|
Inleiding
De bewonderenswaardige technologische vooruitgang die gerealiseerd is
de voorbije 200 jaar wordt niet zelden opgeschreven als één van de
totstandbrengingen van het kapitalisme. Als zodanig wordt deze prestatie vaak
als een veer in de hoed van kapitalisme gestoken. Maar of een economisch
systeem werkelijk verantwoordelijk kan zijn voor technologische vooruitgang, en
of het kapitalisme de veer in haar hoed dus werkelijk verdient, is een
gerechtvaardigde vraag. Want immers, de communisten realiseerden in hun staat
ook grote technologische vooruitgang, welke in sommige bereiken groter was dan
de vooruitgang in de landen die het kapitalisme implementeerden. En deze
geschiedkundige realiteit lijkt aan te tonen dat technologische vooruitgang
meer afhankelijk is van andere factoren dan het economisch systeem dat
geïmplementeerd wordt.
Waar geen twijfel over bestaat, echter, is het feit dat een economisch
systeem beoordeeld kan worden op basis van de manier waarop zij de
technologische vooruitgang heeft benut. Anders gezegd, een economisch systeem kan
beoordeeld worden door te onderzoeken of zij de mensen heeft laten delen in het
profijt van technologische vooruitgang, of juist niet. Bij deze maatstaf ter
beoordeling blijkt dat het kapitalisme op alle fronten gefaald heeft. Het
profijt waarvan technologische vooruitgang gepaard gaat is onder het
economische systeem van kapitalisme namelijk uitermate oneerlijk en
onrechtvaardig verdeeld geworden. Bijvoorbeeld, als men een inkomen van $1,25
per dag als maatstaf voor armoede zou nemen, wat sinds augustus 2008 de
maatstaf is die de Wereldbank hanteert, dan zou het aantal armen in de wereld
1,5 miljard bedragen. Oftewel, meer dan 20% van alle mensen in de wereld. En
als men de maatstaf neemt die in Amerika wordt gebruikt wordt om armoede te
meten, $10,00 per dag, dan zou het aantal armen in de wereld 5,7 miljard
bedragen. Oftewel, bij de maatstaf van een inkomen rond de $300 per maand zou
85% van alle mensen op aarde zou arm genoemd moeten worden. [1]
Kapitalisme heeft dus ondanks de technologische vooruitgang feitelijk
niets weten te doen tegen de armoede in de wereld. Dit komt doordat de rijkdom
die is gecreëerd door technologische vooruitgang in het systeem van kapitalisme
grotendeels in de handen van een kleine elite terecht is gekomen. Als men
bijvoorbeeld alle mensen op aarde tezamen met hun rijkdom op een rij zou
zetten, beginnende met de meest rijken en hun bezit en eindigende met de meest
armen en hun bezit, dan zou blijken dat 25% van alle rijkdom op aarde in handen
is van slechts 0,13% van alle mensen. Oftewel, de 8,7 miljoen meest rijke
mensen op aarde bezit een kwart van alle rijkdommen op aarde. Er zou ook
blijken dat 75% van alle rijkdom op aarde in handen is van slechts 20% van de
mensen. En dus dat de overige 80% van de mensen slechts 20% van de rijkdommen
van deze aarde bezit. [2]
Verder is de trend in kapitalisme dat deze inkomensongelijkheid niet
afneemt maar juist toeneemt. In het thuis van kapitalisme bijvoorbeeld, in de
Verenigde Staten van Amerika, hebben de rijkste 5% van de mensen hun aandeel in
de totale rijkdom van het land voortdurend zien stijgen de voorbije dertig
jaar. Van de overige 95% van de mensen hebben de rijkste 15% nu een even groot
aandeel in de totale rijkdom dan dertig jaar geleden. De overgebleven 80% van
de mensen hebben hun aandeel in de totale rijkdom continu zien afnemen. Naarmate
de kapitalistische wereld dankzij technologische vooruitgang dus meer en meer
rijk werd, werd de overgrote meerderheid van mensen meer en meer arm.
Daarom is de vraag die gesteld moet worden, waarom is kapitalisme er
niet in geslaagd het economische probleem van de mensen in de wereld, armoede,
op te lossen? Waarom is het er zelfs niet in geslaagd om armoede serieus af te
laten nemen? (Bijvoorbeeld de Millennium Doelstelling van de Verenigde Naties
om "extreme armoede" in de wereld te halveren tegen 2015 is op dit moment op
weg om in een grote mislukking te eindigen.). Om deze vragen te kunnen beantwoorden
moet de theoretische onderbouwing van het economisch systeem van kapitalisme
bestudeerd worden.
De aannames in
kapitalistische economische theorie
Betreffende de realiteit van de mens stelt kapitalisme dat deze enkel
materie behoeft en niets anders. Met andere woorden, volgens kapitalisme wordt
de mens in zijn leven voortgedreven enkel en allen door materiële behoeftes, en
alles wat hij doet kent volgens kapitalisme dus als doel om materieel profijt
te realiseren voor zichzelf. Dus zelfs wanneer de mens aan liefdadigheid doet,
dan doet hij dit volgens kapitalisme om materieel profijt voor zichzelf te
realiseren, bijvoorbeeld om een goed imago op te bouwen waardoor meer mensen
handel met hem zullen willen drijven of om te voorkomen dat de arme mensen van
hem zullen willen stelen.
Volgens kapitalisme zijn alle mensen gelijk zowel voor wat betreft de
reden voor hun gedrag, oftewel de materiële behoeftes, als voor wat betreft de
focus van hun gedrag, oftewel de verlangens. Zowel oorzaak als focus van het
gedrag wordt namelijk verklaard door de menselijke natuur. De materiële
behoeftes zijn de oorzaak van het menselijke gedrag, en zij zijn onderdeel van
de menselijke natuur. En de verlangens bepalen de focus van het gedrag, en ook
de verlangens zijn onderdeel van de menselijke natuur. Dus dat alle mensen
behoefte hebben aan voeding verklaart het kapitalisme door de menselijke
natuur. Maar ook dat bijvoorbeeld de ene persoon een voorkeur heeft voor zoet,
terwijl een ander een voorkeur heeft voor zuur, heeft volgens kapitalisme te
maken met de natuur van het individu. Dit wordt aangeboren verondersteld en dus
onveranderbaar.
Omdat volgens kapitalisme de mens enkel materiële behoeftes kent beweert
het dat geluk resulteert uit de bevrediging van de materiële behoeftes. Wanneer
de mens zijn materiële behoeftes bevredigt op de manier waarnaar hij verlangt,
dan zal hij zich gelukkig voelen. En volgens het kapitalisme zal hij meer
gelukkig zijn naarmate hij meer zijn behoeftes bevredigt op de manier waarnaar
hij verlangt, oftewel naarmate hij meer van zijn verlangens realiseert.
Verder stelt het kapitalisme dat deze materiële behoeftes oneindig zijn.
Als een behoefte in een specifiek verlangen resulteert, dan zal na realisatie
van dit verlangen, oftewel bevrediging van de behoefte, dezelfde behoefte een
nieuw verlangen doen resulteren. Dus, zo stelt kapitalisme, totale
gelukzaligheid zal de mens nooit ervaren. Hoeveel van zijn verlangens de mens
ook moge realiseren, hij zal altijd nog meer verlangen omdat zijn behoeftes
nooit volledig bevredigd zullen zijn.
Definiëring van het
fundamentele economisch probleem
Daar iedere economie bestaat uit een
eindige voorraad productie middelen, is het maximum dat door een economie
geproduceerd kan werden eveneens eindig. Omdat kapitalisme de behoeften
daarentegen als onverzadigbaar en dus oneindig beschouwt, stelt kapitalisme dat
totale bevrediging van de menselijke behoeften onmogelijk tot stand kan worden
gebracht. De redenatie achter dit idee is als volgt. Uit
een begrensde voorraad productie middelen kan per definitie enkel een begrensd
aanbod van middelen ter bevrediging van de behoeften van de mens resulteren.
Tegelijkertijd zijn de behoeften van de mens oneindig, en dus is de vraag naar
middelen ter bevrediging van de behoeften van de mens oneindig. Daarom zal het
aanbod van middelen ter bevrediging van de menselijke behoeften altijd minder
zijn dan de vraag. Dit is waarom de kapitalisten zeggen dat er altijd relatieve
schaarste zal bestaan. Hoeveel er ook aangeboden worden, de behoeften zullen
altijd groter zijn. En dit is volgens het kapitalisme het fundamentele economische
probleem: een oneindige behoefte aan goederen en diensten versus een van nature
beperkt aanbod van goederen en diensten.
Volgens kapitalisme moet het doel van het economisch systeem derhalve
zijn om de beschikbaarheid van de goederen en de diensten die de menselijke
behoeften bevredigen te maximaliseren. Omdat dit de relatieve schaarste zal
minimaliseren en de mensen in staat zal stellen hun behoeften te bevredigen tot
het maximaal mogelijke.
De methode van kapitalisme (de
vrije markt en het prijsmechanisme)
De economische leer van kapitalisme is voortgekomen uit het credo van
kapitalisme, zijnde het idee van scheiding van kerk en staat, oftewel scheiding
van religie en het leven. Dit credo is in feite het geloof dat zegt dat de mens
zelf de verantwoordelijkheid moet nemen voor de ontwikkeling van de systemen
die noodzakelijk zijn om de samenleving mee te ordenen, en om de problemen die
horen bij het leven van de mens mee op te lossen. Voor wat betreft het
economisch leven van de mensen zegt kapitalisme dat relatieve schaarste het
probleem is, wat te maken heeft met de kapitalistische aannames betreffende de
realiteit van de mens. Deze probleemstelling probeert het kapitalisme
vervolgens op te lossen middels een doelstelling die zegt dat de productie
gemaximaliseerd moet worden. Oftewel, al de productiemiddelen moeten op de
meest productieve manier benut worden. Het economisch systeem van kapitalisme
probeert dit te realiseren om zo het economisch probleem op te lossen.
De essentie van het economisch systeem van kapitalisme is het
prijsmechanisme. Het idee van het prijsmechanisme begint met een definiëring
van de term "waarde", waarover kapitalisme zegt dat dit het nut is dat een
individu hecht aan een goed of dienst. Anders gezegd, de waarde van een goed of
dienst wordt bepaald door de mate waarin deze het verlangen van het individu
bevredigt. Deze definiëring betekent dat waarde volgens kapitalisme individueel
bepaald wordt, en dus een subjectief oordeel is. Kapitalisme zegt verder
betreffende waarde dat deze kan variëren afhankelijk van de situatie. De waarde
die een individu hecht aan een bepaald goed of een bepaalde dienst is volgens
kapitalisme afhankelijk van de hoeveelheid waarover hij reeds beschikt, namelijk.
Als het individu in reactie op de ervaring van een verlangen al veel van een
goed of dienst geconsumeerd heeft, dan zal de consumptie van een extra eenheid
van dit goed of dienst een kleinere waarde representeren voor het individu dan
wanneer hij nog maar weinig of zelfs niets van dit goed of dienst geconsumeerd
heeft.
Deze waarde kan in relatieve termen uitgedrukt worden, bijvoorbeeld
door te zeggen "het eten van één appel zou mij evenveel bevredigen als het eten
van twee mandarijnen". In dit geval wordt gesproken van de "ruilwaarde" van een
goed of dienst. Indien deze ruilwaarde gebruikt maakt van geld als vergelijkingsmiddel,
zoals plaatsvindt wanneer men zegt "één appel is voor mij één euro waard (omdat
ik met één euro twee mandarijnen kan kopen, en het eten van twee mandarijnen
bevredigt mij evenveel als het eten van één appel)", dan wordt de ruilwaarde
"prijs" genoemd.
Volgens het kapitalisme is de prijs hetgeen maximale bevrediging van de
menselijke behoeften mogelijk maakt, doordat deze ervoor zorgt dat de waarde
van productie gemaximaliseerd wordt. Dit is het prijsmechanisme en dit werkt
als volgt. Iedereen probeert altijd de bevrediging van zijn behoeftes te
maximaliseren. Dit betekent dat in de rol van producent - hetzij als bezitter
van (een deel van) de productiecapaciteit of als arbeider binnen het
productieproces - ieder individu zal proberen om een zo groot mogelijke waarde
te produceren. De waarde van het door hem geproduceerde representeert namelijk
zijn inkomen. En het inkomen stelt het individu in staat om te consumeren. Het
individu kan zijn productie zelf consumeren om zijn verlangens te bevredigen,
maar hij kan deze productie ook ruilen of verkopen om zo de consumptie van
andere goederen en diensten mogelijk te maken. De prijzen van goederen en
diensten beïnvloeden derhalve de productie. Als de prijs van een goed stijgt terwijl
de prijzen van alle andere goederen gelijk blijven, dan zullen de producenten
aangespoord worden om meer van dit goed te produceren, door minder van de
andere goederen wiens prijzen gelijk zijn gebleven te produceren, omdat dit hun
totale inkomen zou vergroten. En het tegenovergestelde zou plaatsvinden indien
de prijs van een goed daalt terwijl de prijzen van alle andere goederen gelijk
blijven.
In de rol van consument zal ieder individu een afweging maken tussen de
prijzen van de goederen en diensten en de waarde die hij toeschrijft aan de
goederen en diensten. Ieder individu zal namelijk proberen zijn inkomen te
besteden op de manier die zijn verlangens maximaal bevredigt. Dus als een
individu twee verschillende goederen evenveel waarde toeschrijft, terwijl het
ene goed duurder is dan het andere goed, dan zal het individu er voor kiezen om
het goedkopere goed te consumeren. In dit geval zal hij namelijk het minste
inkomen kwijt zijn aan de bevrediging van zijn behoefte. Zo zal ook de vraag
naar goederen en diensten beïnvloed worden door de prijs. Als de prijs van een
goed daalt terwijl de prijzen van alle andere goederen gelijk blijven, dan zal
het individu gemotiveerd worden om meer van dit goed te consumeren. Hij zou de
consumptie van andere goederen en diensten die hij van gelijke waarde acht als
het goed wiens prijs is gedaald laten afnemen, om meer van het goed te
consumeren wiens prijs gedaald is. Zo zou hij namelijk meer kunnen consumeren
en dus zijn verlangens meer kunnen bevredigen, binnen de beperkingen die zijn
inkomen hem stelt.
Volgens kapitalisme zorgt het prijsmechanisme er zo voor dat op de markt
altijd evenwicht van vraag en aanbod bestaat. Bij iedere prijs van de goederen
en diensten zullen zowel de aanbieders als de vragers beslissen wat zij zullen
aanbieden dan wel vragen. En als er bij een prijsset dan geen evenwicht is, dan
zullen de prijzen veranderen totdat er wel evenwicht is. Op basis van het nut
dat individuen aan een specifiek goed toekennen wordt dit goed namelijk een
bepaalde waarde ten opzichte van de andere goederen toegewezen. Afhankelijk van
de prijs voor dit goed, en de prijzen voor alle andere goederen, zal dan een
bepaalde vraag naar dit goed resulteren. Afhankelijk van de prijs zal ook een
bepaald aanbod van dit goed tot stand komen. De producenten zullen kijken naar
de prijzen van al de goederen en rekening houdende met de moeite die het kost
om de goederen en diensten te produceren, en zullen dan hun productiecapaciteit
zo inzetten dat de waarde van hun productie gemaximaliseerd is. Als er dan iets
gebeurd waardoor de vraag kleiner wordt dan het aanbod, bijvoorbeeld doordat de
verlangens van de mensen veranderen, dan zullen de aanbieders met elkaar
concurreren om toch al hun productie te kunnen verkopen. Hierdoor zal de prijs van
dit goed de neiging hebben om te dalen. En als de prijs van dit goed daalt
terwijl de prijzen van al de andere goederen gelijk blijven, dan zullen de
producenten de waarde van hun productie kunnen vergroten door minder van dit
goed te produceren en meer van de andere goederen en diensten. Zo zal dan ook
het aanbod van dit goed dalen, totdat vraag en aanbod weer in evenwicht zijn.
En als dan iets gebeurd waardoor het aanbod kleiner wordt dan de vraag, dan
zullen de consumenten met elkaar concurreren om toch maar het goed te kunnen kopen
en consumeren. Hierdoor zal de prijs van dit goed de neiging hebben om te
stijgen. En als de prijs van dit goed stijgt terwijl de prijzen van al de
andere goederen gelijk blijven, dan zullen de producenten de waarde van hun
productie kunnen vergroten door meer van dit goed te produceren en minder van
de andere goederen en diensten. Zo zal dan ook het aanbod van dit goed stijgen,
totdat vraag en aanbod voor alle goederen weer in evenwicht zijn. En op dit
evenwichtspunt zal de waarde van productie gemaximaliseerd zijn, omdat de
producenten bij iedere prijs hun productiewaarde proberen te maximaliseren. En
omdat de prijzen beïnvloedt worden door de vraag, en omdat de vraag beïnvloedt
wordt door de verlangens, zal op het evenwichtspunt ook de bevrediging
van de verlangens gemaximaliseerd zijn.
Kritiek op de kapitalistische
economische theorie betreffende de menselijke behoeftes
Het menselijk gedrag kent meer doelstellingen dan enkel de bevrediging
van materiële behoeftes. Een categorisatie van het menselijke gedrag naar
doelstelling zal dit duidelijk maken. Wanneer de mens eet of drinkt, dan is
duidelijk dat dit te maken heeft met de menselijke behoefte aan eten en
drinken. Behoeften die bevredigd moeten worden wil de mens zijn leven in stand
houden. Hetzelfde geldt voor de handelingen van ademen, slapen en ontlasten. Bij deze
handelingen probeert de mens zijn behoefte aan respectievelijk zuurstof,
ontlasting en slaap te bevredigen. En ook voor deze behoeftes geldt dat hun
bevrediging vereist is wil de mens in leven blijven. Deze behoeften aan
voeding, zuurstof, slaap en ontlasting horen bij het menselijke organisme,
waarom zij de organische behoeften genoemd kunnen worden.
Maar niet al de handelingen van de mens kunnen verklaard worden als een
poging deze organische behoeftes te bevredigen. Bijvoorbeeld, wanneer een moeder haar
eigen leven waagt om het leven van haar kind te beschermen, dan kan dit
onmogelijk verklaard worden door verwijzingen naar de organische behoeften. En
wanneer de mens bij de ervaring van een bedreiging reageert door te vluchten of
door te vechten, dan kan ook dit niet toegeschreven worden aan de ervaring van
één van de organische behoeften. Gezien zijn gedrag kent
de mens dus nog meer drijfveren dan enkel de organische behoeften. Ten eerste
is er het voortplantingsinstinct, wat zich op verschillende manieren openbaart.
Het uit zich vanzelfsprekend in het verlangen naar nageslacht, maar het uit
zich tevens middels vader- en moedergevoelens, zijnde het verlangen het
nageslacht te beschermen; en middels het verlangen naar liefde van ouders en
andere familieleden; en middels het verlangen naar seksuele relaties; en middels het
verlangen naar genegenheid, geborgenheid en liefde. Er is
ook overlevingsinstinct, het verlangen tot overleven. Dit verlangen uit zich
ondermeer wanneer het leven bedreigd wordt, in angst of agressie. Maar het uit
zich eveneens middels het verlangen tot totstandbrenging van bezit, het
verlangen naar autoriteit en macht, en het verlangen naar acceptatie door de
gemeenschap (groepsgevoel). Ten slotte verricht de mens ook handelingen op het moment dat hij zich
onmachtig voelt, op het moment dat de mens zich zijn eigen onmacht, afhankelijkheid
en behoeftigheid realiseert. In die gevallen, namelijk, zoekt de mens naar
leiding en advies. Zoals de tiener die een brief schrijft aan een beroemde popster
of atleet, en hem of haar zijn probleem voorlegt met een smeekbede tot raad,
tot advies, tot hulp. Of zoals de man die te rade gaat bij de geschriften van
zijn persoonlijke held, de grote filosoof of de stichter van de natie waarvan
hij zich deel voelt. Deze handelingen zijn in feite een vorm van aanbidding,
indien men aanbidding ruimer definieert als het zoeken naar leiding en het
vereren van degene die als leider geaccepteerd wordt. Want dit is waarom de
gelovige gelovig is: hij acht zichzelf geschapen, zwak en afhankelijk; hij
zoekt leiding en hulp bij Degene die hij verantwoordelijk acht voor de
schepping; en hij vereert Deze in de hoop Zijn leiding en hulp te mogen
ontvangen.
Vanuit dit perspectief komt
al het menselijke gedrag dus voort uit één van zeven mogelijke drijfveren.
Enerzijds de vier organische behoeften, te weten de behoefte aan voeding,
zuurstof, slaap en ontlasting. En anderzijds de instincten, te weten het
overlevinginstinct, het voortplantinginstinct en het aanbiddinginstinct. Deze
categorisatie maakt heel duidelijk dat het menselijke gedrag meer probeert te
realiseren dan enkel materieel profijt. De mens zoekt middels zijn gedrag naast
materieel profijt tevens ondermeer liefde en geborgenheid, leiding en de
behaging van degene die hij respecteert/aanbidt. De aanname
van kapitalisme dat de behoeften van de mens allen zuiver materieel zijn, en
dat de verlangens van de mens dus enkel en alleen uitgaan naar materieel gewin,
conflicteert dus met hetgeen in de praktijk waar genomen kan worden.
Betreffende de realiteit van menselijke behoeften, sommigen van hen
zijn dus organisch en anderen zijn instinctief. Het verschil tussen hen is dat
bevrediging van de organische behoeften noodzakelijk is om het leven in stand
te houden, terwijl naar bevrediging van de instinctieve behoeften gezocht wordt
om geluk te kunnen vinden. Het niet bevredigen van de instinctieve behoeften
doet niet de dood resulteren, maar geeft de mens het gevoel ongelukkig te zijn.
En voor wat betreft de organische behoeften, zij zijn wel degelijk eindig en
niet oneindig zoals kapitalisme beweert. De hoeveelheid die een mens moet eten
of ademen of slapen of ontlasten is begrensd, en de hoeveelheid die een mens
kan eten of ademen of slapen of ontlasten is eveneens begrensd. Dat veel mensen
over meer eten willen beschikken dan zij zelf op kunnen eten heeft niets met de
organische behoefte aan eten te maken, maar met het overlevingsinstinct. Dit
resulteert uit de instinctieve behoefte aan bezit die voortkomt uit het
overlevingsinstinct, want kan in de mens een verlangen naar alsmaar meer bezit naar
boven brengen. Maar het is niet de organische behoefte aan voeding die hiervoor
verantwoordelijk is.
Kritiek op de kapitalistische
economische theorie betreffende de verlangens
Kapitalisme kijkt naar de verlangens zoals ze zijn en denkt dan na over
het faciliteren van bevrediging van de vraag die hieruit resulteert. Dit is een
uiting van het feit dat kapitalisme de verlangens aangeboren veronderstelt en
dus onveranderbaar. In werkelijkheid, echter, zijn de verlangens niet
aangeboren en onveranderbaar. Het bewijs hiervoor is in de waarneming dat veel
mensen hun verlangens hebben veranderd, zoals de westerse persoon die moslim
wordt en dan een afkeer voor alcohol en varkensvlees ontwikkelt terwijl hij
hier eerder van smulde. Er kan zelfs waargenomen worden dat ganse samenlevingen
binnen één generatie hun verlangens veranderen, zoals in Groot-Brittannië waar
een meerderheid van vrouwen er nu naar verlang om terug huisvrouw te kunnen
zijn in plaats van werkende moeder, terwijl zij opgroeiden op het moment dat
vrouwen verlangden naar verlossing van het aanrecht en deelname aan het
arbeidsproces.
Verlangens komen in werkelijkheid niet voort uit de menselijke natuur. De
behoeften hebben te maken met de menselijke natuur. Maar de focus van het
gedrag in reactie op de ervaring van de behoefte, oftewel het verlangen, komt
voort uit enerzijds de ideeën die een mens geadopteerd heeft en als juist heeft
beoordeeld, en anderzijds de gewoonte.
Als iemand over een bepaald feit waarmee hij zijn behoeften kan
bevredigen een positieve opvatting heeft, dan zal hij hierdoor een verlangen
koesteren naar dit feit. Dus als iemand alcohol positieve associaties toekent,
zoals dat het meer vertrouwen geeft, dat het ontspannen werkt en dat het goed
smaakt, dan zal hij ten gevolge hiervan verlangen naar alcohol om zijn dorst
mee te lessen en om zijn avances richting het andere geslacht te ondersteunen.
En de persoon die negatieve associaties toekent aan alcohol, zoals dat het
giftig en ongezond is en de geestelijke controle doet verliezen, zal hierdoor
een afkeer hebben van alcohol. Maar ideeën betreffende feiten kunnen veranderd
worden. Daarom bestaat er zoiets als marketing, en daarom kunnen de verlangens
van mensen ook veranderd worden.
Naast de ideeën spelen ook de gewoontes een rol bij de verlangens. Als
iemand ten gevolge van de adoptie van een specifiek idee betreffende een feit
lange tijd hetzelfde gedrag heeft verricht, dan wordt het gedrag meestal niet
direct veranderd na verandering van het idee. Het vereist namelijk oefening om
de gewoonte veranderen, en zolang de gewoonte niet veranderd wordt tot in
overeenstemming met het nieuw geadopteerde idee, kan de mens gedrag blijven
vertonen dat gebaseerd is op het oude idee. Zoals iemand die het nut van
studeren niet inzag en daarom niets deed op school, nadat hij het nut van
studeren wel ingezien heeft nog steeds niets doet op school omdat hij dit nu
eenmaal als gewoonte heeft ontwikkeld.
Een verdere onjuistheid in de kapitalistische theorie omtrent
verlangens is de afwezigheid van iedere vorm van moraliteit. Zoals gezegd,
kapitalisme kijkt naar de verlangens zoals ze zijn en denkt dan na over het
faciliteren van bevrediging van de vraag die hieruit resulteert, omdat
kapitalisme de verlangens aangeboren veronderstelt en dus onveranderbaar.
Echter, omdat de verlangens dus niet onveranderbaar zijn, zou eigenlijk eerst
de wenselijkheid van het verlangen onderzocht moeten worden alvorens na te
denken over het faciliteren van bevrediging van het verlangen. Anders gezegd,
men zou eerst de vragen moeten onderzoeken "is bevrediging van dit verlangen
wel goed voor het individu?" en "is bevrediging van dit verlangen wel goed voor
de samenleving?". En als het verlangen geacht wordt het individu en de
samenleving niet te schaden, dan pas moet nagedacht worden over het faciliteren
van bevrediging van de vraag die hieruit resulteert.
Kritiek op de probleemstelling
en doelstelling van kapitalistische economie
De probleemstelling van kapitalisme, relatieve schaarste, is onjuist
omdat deze niet overeenstemt met de waarneembare realiteit van de behoeftes van
de mens. Van de behoeften die onderdeel zijn van de menselijke natuur zijn er
immers sommigen wier bevrediging noodzakelijk is om het leven te continueren,
en anderen wier bevrediging niet noodzakelijk is om het leven te kunnen
continueren. Dit betekent dat in weerwil van wat kapitalisme beweert, het echte
fundamentele economische probleem beperkt is tot sommigen van de behoeften, te
weten de primaire behoeften wier bevrediging noodzakelijk is om het leven te
continueren. En voor wat betreft deze behoeften geldt dat zij wel degelijk
eindig zijn, en niet oneindig zoals kapitalisme beweert. Men kan namelijk maar
een bepaalde hoeveelheid eten en drinken, en met een beperkte hoeveelheid eten
en drinken worden honger en dorst gestild. Honger en dorst zijn dus niet
oneindig maar eindig en er bestaat betreffende deze behoeften dus geen
relatieve schaarste, hoogstens absolute schaarste. Echter, ondermeer volgens de
Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties wordt er op dit moment meer
dan genoeg voedsel geproduceerd om al de mensen op aarde te kunnen voeden [3]. Er
bestaat voor wat betreft de primaire behoeften van de mens dus geen relatieve
schaarste op dit moment, noch absolute schaarste.
Omdat de kapitalistische probleemstelling dus onjuist is, is de
doelstelling van het kapitalisme - vergroting van de beschikbaarheid van
middelen ter bevrediging van de behoeften middels toename van de productie -
vanzelfsprekend eveneens onjuist. Als het probleem niet bij de beschikbaarheid van
de middelen ter bevrediging van de behoeften ligt, dan zal toename van de beschikbaarheid
van de middelen ter bevrediging van de behoeften niets uithalen. Het werkelijke
economische probleem betreft de allocatie van de beschikbare middelen ter
bevrediging van de primaire behoeften over de mensen. In de rijke wereld, bijvoorbeeld,
vindt 80% van alle consumptie in de wereld plaats. Terwijl er slechts 16% van
alle mensen wonen [4].
Tevens word de helft van deze consumptie uiteindelijk gewoon weggegooid [5]. Bovendien
wordt een groot deel van de middelen op aarde gebruikt voor de productie van
niet-essentiële zaken. Landbouwgrond en water worden bijvoorbeeld in grote
hoeveelheden gebruikt voor de productie van luxeartikelen zoals biobrandstof.
De beschikbare middelen ter bevrediging van de primaire behoeften van de mens
worden dus niet op de juiste benut en ingezet. En enkel daarom leiden bijna één
miljard mensen iedere dag honger [6]. Terwijl
tegelijkertijd meer dan 400 miljoen mensen gevaarlijk dik zijn [7].
Niet alleen heeft kapitalisme het fundamentele economisch probleem niet
juist gedefinieerd, het hanteert bij de bepaling van het probleem ook niet het
individu als onderwerp maar de samenleving. En dit is incorrect, omdat in
werkelijkheid de behoeften van mensen die bevredigd moeten worden individuele
behoeften zijn. Zij zijn de behoeften van Klaas, Sonja, Ahmed, Jan en Fatima.
Niet de behoeften van een groep, volk of natie als geheel. Degene die
bevrediging van behoefte nastreeft is een individu. Dit is de realiteit. Het
economisch probleem, derhalve, betreft niet de behoefte van de natie of het
volk maar de behoefte van het individu. Ook vanwege deze onjuistheid in de
definiëring van het economisch probleem slaat de doelstelling van kapitalisme,
toename van de productie, de plank volledig mis. Men kan de productie in een
land wel laten toenemen, maar als er niet voor gezorgd wordt dat al de
individuen die de samenleving van dit land uit maken uit deze productie krijgen
wat zij nodig hebben dan blijft armoede bestaan. En dan ontstaat de situatie
dat een land weliswaar ontzettend rijk kan zijn in productie, zoals Amerika, of
in natuurlijke voorziening, zoals Indonesië, maar dat in deze landen armoede
voor het individu toch alomvattend aanwezig is.
Kritiek op de kapitalistische
definiëring van waarde
De kapitalistische theorie betreffende waarde is onjuist omdat deze er
van uitgaat dat waarde een subjectief en relatief iets is. Het is subjectief
omdat volgens kapitalisme de waardebepaling van persoon tot persoon kan
verschillen, en relatief omdat de waardebepaling afhankelijk is van de
hoeveelheid waarover het individu beschikt op het moment dat hij de waardebepaling
doet. Dit is incorrect omdat de waarde van een goed of dienst afgemeten zou
moeten worden aan haar capaciteit om een behoefte te bevredigen. Bijvoorbeeld
de menselijke behoefte aan voeding kan uitgedrukt worden in kilocalorieën, en
voor ieder voedingsmiddel kan berekend worden hoeveel kilocalorieën aan energie
(voedingswaarde) deze verschaft. En dit is dan voor ieder mens gelijk, altijd.
Het is onafhankelijk van wie precies het voedingsmiddel eet, ongeacht of de
etende persoon nu extreme honger heeft of met een buik vol rondloopt. Het is dus
niet zo dat een goed of dienst in steeds mindere mate een behoefte kan
bevredigen naarmate men het meer consumeert. Het is eerder dat het verlangen
dat resulteert uit de menselijke behoefte afneemt naarmate men meer middelen
ter bevrediging van deze behoefte nuttigt. In de realiteit is waarde dus een
constante en niet subjectief of relatief. Het is de mate waarin een goed of
dienst een behoefte kan bevredigen, welke men vaststelt op het moment van
productie van het middel en waarbij men eventuele schaarste mee in ogenschouw
neemt.
Kritiek op de methode van
kapitalisme (de vrije markt en het prijsmechanisme)
Volgens kapitalisme brengt het prijsmechanisme de juiste allocatie van
de productiecapaciteit tot stand, waardoor de waarde van de productie
gemaximaliseerd wordt bij de bestaande vraag. De verdeling van deze welvaart vindt
niet plaats op basis van behoeften van de individuen binnen de samenleving,
maar op basis van wat een individu bijdraagt aan productie. Met andere woorden,
de allocatie van middelen over de samenleving vindt plaats op basis van wat een
individu bezit aan productiemiddelen zoals land en kapitaal, of op basis van
wat hij bijdraagt in de vorm van arbeid, want enkel dezen bepalen in
kapitalisme het inkomen. En het inkomen bepaalt hoeveel precies een individu
zich toe kan eigenen van de productie
Dit impliceert dat de persoon die niet deelneemt aan productie, of hij
nu kampt met aangeboren fysieke of mentale afwijkingen of niet, niet zal delen in
de welvaart van de natie. Hij zal niet de middelen ter bevrediging van zijn
behoeften vergaren, met andere woorden. En de persoon die geboren wordt als
intelligent en sterk, en die dus in staat is meer bij te dragen aan productie, die
zal een groter deel van de welvaart van de natie vergaren. Net zo zal het
individu dat meer gemotiveerd is tot het vergaren van materiële welvaart, meer
van de welvaart van de natie vergaren dan degene die zijn materiële behoeften
beheerst en in plaats hiervan zich in zijn handelingen laat leiden door een
spiritueel of moreel motief. Dus volgens kapitalisme is het geen probleem
wanneer sommige mensen meer dan genoeg hebben terwijl andere te weinig hebben,
of wanneer sommige mensen alles hebben terwijl andere niets hebben, als dit de
uitkomst is van het prijsmechanisme. Hieruit blijkt dat volgens het kapitalisme
een mens het niet verdient in leven te zijn als hij niet in staat is bij te
dragen aan productie. Deze visie verwijst nobele, altruïstische motieven tot
handelen naar de zijlijn en laat de mensen een leven leiden dat beheerst wordt
door het verlangen materiële welvaart te vergaren. En niets is meer destructief
voor de samenleving dan dit.
Kritiek op het uitgangspunt van
kapitalisme (secularisme)
Het seculier idee dat de mens zelf de
systemen moet ontwikkelen om de problemen die horen bij het leven op te lossen,
is een incorrect idee dat de verstandelijke beperkingen van de onderschat of
negeert. De realiteit is namelijk dat de mens niet in staat is een nauwkeurig
systeem te ontwikkelen waarin zich geen tegenstrijdigheden bevinden en dat al
de mogelijke problemen op kan lossen. Het feit dat in de landen die kapitalisme
geïmplementeerd hebben de wetten voortdurend veranderd worden, omdat zij toch
niet blijken te werken zoals de politici hadden gehoopt of gedacht, bewijst
dit.
En de kredietcrisis bewijst dit. Henry
(Hank) Paulson zei aan het einde van zijn termijn van verantwoordelijkheid als Amerikaans
minister van financiën: "Ik heb regelgeving persoonlijk van dichtbij (in actie) gezien.
(...) En ik heb me gerealiseerd hoe beperkt het is en hoe onvolmaakt, maar hoe
noodzakelijk het is." Met andere woorden, hij erkent dat de regelgeving
waar de mens mee aan komt altijd beperkt en onvolmaakt is, omdat de mens niet
beter kan dan beperkt en onvolmaakt. Paulson zei ook: "Wij liepen altijd
achter de feiten aan. Wij zagen het probleem, maar het kostte ons een tijdje om
de ernst van het probleem in te zien." Met andere woorden, hij erkent dat
het menselijke verstand niet in staat is oplossingen te bedenken voordat het
probleem ervaren wordt. Wat betekent dat in het seculiere kapitalisme het
systeem altijd achter de problemen aanloopt. Of anders gezegd, problemen kunnen
nooit preventief opgelost worden in dit systeem. Ten slotte erkende Paulson dat
er sommige dingen zijn die het menselijke verstand niet op kan lossen omdat het
hier niet toe in staat is: "Maar zelfs als wij meer helderziende waren
geweest, dan nog zouden we niet staat zijn geweest dingen anders te doen dan we
nu gedaan hebben." [8]
[1] www.globalissues.org
[2] Ibidem noot 1
[3] www.ens-newswire.com/ens/aug2008/2008-08-22-01.asp
[4] www.earthtrends.wri.org/features/view_feature.php?theme=6&fid=7
[5] Ibidem not 3
[6] www.fao.org/newsroom/common/ecg/1000923/en/hungerfigs.pdf
[7] www.who.int/mediacentre/factsheets/fs311/en/index.html
[8] www.washingtonpost.com/wp-dyn/content/story/2008/11/17/ST2008111703825.html
|