|
Inleiding
Volgens sommigen is het
woord "crisis" afkomstig van het Griekse woord krinomai, wat
"onderscheiden", "opdelen", "beslissen" en "oordelen" betekent. Vanuit het
Grieks is het woord in de Nederlandse taal opgenomen geworden, waarin het de
betekenis "gevaarlijke toestand" heeft gekregen. Het wordt gebruikt voor een
noodsituatie waarin het normaal functioneren van een systeem verstoort raakt,
en waarbij het onduidelijk is of het systeem de verstoring te boven zal komen
of eraan ten onder zal gaan. Met deze betekenis wordt het woord al langer
gebruikt in de medische wetenschap, want "crisis" wordt daar gebruikt voor de
aanduiding van het moment waarop de toestand van een patiënt veranderd zonder
dat men op dat moment kan aangeven of de verandering uiteindelijk een
verbetering of een verslechtering zal zijn.
In het jargon van de
economische wetenschap wordt het woord sinds het midden van de 19e
eeuw gebruikt, en heeft het een specifiek eigen betekenis gekregen. Een crisis
is volgens economen een economische situatie waarin het economisch welzijn van
een samenleving plotsklaps verandert, van een staat van groei van de economische
activiteit naar een staat van krimp van de economische activiteit over een
langere periode (ten minste 6 maanden).
Alhoewel de
kredietcrisis een economisch probleem is wordt n de term "kredietcrisis"
gebruik gemaakt van de letterlijke betekenis van het woord crisis, en niet de
betekenis die de economische wetenschappers er aan gegeven hebben voor hun
wetenschap. Want er wordt niet gesproken van "kredietcrisis" omdat er ten
gevolge van (problemen met) kredieten, oftewel schulden, een omslag in het
economisch welzijn van een samenleving plaats heeft gevonden. Er wordt over
kredietcrisis gesproken omdat er ten gevolge van (problemen met) kredieten een
ernstige verstoring van het normaal functioneren van het kapitalistische
economische systeem opgetreden is. Een verstoring die zo hevig is dat er
getwijfeld wordt of het systeem de verstoring te boven zal kunnen komen, of dat
het aan de verstoring ten onder zal gaan. Een verstoring ook die een maximale
inspanning vereist van eenieder die belang heeft bij het correct functioneren
van het kapitalistische economische systeem, om te proberen de ondergang van dit
systeem te voorkomen.
Derhalve moet gezegd
worden dat de kredietcrisis een existentiële crisis is, een crisis die het
voortbestaan van het systeem bedreigt. Dit type economische crisis kan twee
oorzaken hebben. Het kan veroorzaakt worden door een externe gebeurtenis die
het systeem doet wankelen, en een voorbeeld hiervan is de oorlog gevoerd door
de Britten, Franse, Italianen en Russen tegen de Islamitische Staat Al Khilafa
aan het begin van de 20e eeuw. Deze oorlog bracht de Islamitische Staat
Al Khilafa aan het wankelen en deed deze zelfs ten onder gaan. Oftewel, in dit
geval zorgden externe invloeden ervoor dat de systemen van Islam opgeschort werden
en dat kapitalisme geïmplementeerd werd in de landen van de moslims.
Maar de existentiële
crisis kan ook veroorzaakt worden door een interne gebeurtenis. Dit is waar het
systeem zelf een bepaalde situatie doet ontstaan die haar ernstig ontwricht. En
dit is in feite wat zich voorgedaan heeft bij de kredietcrisis. Omdat in
kapitalisme geld is gebaseerd op schuld heeft de schuldmassa in de economie
zulke proporties aangenomen dat het een probleem is geworden voor het
economisch systeem dat deze schuld tot stand heeft gebracht. De schuldmassa
heeft namelijk het voortbestaan van de banken, die in kapitalisme de bron van
schuld zijn, onzeker gemaakt. En het heeft daardoor de ganse economie aan de
rand van de afgrond gebracht. Verder heeft kapitalisme naast de reële economie
een financiële, virtuele economie gecreëerd, die volledig los staat van de reële
economie alhoewel deze op de reële economie is gebaseerd. Oftewel, de
verhandelingen van rechten en plichten over goeden en diensten zijn een leven
gaan leiden dat niets meer te maken heeft met de verhandeling van goederen en
diensten waarop zij eigenlijk gebaseerd zijn. Dit heeft de mensen laten denken
dat zij alsmaar rijker werden, terwijl dit in de realiteit niet zo was. En het
moment waarop duidelijk werd dat de rijkdom imaginair was en niet reëel, bracht
de wereldeconomie eveneens naar de rand van de afgrond. Dit heeft zulke
verstrekkende gevolgen voor het economisch welzijn van de mensen dat velen zijn
aangezet tot twijfel betreffende de juistheid van het economisch systeem van
kapitalisme. Hierdoor is dan weer het voortbestaan van het economisch systeem
van kapitalisme onzeker geworden, en is de mogelijkheid ontstaan dat het ten
onder zou kunnen gaan.
Kapitalisme: economie gebaseerd op schuld
Het economisch leven in
kapitalisme is volledig gebaseerd op schuld, omdat zowel investeringen als consumptie
gefinancierd worden middels schuld. De primaire reden hiervoor is de realiteit
van geld in kapitalisme. Kapitalisme maakt gebruik van geld zonder intrinsieke
waarde. Dit betekent dat het geld in zichzelf niets waard is. De instantie die
het geld in omloop heeft gebracht, de Centrale Bank, heeft verklaard dat het
geld een bepaalde koopkracht vertegenwoordigt, en de mensen hebben hier vertrouwen
in. Daarom heeft het geld zonder intrinsieke waarde in de praktijk een waarde,
omdat de mensen er een waarde aan toeschrijven.
Dit geld bestaat in twee
vormen. Het bestaat in fysieke vorm en in elektronische vorm. De fysieke vorm
zijn de munten en de papieren die voor geld doorgaan. De elektronische vorm is
de bankrekening. Voor wat betreft het fysieke geld, de verantwoordelijkheid om
dit te (laten) maken ligt bij de Centrale Bank. Het ligt gewoonlijk te wachten
in de kluizen van de Centrale Bank en komt in omloop wanneer mensen dit geld
lenen bij de Centrale Bank middels tussenkomst van een commerciële bank. De
commerciële bank krijgt van de Centrale Bank fysiek geld als het belooft dit
geld in de toekomst terug te zullen betalen met rente. En de bedrijven en
individuen in de samenleving krijgen dit fysieke geld van de commerciële banken
als ze beloven dit geld in de toekomst terug te zullen betalen met rente. Dus
wanneer een bedrijf of individu naar een commerciële bank gaat om geld te
lenen, dan komt het fysieke geld in omloop in de economie.
Voor wat betreft het
elektronische geld, om dit te maken is enkel een computer en een
computersysteem nodig. Het komt eveneens in omloop wanneer commerciële banken
lenen bij de Centrale Bank. De Centrale Bank gebruikt dan zijn computer om het
getal op de rekening van de commerciële bank bij de Centrale Bank omhoog te
laten gaan, waarbij de commerciële bank belooft om op een moment in de toekomst
dit geld weer terug te storten, hetzij elektronisch hetzij fysiek, met rente.
De commerciële banken kunnen dit nieuwe, hogere getal dan verdelen over de
bedrijven en individuen die bij haar een rekening hebben, en dus het getal op
hun rekeningen verhogen. Waardoor het elektronische geld in omloop komt. Maar,
het elektronische geld kan ook in omloop komen zonder tussenkomst van de
Centrale Bank. Naast de Centrale Bank hebben namelijk ook de commerciële banken
het recht om uit het niets geld bij te schrijven op de rekening van haar
rekeninghouders. Ook de commerciële banken mogen hun computers gebruiken om
gewoon de getallen op de rekeningen van haar rekeninghouders omhoog te laten
gaan. En wanneer bedrijven of individuen leningen aangaan bij een commerciële
bank, dan is dit gewoonlijk hetgeen plaatsvindt: de commerciële bank doet het
getal op de rekening van het bedrijf of het individu gewoon toenemen, omdat het
bedrijf of het individu belooft dit geld in de toekomst terug te zullen geven
met rente.
In de kapitalistische
economie komt geld dus in omloop door schuld aan te gaan bij een bank. Dit
verklaart waarom het economisch leven in kapitalisme volledig is gebaseerd op
schuld, en waarom in de praktijk zowel investeringen als consumptie
gefinancierd worden middels schuld. Want in kapitalisme kan de economie enkel
aan geld komen door te lenen bij een bank.
In feite wordt hiermee
in piramidespel gecreëerd, omdat iedere munt in omloop op een gegeven moment
met rente terug betaald zal moeten worden. Het geld dat nodig is om de rente
mee te kunnen betalen komt echter pas in omloop wanneer een verdere lening
aangegaan wordt bij een bank. En ook die lening zal met rente terug betaald
moeten worden. En om die rente te kunnen betalen zal weer een verdere lening
bij de bank vereist zijn. Met andere worden, in het systeem waar geld op
rentedragende schuld gebaseerd is, daar zal de economie voortdurend extra
schuld aan moeten gaan.
Een economie kan dit vol
houden zo lang iedere geleende munt een groei van de productiecapaciteit doet
realiseren die groter of gelijk is aan de rente die betaalt zal moeten worden
over de geleende munt[1]. In dit
geval, namelijk, doet de geleende munt extra reële welvaart resulteren in de
vorm van goederen en/of diensten, die gebruikt kan worden om de verschuldigde
rente mee te betalen. Maar als, daarentegen, de geleende munt geen groei van de
productiecapaciteit doet resulteren, of een groei die minder waard is dan verschuldigde
rente, dan zal het systeem dat gebruik maakt van op schuld gebaseerd geld op
een gegeven moment imploderen. Een voorbeeld kan dit duidelijk maken.
Stel dat iemand 100
kippen heeft, die allen iedere dag één ei leggen. De productiecapaciteit van
deze kippen is derhalve 100 eieren per dag en de eigenaar van de kippen heeft
dus iedere dag 100 eieren te besteden. Per dag kan hij 100 eieren ruilen voor
al hetgeen hij nodig heeft.
Stel nu dat de eigenaar
van de kippen een lening van 100 munten aangaat bij de bank, om de stal waar
hij de kippen houdt iets te vergroten. Want door de vergroting van de stal zullen
de 100 kippen 110 eieren produceren iedere dag. De rente over de lening
bedraagt 8% per dag en moet over een periode van in honderd dagen terug betaald
worden. De eigenaar van de kippen zal na het aangaan van de lening honderd
dagen lang dus 9 eieren aan de bank moeten betalen, één als afbetaling en 8 als
rente. In deze situatie is de rentedragende schuld geen probleem omdat de
productiecapaciteit met 10 eieren per dag toegenomen is, terwijl de verschuldigde
aflossing en rente maar 9 eieren per dag is. Dus de lening heeft de eigenaar
van de kippen in staat gesteld zijn productiecapaciteit zoveel te laten
toenemen, dat zelfs na betaling van aflossing en rente zijn besteedbare inkomen
is toegenomen. Dat was vroeger 100 eieren per dag, maar dat is nu 101 eieren
per dag.
Maar stel dat de door de
vergroting van de stal de 100 kippen slechts 5 extra eieren zullen produceren,
dus 105 in totaal. In deze situatie zal het besteedbaar inkomen van de eigenaar
achteruit gaan door de lening. Zijn productiecapaciteit is met 5 eieren per dag
gegroeid, maar hij moet nu iedere dag 9 eieren betalen aan aflossing en rente.
Dus voor 100 dagen heeft hij nog maar 96 eieren per dag te besteden in plaats
van de 100 die hij eerst had. De handelaren bij wie de eigenaar vroeger zijn
100 eieren per dag kwam ruilen zullen hierdoor beïnvloed worden, want zij
zullen hierdoor minder handel kunnen drijven met de eigenaar van de kippen. Zo
zal de ganse economie beïnvloed worden.
Stel nu dat de boer met
het geleende geld niet zijn stal laat vergroten, maar dat hij een zwembad in de
tuin laat bouwen voor zichzelf en zijn vrouw. Er wordt door de lening dus in
het geheel geen groei van de productiecapaciteit gerealiseerd. In deze situatie
zal de boer voor 100 dagen nog maar 91 eieren per dag te besteden hebben, in
plaats van de 100 eieren die hij eerst had. De handelaren bij wie de eigenaar
vroeger zijn 100 eieren per dag kwam ruilen zullen hierdoor natuurlijk nog
sterker beïnvloed worden.
De realiteit van
kapitalisme is dat de meeste schuld niet de groei van de productiecapaciteit
realiseert die noodzakelijk is om de aflossing en rente te kunnen betalen
zonder dat het besteedbaar inkomen afneemt. De statistieken bewijzen dit (zie Grafiek
1 en Grafiek 2). De groei van de waarde van de productie in
bijvoorbeeld de Verenigde Staten, de grootste economie ter wereld, is de
voorbije 60 jaar relatief constant geweest (zie Grafiek 1). De groei van schuld
in de Verenigde Staten, daarentegen, is exponentieel gestegen (zie Grafiek 2).
Dit zegt dat alsmaar meer schuld nodig was om dezelfde groei van de economie te
doen realiseren.
Grafiek 1: Ontwikkeling
van de waarde Binnenlands Product van de Verenigde Staten, periode 1947 - 2007
(bron: www.economagic.com)
Grafiek 2: Ontwikkeling
van de waarde van "Household Debt" in de Verenigde Staten, periode 1952 - 2008
(bron: www.economagic.com)
Dit is in feite
vanzelfsprekend, omdat de schuld zowel investeringen als consumptie financiert.
Dus slechts een deel van de schuldgroei wordt gebruikt voor de investeringen
waarvan gedacht wordt dat zij de productiecapaciteit zullen laten toenemen. En
voor het deel van de schuldgroei dat wel voor investeringen wordt gebruikt
geldt dat het niet altijd de groei van de productiecapaciteit doet realiseren
die verwacht werd. Soms doet een investering tegen de verwachtingen in zelfs helemaal
geen groei realiseren. Dus het is volstrekt normaal dat op het totaal de groei
van de schuld meer zal zijn dan de groei van de totale productiecapaciteit.
In een dergelijke
situatie is er in de toekomst dus altijd minder welvaart beschikbaar voor
investering en consumptie dan vandaag de dag. Door te lenen in periode 2 zal de
totale waarde van investering en consumptie in periode 2 groter zijn dan in
periode 1. Men zal in periode 2 namelijk zowel de waarde van de productie
uitgeven als het geleende geld. Er zal in periode 2 dus economische groei
geweest zijn ten opzichte van periode 1. Maar indien de productiecapaciteit
niet genoeg groeit, dan zal in periode 3 een deel van de welvaartscreatie uitgegeven
moeten worden om de aflossing en rente te betalen over de schuld die in periode
2 aangegaan is. En dan zal er in periode 3 dus minder uitgegeven kunnen worden
aan investering en consumptie dan in periode 1. En veel minder dan in periode 2
toen men ook nog geleend geld uitgaf. In deze situatie waarin de lening niet
(voldoende) groei van de productiecapaciteit doet realiseren, is het
onvermijdelijk dat de rente en aflossing op de schuld van de eerdere periode de
uitgaven aan investering en consumptie in de huidige periode zal verdringen. Er
zal dan onvermijdelijk economische krimp zijn, met andere woorden. Tenzij natuurlijk
in periode 3 extra geleend wordt, om de afname in het besteedbare inkomen ten
gevolge van de rente en aflossing op de schuld uit periode 2 goed te maken. Om
investering en consumptie in periode 3 groter te laten zijn dan in periode 2 zal
nog meer extra geleend moeten worden. Ten eerste zal er dan geleend moeten
worden om de aflossing en rente over de schuld van periode 2 mee te kunnen
betalen. En ten tweede zal er geleend moeten worden om extra investering en
consumptie mee te kunnen financieren. Maar dit zal betekenen dat in periode 4 nog
meer aan aflossing en rente betaalt zal moeten worden, waardoor een nog kleiner
besteedbaar over zal blijven voor investering en consumptie. Tenzij, natuurlijk,
er in periode 4 wederom extra geleend wordt.
Bij de tabellen: Als er één keer geleend
wordt en dit de productiecapaciteit niet (voldoende) doet groeien, dan moet er
steeds extra geleend worden om de bestedingen te kunnen laten blijven groeien.
En als er dan eenmaal gestopt wordt met lenen, dan stort het besteedbaar
inkomen in omdat aflossing en rente betaald moeten worden. (Besteedbaar Inkomen
= Productiewaarde + Lening - Rente&Aflossing)
Dit is de trend die
kapitalisme veroorzaakt doordat haar geld op schuld gebaseerd is. Om de
economie te kunnen laten groeien moet alsmaar extra geleend worden, meer ten
opzichte van de leningen in de vorige periode. Aan deze trend komt een einde
wanneer duidelijk wordt dat de samenleving die leent niet langer is staat is om
aflossing en rente te betalen, en niemand bereid zal zijn om nog extra uit te
lenen. En dan is het economische crisis omdat het besteedbaar inkomen
plotsklaps veel lager is dan het in voorgaande jaren was. Dit is wat onder de kredietcrisis
plaatsgevonden heeft.
Kapitalisme: virtuele versus reële economie
In kapitalisme wordt
niet enkel handel gedreven in goeden en diensten. Het economisch systeem van
kapitalisme staat eveneens toe dat handel wordt gedreven in derivaten
(afgeleiden) van de handel in goederen en diensten. Er bestaat naast de markt
voor goederen en diensten bijvoorbeeld een futures-markt. Daar kan men
zich allereerst verzekeren tegen verlies in de verhandeling van goederen en
diensten. En deze verzekeringen kan men daar dan weer verhandelen. Er bestaat daar
ook optiehandel, waar rechten en plichten met betrekking tot de handel in
goederen en diensten verhandeld worden, zoals het recht om iets te kopen tegen
een bepaalde waarde op een bepaald moment. Er bestaan ook verzekeringen met
betrekking tot de handel in deze opties. En deze verzekeringen kunnen dan ook
weer verhandeld kunnen worden op deze markt. Verder wordt er op de
aandelenmarkt gehandeld in het eigendom van bedrijven. Ook daar kan men zich
verzekeren tegen verlies. En ook daar kan men deze verzekeringen verhandelen. En
er bestaat daar bestaat ook optiehandel, enkel met betrekking tot aandelen en
niet tot goederen en diensten. Er bestaan daar ook verzekeringen tegen verlies
in deze optiehandel. En ook daar kan men deze verzekeringen weer verhandelen. Er
bestaat ten slotte ook een markt voor de handel in schuld. Waar men zich
eveneens kan verzekeren tegen verlies, waar men eveneens deze verzekeringen kan
verhandelen; waar ook optiehandel bestaat; en waar er verzekeringen tegen
verlies in deze optiehandel bestaan; die men ook weer kan verhandelen. Deze
markten vormen de zogenoemde financiële economie in kapitalisme, naast de reële
economie waar de echte goederen en diensten verhandeld worden. Om in deze financiële
markten, de van de handel in goederen en diensten afgeleide markten, actief te
zijn is het niet vereist om goederen, diensten, aandelen of schuldpapieren in
bezet te hebben. Het is er namelijk toegestaan om verkoop verplichtingen aan te
gaan ook als men geen van dezen in bezit heeft.
Ook uit het bestaan van
een virtuele economie naast een reële economie komen economische crises voort.
Door het bestaan van een virtuele economie naast een reële economie bestaat er in
kapitalisme naast reële welvaart tevens virtuele welvaart. Reële welvaart is
het bezit aan echte goederen en diensten, terwijl virtuele welvaart het bezit
aan de genoemde derivaten is. Omdat de handel in de virtuele economie geen
echte goederen of diensten nodig heeft, kan deze veel groter worden dan de
waarde van al de goederen en diensten bij elkaar. De waarde van de handel in derivaten
is daarom momenteel omstreeks $700 biljoen per jaar, terwijl de waarde van de
handel in goederen en diensten op omstreeks $60 biljoen per jaar wordt geschat[2].
Dit betekent dat de
virtuele welvaart onmogelijk omgezet allemaal kan worden in reële welvaart. Er
is immers $700 biljoen per jaar aan virtuele welvaart terwijl er "slechts" $60
biljoen per jaar aan reële welvaart is. Als de virtuele welvaart dus omgezet
zou worden in reële welvaart, dan zou de reële welvaart op raken ver voordat de
virtuele welvaart op is. Dus enkel de personen die als eerste hun virtuele
welvaart omzetten in reële welvaart, en dus hun derivaten ruilen voor echte
goederen of diensten, die zullen in staat zijn om hun virtuele welvaart om te
ruilen in reële welvaart. Echter, als er $60 biljoen aan virtuele welvaart is
omgezet in reële welvaart, dan is de reële welvaart op. Er is dan echter nog
$640 biljoen aan virtuele welvaart over. Die dus niet meer omgezet kan worden
in reële welvaart. De bezitters van deze $640 biljoen aan virtuele welvaart
zullen dus met lege handen achterblijven.
De deelnemers aan de
virtuele handel weten dit, en daarom letten zij er nauwkeurig op elkaar. Zij
weten namelijk dat je altijd als eerste je virtuele welvaart moet omzetten in
reële welvaart. Omdat je niets zult krijgen als je te laat probeert je virtuele
welvaart om te zetten in reële welvaart. Daarom resulteert keer op keer een
crash van de financiële markten, na verloop van tijd. Na een tijd van groei van
de virtuele welvaart komt er altijd een moment waarop iemand probeert zijn
virtuele welvaart om te zetten in reële welvaart. En als iemand dat probeert,
dan volgen al de andere bezitters van virtuele welvaart hem direct in de hoop ook
iets van de reële welvaart te kunnen krijgen. Iedereen zal dus zijn derivaten aanbieden
in ruil voor reële welvaart, en niemand zal op dat moment nog derivaten willen
hebben. En dan keldert de waarde van de derivaten en verdwijnt de virtuele
welvaart als sneeuw voor de zon.
Grafiek 3: De waarde van
de Amerikaanse aandelenmarkt gedeeld door de waarde van Amerikaanse productie,
periode 1950 - 2008. Wanneer de grafiek stijgt dan wordt virtuele welvaart
gecreëerd zonder evenknie in de reële welvaart. (bron: www.economagic.com)
Daarom wordt van schuld
gebruik gemaakt om de virtuele welvaart te kunnen gebruiken. Schuld wordt
aangegaan met de virtuele welvaart als onderpand, en dit geld wordt dan
gebruikt voor investering of consumptie, oftewel om goederen en diensten mee te
kopen. En zo kan men toch genieten van zijn virtuele welvaart, zonder deze om
te moeten zetten in reële welvaart en daarmee een crash van de virtuele
economie te veroorzaken. Dit gaat goed zolang de virtuele welvaart blijft
groeien. Want zolang de virtuele welvaart blijft groeien kan men altijd extra
geld lenen met de virtuele welvaart als onderpand. En met de extra schuld kan
men dan de aflossing en rente op de eerdere schuld betalen en extra goederen en
diensten kopen.
Zo is de virtuele
economie van invloed op de reële economie waar de goederen en diensten
geproduceerd en verhandeld worden. De virtuele welvaart wordt gebruikt om
schuld mee aan te gaan, en middels de schuld wordt dan vraag uitgeoefend naar
goederen en diensten. Daarom stijgt de reële economie gewoonlijk in reactie op
een stijging van de virtuele economie. Maar dit kan niet eeuwig duren. Er komt
altijd een moment waarop iemand op de virtuele markt zich realiseert dat de
virtuele rijkdom op lucht is gebaseerd. En wanneer een persoon zich dit
realiseert, dan zal hij proberen zijn virtuele welvaart om te zetten in reële
welvaart. Dit brengt dan een kettingreactie teweeg waaronder iedereen met
virtuele welvaart deze probeert om te zetten in reële welvaart, waardoor de
virtuele economie crasht en de virtuele welvaart verdwijnt. Wanneer de virtuele
welvaart stopt met groeien, dan kan er niet langer extra geleend worden. Dus de
vraag naar goederen en diensten die resulteerde uit de groei van de virtuele
welvaart zal verdwijnen. Waardoor de reële economie in de problemen zal komen.
Sterker nog, na een
crash van de virtuele economie die de virtuele welvaart doet verdampen blijft
de schuld over die is aangegaan op basis van de virtuele welvaart die verdampt
is. Schuld waarover aflossing en rente betaald zal moeten worden. En deze
aflossing en rente zal niet langer voldaan kunnen worden door meer schuld op
basis van verdere virtuele rijkdom. Want de groei van de virtuele welvaart is
gestopt. Deze schuld zal dus betaald moeten worden uit de reële welvaart.
Hierdoor zal de vraag naar goederen en diensten nog verder dalen. De vraag naar
goederen en diensten uit de virtuele welvaart was door de crash van de virtuele
economie al verdwenen, maar na de crash van de virtuele economie zal ook nog
eens een deel van de reële welvaart gebruikt moeten worden voor aflossing en
rente. En hierdoor zal de reële economie nog verder in de problemen komen. En
ook dit is wat onder de kredietcrisis plaatsgevonden heeft.
Kapitalisme: van crisis naar crisis
Er bestaan in het
economisch systeem van kapitalisme dus mechanismen die er voor zorgen dat dit
systeem uiteindelijk altijd in grote problemen komt. Dat er een crisis ontstaat
die meer is dan enkel krimp van de economie, wat een normaal onderdeel is van
de economische cyclus in kapitalisme. Dat er een crisis ontstaat die een
probleem wordt voor het systeem zelf. Een crisis waarbij een extreme inspanning
vereist wordt van degenen die houden van het systeem, om het systeem te laten
overleven. Deze mechanismen zijn de realiteit van geld in kapitalisme en de virtuele
economie in kapitalisme. En vanwege deze mechanismen beweegt kapitalisme
feitelijk van crisis naar crisis.
In 2001 nog werd het kapitalistische
economisch systeem overal ter wereld geteisterd door de crisis veroorzaakt door
de internetzeepbel, de zogenaamde "dot-com crisis". Ook destijds werd een zo
grote teruggang in economische activiteit gevreesd ten gevolge van het barsten
van de internetzeepbel, dat de pilaren van het kapitalistische economisch
systeem hieronder zouden kunnen bezwijken. Deze crisis resulteerde toen eenmaal
bleek dat de verwachtingen betreffende de Nieuwe Economie, de op internet
gebaseerde economische activiteit oftewel e-commerce, overdreven waren.
In de periode 1997 tot 2001 was het enthousiasme betreffende e-commerce zo
groot dat iedereen bij de banken grote bedragen kon lenen om een
internetbedrijfje te beginnen. Tegelijkertijd kochten beleggers massaal aandelen
in internetondernemingen op, omdat die een gouden toekomst voorspeld werden. De
prijzen van de aandelen van deze ondernemingen stegen daarop snel, wat de
verwachtingen bevestigde. En daarop gingen veel mensen met geleend geld
aandelen kopen in internetondernemingen, wat de aandelenprijzen nog verder
omhoog stuwde. En ten slotte, de mensen die op papier rijk waren geworden door
dit alles, die de aandelen in internetondernemingen in bezit hadden wiens
prijzen op de aandelenmarkten door het plafond schoten, gingen bij de banken
leningen aan met deze papieren rijkdom als onderpand om een luxe leven te
kunnen leiden. En de vraag naar luxeproducten die zij uitoefenden in de
economie zorgde ervoor dat gans de economie een sterke groei doormaakte. Echter,
toen vervolgens in 2001 duidelijk werd dat e-commerce niet de gouden bergen
realiseerde waar men op gerekend had, toen resulteerde een crisis. De meeste
internetondernemingen maakten in het geheel geen winst en konden daardoor hun
schulden bij de banken niet terug betalen. Op het moment dat dit duidelijk werd
probeerden de houders van de aandelen in internetondernemingen dezen snel te
verkopen, waardoor de prijzen van de aandelen ineenstortten. Al degenen die met
geleend geld deze aandelen hadden gekocht, bleven met enkel schulden zitten. En
al degenen die hun aandelen in internetondernemingen als onderpand hadden
gebruikt om geld te lenen bij de banken, bleven eveneens met enkel schulden
zitten. Met andere woorden, middels schuld was papieren rijkdom gecreëerd op de aandelen
markten, die vervolgens middels verdere schuld gebruikt werd om effectieve
vraag uit te oefenen in de economie. En toen bleek dat er enkel papieren
rijkdom was gecreëerd en geen echte rijkdom, toen barstte de bubbel en resulteerde
economische crisis.
Niet veel eerder, in
1997, was het de Crisis van de Aziatische Tijgers die de mensen deed vrezen
voor het economisch systeem van kapitalisme. In de periode 1980 tot 1997 waren de
economieën van verschillende Aziatische landen, zoals Zuid-Korea, Thailand,
Maleisië en Indonesië voortdurend gegroeid. Deze groei was grotendeels
mogelijk gemaakt door leningen aangegaan in het buitenland. Echter, nog meer
dan de economie waren over deze periode de aandelenbeurzen in genoemde landen
gestegen, omdat de economische successen vele buitenlandse beleggers aantrok.
De hieruit resulterende stijging van de prijzen van aandelen maakte
verschillende mensen erg rijk op papier, en zij gebruikten deze rijkdom als
onderpand om de leningen aan te gaan waarmee zij een luxe leven konden leiden.
Onder de effectieve vraag die zij hiermee uitoefenden stegen vervolgens de
prijzen van het vastgoed en werden ook de eigenaren van het vastgoed op papier
rijk. Zij konden vervolgens hun vastgoed gebruiken om leningen aan te gaan om een
luxeleven te kunnen leiden. Maar in juni van 1997 gebeurden een aantal dingen
die tezamen aan deze periode van economische voorspoed een einde maakten en die
de economieën van de Aziatische
Tijgers te gronde richtten. In juni 1997 trokken veel van de buitenlandse
investeerders hun geld terug uit de Aziatische economieën. Ze verkochten hun
aandelen op grote schaal waardoor de aandelenbeurzen kelderden. Ook kelderden
de waardes van de munteenheden van de Aziatische Tijgers. Deels omdat er met
het vertrek van de buitenlandse beleggers niet langer vanuit het buitenland
naar deze munten gevraagd (om beleggingen mee te kunnen doen in genoemde
landen), en dezen munten in plaats hiervan nu werden aangeboden omdat de
buitenlandse investeerders terug Amerikaanse dollars en Britse ponden en Duitse
marken wilden hebben. Maar voor een nog belangrijker deel omdat buitenlandse
beleggers speculeerden op een daling van de waarde van de munteenheden van de
Aziatische Tijgers. Deze speculatie werd met zoveel geld gedaan dat de
munteenheden erdoor feitelijk naar beneden geduwd werd. Het probleem dat
hiermee gecreëerd werd was dat de schuld van veel bedrijven sterk steeg, omdat
zij buitenlands geld geleend hadden. Bij een lagere waarde van de nationale
munt moesten zij meer van de nationale munt uitgeven om de buitenlandse
schulden te kunnen betalen. Door dit alles tezamen stortten de economieën van de Aziatische
Tijgers in. De papieren rijkdom van de aandelenbeurzen en de vastgoedmarkten
verdween en liet veel mensen in diepe schulden achter. De vraag naar producten
en diensten die de papieren rijkdom middels schuld tot stand had gebracht,
verdween. En de bedrijven waren niet langer in staat om de aflossing en rente
op hun schulden te betalen en gingen failliet.
Iets van een decennium
eerder was de wereld ook al opgeschrikt door de ineenstorting van de
aandelenbeurzen over gans de wereld. Op maandag 19 oktober stortten overal ter
wereld de aandelenbeurzen volledig in, ten gevolge waarvan de Crisis van 1987
bekend werd als Zwarte Maandag. In Amerika daalde de Dow Jones -22,6% op die
ene dag, en het zou hiervan niet herstellen in oktober 1987. De beurs van
Australia stond eind oktober -41,8% lager dan voor de 19e oktober,
die van Groot-Brittannië -26.4%, Canada -22,5% en Nieuw Zeeland -60.0%. Op Zwarte Maandag
kwam een einde aan een feitelijk continue stijging van de aandelenbeurzen sinds
1982, in reactie op verregaande consolidatie in de zakenwereld. Het op dat
moment dominante idee in business economics was dat schaalvoordelen oneindig
waren, en dus dat een onderneming alsmaar meer winstgevend zou worden als deze
maar groter zou worden. Daarom vielen ondernemingen in de jaren '80 van de
vorige eeuw bijna over elkaar heen in pogingen elkaar op te kopen, om maar
groter te kunnen worden. Deze bedrijfsovernames werden echter allemaal met
geleend geld gefinancierd, waardoor de overblijvende ondernemingen alsmaar
dieper in de schulden kwamen te zitten. Desondanks stegen hun aandelenkoersen,
omdat "bigger is better" het leidende motto was op de aandelenmarkten. Waardoor
er ook alsmaar meer met geleend geld belegd werd. Maar op maandag 19 oktober
1987 drong de realisatie door dat de stijging van de aandelenbeurzen feitelijk
zonder rechtvaardiging was, en begonnen beleggers hun aandelen te verkopen in
de hoop hun papieren rijkdom te kunnen cashen. Dit deed de
aandelenbeurzen dalen, wat paniek veroorzaakte onder de beleggers die daarop
allemaal alles probeerden te verkopen. Met Zwarte Maandag tot gevolg.
En in 1929 was er
natuurlijk de Grote Depressie. De Grote Depressie resulteerde uit het
overheidsingrijpen in reactie op de Wall Street Crash van 1929. Tussen 1920 en
1928 had de Amerikaanse Federal Reserve de geldhoeveelheid laten groeien met
omstreeks 60% door leningen uit te geven. Deze toename van de hoeveelheid geld
in omloop zorgde voor een stijging van de vraag naar goederen en diensten en
veroorzaakte zo economische groei. Bedrijven leenden daarop geld om hun
fabrieken te vergroten en om nieuwe plaatsen voor productie te bouwen. Tevens groeide
de Amerikaanse aandelenbeurs, en vele malen meer dan de reële economische
activiteit. Dit kwam doordat beleggers in reactie op de eerste stijgingen van
de aandelenprijzen aandelen begonnen te kopen met geleend geld. Dit geleende
geld stelde de beleggers in staat de vraag naar aandelen te vergroten, in
reactie waarop de prijzen van de aandelen verder stegen. En de papieren rijkdom
die hierdoor ontstond werd middels verdere leningen omgezet in vraag naar de
goederen en diensten die horen bij een luxeleven. In 1928, echter, begon de
Federal Reserve de hoeveelheid geld in omloop langzaam maar zeker te
verminderen. Hierdoor kwam een einde aan de alsmaar toenemende vraag naar
goederen en diensten, waardoor de winstgevendheid van bedrijven onder druk kwam
te staan. De nieuwe en vergrootte fabrieken werden eigenlijk nauwelijks
gebruikt. Toen onder beleggers het besef doordrong dat aan de tijden van een
economische bloei een spoedig een voorlopig einde zou komen, begonnen ze hun
aandelen te verkopen. In reactie hierop daalden de aandelenkoersen, waardoor de
mensen die geld hadden geleend om aandelen te kopen in de problemen kwamen. Ook
zij probeerden daarop snel hun aandelen te verkopen, om hun verliezen te
minimaliseren, waardoor de vraag naar aandelen totaal verdween en de aandelenkoersen
ineenstorten. Dit zorgde ervoor dat de vraag naar goederen en diensten verder
verminderde, wat de bedrijven in verdere problemen bracht. Hier dan weer in
reactie op stelden verschillende overheden importbeperkingen in, om de nationale
industrie te beschermen ten kost van de buitenlandse industrie. Doordat
feitelijk alle landen aldus deden, kwam de internationale handel grotendeels
tot stilstand. En op dat moment was de Grote Depressie al een feit.
"De
Amerikanen weten dat er een probleem is in Amerika, maar zij weten niet wat het
is, of waarom het is. Wat nog belangrijker is, zij weten niet hoe het probleem
op te lossen. Al wat zij kunnen is wijzen op de symptomen van de ziekte. (...)
In werkelijkheid maken sommigen van wat oplossingen worden genoemd het probleem
enkel groter, omdat deze oplossingen proberen om de resultaten van het systeem
te veranderen zonder het systeem dat geleid heeft tot die resultaten te
veranderen. (...) Het probleem omvat niet de kwestie hoe wij ons economisch
systeem uitvoeren, want ons economisch systeem zelf is het probleem. Het
probleem is in het fundament van ons economisch systeem, en gedeeltelijke
oplossingen of het aanleggen van een verband over de gevolgen, is geen
oplossing die het probleem zal behandelen. Als wij onze normen willen bereiken
toen moeten wij de problemen van hun wortels verwijderen en niet enkel sommige
bladeren bijknippen. Het is aan ons om het fundament en de aannames waarop ons
systeem opgebouwd is te beoordelen, en te openbaren voor wat ze werkelijk zijn."
- Robert Terry in "Economic
Insanity", Berrett-Koehler Uitgevers, 1995
[1] Volhouden, maar met als consequentie dat al de productie
uiteindelijk in handen komt van degenen aan wie de rente betaald moet worden.
De extra productie moet namelijk opgegeven worden om de rente te kunnen
betalen.
[2] Statistieken van de Bank of International
Settlements (BIS), www.bis.org/statistics/derstats.htm
|