slechts één ervan door het verstand geaccepteerd kan worden. Van alles dat waargenomen kan worden door de mens maakt diens beperktheid in tijd duidelijk dat van eeuwigheid van bestaan geen sprake kan zijn. Wanneer alles dat waargenomen kan worden een begin en een eind heeft in termen van tijd, dan kan onmogelijk volgehouden worden dat alles altijd bestaan heeft en altijd zal bestaan.
Omdat alle feiten afhankelijk zijn van weer andere feiten is het onmogelijk om voor te stellen dat een feit zelf verantwoordelijk is voor het eigen bestaan, oftewel dat de materie zichzelf geschapen heeft. Enerzijds is dit omdat iets wat niet bestaat überhaupt niets kan, dus ook niet zichzelf scheppen. Want het bestaat immers niet, maar het verrichten van de handeling van scheppen vereist bestaan. En anderzijds, enkel om de zuiver theoretische mogelijkheid dat de materie zichzelf geschapen heeft te behandelen, de schepping zou dan onmogelijk de vorm aan hebben kunnen nemen die het heeft aangenomen. Het universum is een geheel van afzonderlijke delen waartussen relaties bestaan van afhankelijkheid maar in perfectie harmonie. Bijvoorbeeld het uitsterven van één enkele diersoort, hoe onbeduidend ook, betekent uiteindelijk altijd de dood voor een hele keten van diersoorten - te beginnen met degenen die afhankelijk zijn van het uitgestorven dier, vervolgens degenen die afhankelijk zijn van degenen die afhankelijk zijn van het uitgestorven dier, en zo verder. En het doven van de zon of de verdamping van het water zou het einde betekenen van al het leven op aarde. Bij het bestaan van deze complexe relaties van afhankelijkheid tussen alles dat waargenomen kan worden, is het onmogelijk voor te stellen dat alles dat bestaat zichzelf heeft geschapen. Bovendien bestaan er zoals gezegd wetten die op alles dat bestaat van invloed zijn, zonder dat iets dat bestaat op hen van invloed is. Dit vertelt alles hetzelfde verhaal, namelijk dat het onmogelijk voor te stellen valt dat de feiten die bestaan zichzelf geschapen hebben. Want afhankelijkheid en onderdanigheid zijn niet kenmerken die samengaan met de macht tot scheppen.
De waarneming van de eigenschappen van beperktheid, afhankelijkheid en machteloosheid in alle feiten, maakt dat het bestaan van iets buiten de materie als verantwoordelijk voor de schepping de enigste te accepteren verklaring voor het bestaan van de materie. Iets buiten de materie moet wel verantwoordelijk zijn voor het bestaan van de materie. Op dezelfde manier als dat een voetafdruk in het zand de mens overtuigt van de aanwezigheid van andere mensen in de omgeving -want de mogelijke alternatieve verklaringen dat de voetafdruk een eeuwig bestaan heeft of dat de voetafdruk zichzelf geschapen heeft zijn onacceptabel- bewijzen de eigenschappen van de al de feiten die waargenomen kunnen worden dat de materie een Schepper gemeen heeft. Net zoals de voetafdruk verder niets verraadt over de eigenschappen van degene die ze achter gelaten heeft, zonder dat men verder iets weet van deze Schepper of over deze Schepper: gezien de eigenschappen van de materie weet men enkel zeker dat Hij bestaat. Geloof in een Oermacht is dus niet zuiver een mogelijk resultaat van het instinct tot aanbidding in de mens. Het kan tevens het resultaat zijn van overdenken van de eigenschappen van het waargenomene, want dit overdenken van de eigenschappen van de materie maakt duidelijk dat het geloof in een Oermacht niet achterlijk of irrationeel is zoals sommigen beweren, maar juist verstandelijk en terecht. Veel eerder is het ontkennen van het bestaan van een Oermacht achterlijk en irrationeel, omdat alles dat bestaat met zijn eigenschappen bewijst dat een Schepper wel moet bestaan, omdat bij deze eigenschappen van de materie Hij de enigste verklaring is voor het bestaan van de materie.
|