zondag 12 februari 2012 In de naam van Allah, De Barmhartige De Erbarmer
Home
Missie & Visie
De weg naar geloof
Verklaringen
Pamfletten
Boeken
Intellectualisme
Definities&Termen
Wetgeving
Politiek
Multimedia
Koran
Hadith
Reacties
Van de lezers
Nieuws & Commentaar
Boek
Home arrow De weg naar geloof arrow 2006 arrow De weg naar Islam: het verstandelijk bewijs voor het profeetschap van Mohammed (saw)
De weg naar Islam: het verstandelijk bewijs voor het profeetschap van Mohammed (saw) Afdrukken E-mail
zaterdag 30 december 2006

Nadat het verstand het bestaan van Allah (swt) de Schepper eenmaal heeft bewezen, wordt bij de schepping onmiddellijk de behoefte aan een boodschapper van deze Schepper duidelijk. Het valt namelijk niet te ontkennen dat de mens een relatie heeft met zijn Schepper, omdat de schepping in zichzelf een relatie is. Hierbij moet ingezien worden dat de relatie Schepper versus schepping enkel door de Schepper geordend kan worden. Allah (swt) heeft de mens en al dat deze waar kan nemen geschapen, en wanneer de mens zich dit realiseert, en bij hem vragen naar boven komen als "wat is de reden voor mijn schepping?", "hoe moet mijn relatie met mijn Schepper zijn?", "wat zijn de eigenschappen van mijn Schepper?", et cetera, dan valt in te zien dat de antwoorden op deze vragen moeten komen van de Schepper omdat zij niet kunnen komen van Zijn (swt) schepping. De Schepper (swt) kent Zijn (swt) schepping, maar Zijn (swt) schepping kent Hem (swt) niet. Deze realisatie vormt het bewijs voor de noodzaak aan boodschappers onder de mensen.

Nu wordt van het verstand van de mens gevraagd te oordelen over de verschillende religies die verklaren de boodschap van de Schepper te zijn, de boodschap die de mensheid het juiste antwoord biedt op de gestelde vragen. Het verstand moet oordelen welke van deze boodschappen het antwoord van de Schepper vormt op de bovengestelde en andere vragen. Met andere woorden, het verstand moet nu oordelen over de eigenschappen van deze boodschappen: is de boodschap perfect en dus van goddelijke oorsprong, of minder dan perfect en dus niet van goddelijke oorsprong? Om de mens te helpen bij hun zoektocht naar de waarheid vindt men in de Koran:

"Het is een Schrift die Wij tot u hebben nedergezonden, een gezegende, opdat zij de tekenen daarvan overdenken en opdat de lieden van verstand zich laten manen." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah Sad, vers 29)

Allah (swt) roept de mensen dus op om de eigenschappen van de Koran, hetgeen Mohammed (saw) mee is gekomen alszijnde boodschap van de Schepper, te overdenken. Nu, het is welbekend dat de Koran een Arabisch boek is, overgeleverd door Mohammed (saw). Dit betekent dat het boek ofwel van de Arabieren afkomstig is, ofwel van Mohammed (saw), ofwel inderdaad van Allah (swt). Iets anders buiten deze drie is niet mogelijk omdat het boek Arabisch in taal en stijl is. Allah (swt) zegt, de vertaling waarvan zoveel betekent als:

"Zeggen zij: 'Hij heeft dit (de Koran) verzonnen?' Antwoord: 'Breng dan tien dergelijke verzonnen hoofdstukken voort en roept buiten Allah wie gij kunt, als gij waarachtig zijt'. En indien zij uw (uitdaging) niet aannemen, weet dan, dat het met Allah's kennis is geopenbaard en dat er geen illah[1] is behalve Hij." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah Hoed, vers 13 - 14)

En Hij (swt) zegt, de vertaling waarvan zoveel betekent als:

"Of zeggen zij: 'Hij (de profeet) heeft het verzonnen'? Zeg: 'Brengt dan een hieraan gelijke Soerah voort en roept buiten Allah wie gij kunt (om hulp aan), als gij waarachtig zijt'." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah Joenoes, vers 38)

Het is belangrijk te weten dat de mensen tot wie Mohammed (saw) zich richtte in Mekkah, de Qoraish, nooit hebben beweerd dat de Koran afkomstig was van Mohammed (saw) zelf. De mensen kenden hem, zijn manier van spreken, en zij erkenden het verschil dat bestaat tussen de Koran en zijn manier van omgaan met de Arabische taal. Vandaag de dag beschikt de mens nog altijd over de ahadieth moetawaatir[2] van Mohammed (saw), wiens authenticiteit boven alle twijfel verheven is. Mocht men deze ahadieth vergelijken met de verzen van de Koran, dan mist men iedere gelijkenis tussen deze beiden voor wat betreft stijl en gebruik van taal. Mohammed (saw) was gewoon het geopenbaarde vers te bekend te maken en tegelijkertijd te vertellen wat nu in de vorm van een hadieth moetawaatir bekend is gebleven. Desalniettemin is er verschil tussen beiden in stijl. Omdat er dus geen overeenkomsten zijn voor wat betreft stijl tussen deze ahadieth van Mohammed (saw) en de verzen van de Koran, is het zeker dat de Koran niet het woord is van Mohammed (saw).

Er zijn dan mensen die beweren dat Mohammed (saw) een andere stijl van spreken aannam om de mensen te laten geloven dat de Koran niet van hem was, maar dit argument pretendeert dat de mens in staat is twee volkomen verschillende manieren van taalgebruik te hanteren. Maar geen enkel mens is dit. Misschien kan een individu voor een kort moment zijn manier van uitdrukken met taal veranderen, maar dan ook enkel voor een kort moment omdat het taalgebruik onderdeel is van de van de mens. Uiteindelijk zal men altijd terug vallen op het eigen taalgebruik. Het kan dan ook niet anders of in het leven van deze persoon zal er een onbewaakt ogenblik zijn waarop onbewust tot de eigen manier van spreken wordt overgegaan, omdat deze manier van spreken natuurlijk is voor de persoon, en er zal dan ook altijd een moment komen waarop deze persoon zichzelf verraadt. De Koran, echter, is in een periode van 23 jaar geopenbaard, wat zou betekenen dat Mohammed (saw) in 23 jaren altijd op het juiste moment over heeft kunnen gaan op zijn "andere" manier van spreken zonder hierin ooit ook maar één fout te maken. Dit is werkelijk onvoorstelbaar. Bovendien gaat dit argument aan het meest belangrijke feit van de Koran voorbij:

In reactie op de uitdaging waarvoor Allah (swt) de mensen stelt, "Brengt dan een hieraan gelijke soerah voort", hebben de Arabieren, zelf uiterst begiftigt met de Arabische taal, geprobeerd een gelijke eraan voort te brengen. Nooit zijn zij hiertoe in staat gebleken. Dus hoewel de Koran Arabisch is klaar en duidelijk, bevestigen de Arabieren dat voor hen het een Arabisch is dat hun capaciteiten te boven gaat.

De reden dat de Koran de capaciteit van de Arabieren te boven gaat valt in te zien ook door de persoon die het hoog-Arabische niet machtig is. Ook de Arabische taal kan, zoals alle andere talen, naar vorm opgedeeld worden in enerzijds de vorm "poëzie" en anderzijds de vorm "proza". De Arabische poëzie gebruikt rijm volgens bepaalde, specifieke regels (anders dan de grammaticale regels) zijnde rijmschema's. De Arabische taal kent 16 verschillende rijmschema's en al de Arabische poëzie volgt deze rijmschema's of is gebaseerd op deze rijmschema's. De rijmschema's geven het Arabische gedicht een bepaald ritme, en zij zijn de volgenden:

  • 1. at Tawil
  • 2. al Bassit
  • 3. al Wafir
  • 4. al Kamil
  • 5. ar Rajs
  • 6. al Khafif
  • 7. al Hazaj
  • 8. al Moettakarib
  • 9. al Moensari
  • 10. al Moektatab
  • 11. al Moektadarak
  • 12. al Madid
  • 13. al Moejtath
  • 14. ar Ramel
  • 15. al Khabab
  • 16. as Sari'a

Proza, daarentegen, is de vorm waar het taalgebruik zich niet laat leiden door rijmschema's. Van rijm kan ook in de proza gebruik gemaakt worden. Deze vorm van gebruik van de Arabische taal, daar waar gerijmd wordt zonder vast rijmschema, wordt "saj" genoemd. De vorm waar de Arabische taal gebruikt wordt zonder rijmschema's en ook zonder rijm wordt "moersal" genoemd. Deze "saj" en "moersal" zijn subcategorieën van de hoofdcategorie proza.

De Koran, echter, heeft een eigen stijl die niet beschreven kan worden als poëzie, noch als proza. Soms rijmt de Koran niet, zoals in geval van de proza. Maar dan toch maakt zij gebruik van een bepaald ritme, waardoor de Koran poëzie lijkt maar het niet is omdat er geen rijm plaatsvindt. Soms ook rijmt de Koran wel, zoals in het geval van poëzie, maar dit is dan zonder het ritme dat hoort bij de Arabische poëzie. Maar ook in deze vorm is de Koran niet een vorm van proza, want het hanteert dan wel degelijk een bepaald ritme. Enkel een ritme anders dan dat van een van de rijmschema's van de Arabische poëzie. En een rijmschema ook dat door de Koran alsmaar verandert, waardoor men kan zeggen dat er in werkelijkheid toch geen echt rijmschema in de Koran bestaat alhoewel het zich wel laat aanhoren alsof er een rijmschema bestaat. De Koran is derhalve niet een vorm van poëzie, noch een vorm van proza. De Koran heeft haar eigen stijl en vorm van spreken. De Koran emotioneert de mensen net zoals de mooiste vormen van poëzie dit doen, terwijl het geen poëzie is. En de Koran grijpt de aandacht van de mensen aan zoals de beste proza dit doet, terwijl het geen echte proza is. En dit is waarom niemand van de Arabieren ooit in staat is geweest is geweest om met iets vergelijkbaars te komen, en dit ook nooit zal zijn. Een van de grootste Arabische dichters uit die tijd, Walid ibn Moghira, bekende na het horen van tekst uit de Koran dan ook:

"Bij Allah, niemand van jullie kan beter dan mij dichten, melodieën rijmen en zingen; en bij Allah, ik heb nooit iets gehoord wat hierop lijkt. Het is zo zoet, en zo gracieus dat het een hoogtepunt blijft en niets zal het kunnen overtreffen."

Verder zit de Koran zit boordevol wonderschone gebruikmakingen van de Arabische taal die de begrijper ervan verstelt doen staan. Een voorbeeld bij het onderwerp van denken om dit aan te tonen:

Wanneer Allah (swt) in de Koran de mensen oproept om verstandelijke te denken over Zijn (swt) bestaan, dan gebruikt Hij (swt) voor het woord denken ofwel vervoegingen van het Arabische woord "'aqala", ofwel vervoegingen van het Arabische woord "fakara". Echter, wanneer Allah (swt) de mensen oproept om verstandelijke te denken over de eigenschappen van de Koran, dan gebruikt hij voor het woord denken altijd vervoegingen van het Arabische woord "adraka". Nu, alle drie betekenen in feite "denken", en dus is niet direct duidelijk waarom in de Koran zo consequent een onderscheidt wordt gemaakt tussen het ene denken en het andere denken. Maar de Arabier weet dat "'aqala" en "fakara" een speciale manier van denken betreffen, anders dan de manier van denken bedoelt met "adraka". "'Aqala" en "fakara" stellen geen eisen aan degene die denkt. "Adraka", echter, vereist dat men oordeelt op basis van een alomvattende beschouwing van het feit. Het is wanneer men de realiteit van het denkproces kent tezamen met dit verschil tussen de drie woorden voor denken, dat duidelijk wordt hoe mooi en hoe juist het is dat Allah (swt) iedere uitdrukking van denken een eigen context geeft. Het bewijs van het bestaan van Allah (swt) is reeds met een enkele waarneming van Hem (swt) bewezen. Dus het volstaat om een enkel feit te beschouwen: indien dit feit aantoont dat het geschapen moet zijn, dan reeds is het bestaan van Allah (swt) met zekerheid aangetoond. Men hoeft dus niet al de feiten in het universum te bestuderen om aan te kunnen tonen dat Allah (swt) bestaat. Maar, om te kunnen oordelen dat de Koran afkomstig is van deze Schepper moet zij in haar geheel zonder fouten zijn, en nergens in schoonheid te verbeteren vallen. Baseert men het oordeel op een hoofdstuk uit de Koran, dan kan men over heel de Koran oordelen dat zij van Allah (swt) is afgaande op dit enkele hoofdstuk. Maar deze analyse sluit niet uit dat verderop in de Koran een fout is, wat zou betekenen dat de Koran toch niet van Allah (swt) afkomstig kan zijn. Dus "'aqala" en "fakara" zijn voldoende om het bestaan van Allah (swt) te bewijzen, maar "adraka" is noodzakelijk om de oorsprong van de Koran te bewijzen. Met andere woorden, het geheel van de Koran moet perfect zijn wil zij goddelijk zijn, en om dit met zekerheid te kunnen beoordelen is het noodzakelijk dat men het oordeel baseert op een alomvattende beschouwing van de Koran. En precies op deze manier gebruikt Allah (swt) de woorden "'aqala", "fakara" en "adraka", altijd en consequent.

Een ander voorbeeld is het feit dat de Koran geen enkele zin bevat die op een andere manier mooier of beter hetzelfde zou kunnen uitdrukken. Nergens zou een verandering van de volgorde van de woorden, of de vervanging van een woord door een ander woord, de betekenis van de zin meer precies of duidelijker maken. In soerah Yoesoef vertelt Allah (swt) over profeet Yoesoef (as), de profeet (as) die als wonder van Allah (swt) meegekregen had zijn onvoorstelbare schoonheid, zo vertelt de Koran. Soerah Yoesoef vertelt ook van de vrouw van de leider van de stad waar profeet Yoesoef (as) verblijft, en die hem probeert te verleiden. De Koran vertelt:

"En zij, in wiens huis hij (Yoesoef) was, probeerde hem te verleiden. Ze sloot de deuren en zei: 'Kom, jij!'." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah Yoesoef, vers 23)

Voor de handeling van sluiten van deuren heeft Allah (swt) hier het woord "ghallaqa" gebruikt. Een ander Arabisch woord dat sluiten van deuren betekent, echter, is "aghlaqa" wat dus ook gebruikt had kunnen worden. Echter, "ghallaqa" impliceert haast en grote emotie, in tegenstelling tot "aghlaqa". Doordat Allah (swt) het woord "ghallaqa" gebruikt en niet "aghlaqa" krijgt degene die het Arabisch beheerst dus een heel precies idee van de manier waarop de vrouw van de Aziz[3] de deuren sloot: in grote opwinding sloot zij haastig de deuren, om Yoesoef zo snel mogelijk te kunnen verleiden!

En de Koran vertelt dat profeet Ibrahiem (as) tegen zijn volk zei:

"Die mij heeft geschapen en Hij is het, Die mij leidt. En Hij is het die mij voedsel en drank geeft. En het is Hij die mij geneest wanneer ik ziek ben. En Die mij zal doen sterven en daarna weer tot het leven terugroepen." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah Asj Sjoeara, vers 78 - 81)

Profeet Ibrahiem (as) vertelt zijn volk dus over wie het is die hem geschapen heeft, die hem leidt, die hem voedsel en drank geeft, die hem geneest, die hem zal doen laten sterven en die hem tot leven terug zal roepen. Opvallend is dat in de tweede, derde en vierde van deze zinnen specifiek het woord "hoewe" wordt gebruikt om het "Hij" te benadrukken, alhoewel dit niet noodzakelijk is om de boodschap over te brengen daar in het Arabisch de vorm van het werkwoord reeds duidelijk maakt dat het om "Hij" gaat. De reden dat toch "hoewe" hier gebruikt wordt maar niet in de andere zinnen, is de volgende:

Wanneer gesproken wordt over scheppen, over doen sterven en over tot leven wekken van de doden, dan begrijpt ieder mens hieruit een verwijzing naar de Schepper omdat dit specifiek de handelingen van de Schepper zijn. Echter, wanneer wordt gesproken over het geven van leiding, het geven van eten en drank of genezen, dan is voor de mensen niet zo direct duidelijk dat het hier de Schepper betreft. Veel eerder is de mens dan geneigd om aan andere mensen te denken, zoals aan de vader die eten en drank geeft of aan de dokter die geneest. Het gebruik van het woord "hoewe" voor deze drie handelingen is dus om de bedoeling van de zin duidelijk te maken, namelijk dat ook de leiding, het eten en drinken en de genezing uiteindelijk allen van de Schepper afkomstig zijn. Bij scheppen, sterven en tot leven wekken is vanzelf duidelijk dat de Schepper dit doet, daarom hier geen "hoewe" additioneel op de vervorming van het werkwoord. Bij leiding, eten en drinken en genezing is niet noodzakelijkerwijs duidelijk dat de Schepper dit doet, en daarom hier de benadrukking "hoewe" opdat boven twijfel verheven wordt dat de Schepper bedoeld wordt.

Dit zijn uitingen van een welbespraaktheid die perfect is, omdat zoals gezegd op geen enkele plaats in de Koran een woord of een zinsconstructie bestaat die niet op werkelijk de allerbeste en allermooiste wijze uitdrukking geeft aan hetgeen bedoeld wordt.

Bij de uitdaging die de Koran stelt beweerden sommigen van de mensen in Mekkah in erkenning van hun eigen falen dat Mohammed (saw) de Koran enkel had gebracht van een christelijke jongen genaamd Jabr. Zo wanhopig waren zij in hun pogingen te ontkennen wat eigenlijk duidelijk voor hen was, dat zij uit arren moede overgingen tot het verklaren dat de Koran, hoewel de taal waarvan deze zich bedient zij zelf niet konden evenaren, afkomstig was van iemand die niet een Arabier was maar een christen uit het gebied van Syrië (Asj Sjam). Allah (swt) zelf maakt hen duidelijk hoe ridicuul dit idee is, en zegt in de Koran, de vertaling waarvan zoveel betekent als:

"En Wij weten inderdaad dat zij zeggen dat het slechts een man is, die hem (de profeet) onderwijst. De taal van hem die zij bedoelen is vreemd, terwijl dit de duidelijke Arabische taal is." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah An Nahl, vers 103)

Zou de mens dus verlicht nadenken over de Koran, dat wil zeggen op basis van een alomvattende studie van haar realiteit, dan zou het verstand niet anders dan kunnen oordelen dat zij perfect is. Een boek dat de mensen uitdaagt om te ontkrachten danwel te bevestigen dat haar gebruik van taal het menselijk vermogen om taal te gebruiken te boven gaat. Daarbij is kennis van de Arabische taal niet noodzakelijk om dit wonder te kunnen aanschouwen, omdat de stijl van de Koran en het feit dat geen van de Arabieren in staat is (geweest) om met iets gelijkaardigs te komen -dit zelfs niet geclaimd heeft!- bewijzen zijn van de perfectie van de Koran, waarneembaar voor eenieder. De enigste verklaring voor deze perfectie is dat het boek werkelijk de boodschap is afkomstig van de Schepper, de Kenner van het Zichtbare en het Onzichtbare, de Alwetende, Alwijze en Meest Barhartige: Allah (swt). En als zodanig bewijst het verstand ook dat Mohammed (saw) inderdaad een profeet is, omdat enkel profeten komen de boodschap van de Schepper.


 

[1] Ibidem noot 2

[2] Hadieth moetawaatir: overlevering van profeet Mohammed (saw) waarbij zowel betekenis als woordgebruik bij een gezegde van Mohammed (saw) langs zoveel verschillende kanalen overgeleverd is dat de authenticiteit van de overlevering boven alle twijfel verheven is. (ahadieth = meervoud van hadith)

[3] Aziz: de titel van de leider van de stad

< Vorige   Volgende >
 [ Arabisch ]