|
"Het profeetschap zal onder jullie zijn zolang Allah het wil, en dan
wanneer Allah het wil zal Hij het wegnemen. Vervolgens zal er de Khilafa
Raasjida zijn zolang Allah het wil, en dan wanneer Allah het wil zal Hij
het weg nemen. Dan zal er een pijnlijk leiderschap zijn zolang Allah het wil,
en dan wanneer Allah het wil zal Hij het weg nemen. En dan zal er de tirannie
zijn zolang Allah het wil, en dan wanneer Allah het wil zal Hij het weg nemen.
En dan zal er (terug) de Khilafa zijn volgens het voorbeeld van de Profeet. En
toen zweeg de Profeet." (Imam Ahmed)
Introductie
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez (moge Allah tevreden met hem zijn) werd door
de mensen aangesteld als Khalifa op het moment dat de gewoonte was ontstaan om
de Khalifa één van zijn zoons te laten kiezen als opvolger. Aan deze zoon gaven
de mensen van invloed en macht dan de gelofte van trouw (bay'a) na het sterven
van de vader. De mensen braken met deze gewoonte speciaal voor ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez. Omdat Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez zo nauwkeurig was in het ten
uitvoer brengen van de Wet van Islam over de mensen, en omdat zijn vrees voor
Allah (swt) hem zo bezorgd maakte over het welzijn van de mensen onder zijn
verantwoordelijkheid, zagen de mensen zijn heerschappij als een zegening en
werd Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez bekend als "de vijfde van de vier
Khoelafaa ar Raasjiddien", de Rechtgeleide Kaliefen.
Zijn naam, zijn genealogie, zijn jeugd, en zijn status onder Qoraiesj
Zijn naam was ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez bin Marwan bin Al Hakam bin Al
‘Aas bin Oemayya bin Abd asj Sjams. Sommigen zeggen dat hij werd geboren in 61
Hidjri, in Al Medina. Andere zeggen dat hij geboren werd in 63 Hidjri in
Halwan, Egypte. Zijn familie behoorde tot de notabelen. Zijn vader ‘Abdoel
‘Azziez was bijvoorbeeld de broer Khalifa ‘Abd al Malik, ten tijde van wiens
Kalifaat hij diende als gouverneur (waali) van Egypte. Zijn moeder was Layla,
Oemm ‘Aasim bint ‘Aasim bin ‘Oemar ibn Al Chattab. ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez
was dus de kleinzoon van ‘Oemar ibn Al Chattab (ra).
Zijn moeder Layla was de dochter van ‘Aasim, zoon van ‘Oemar ibn Al
Chattab (ra), en een bijzondere vrouw. Imam Al Djauwzi heeft overgeleverd dat
‘Oemar ibn Al Chattab (ra) tijdens zijn dagelijkse rondgang door Mekka in de
avond, ter inspectie van de wachten en het welzijn van de mensen, duidelijk een
vrouw hoorde zeggen: "O mijn dochter, sta op en ga naar die yoghurt, en verdun
deze met wat water". De dochter antwoordde: "O mijn moeder, heeft u niet
gehoord wat de Emir al Moe'uminien heeft bevolen vandaag?". De moeder
zei: "Nee, maar wat heeft hij bevolen?". De dochter antwoordde: "Hij heeft een
man de opdracht gegeven om in de stad rond te gaan en de mensen te bevelen de
yoghurt niet te verdunnen met water". De moeder zei toen: "O mijn dochter, sta
op en ga naar die yoghurt en verdun deze met wat water, want je bent op een
plaats waar noch (Khalifa) ‘Oemar, noch zijn boodschapper je kunnen zien". De
dochter zei toen: "O moeder, in het openlijke zou ik hem niet gehoorzamen als
ik hem in het verborgene ongehoorzaam zou zijn". Na het horen van dit gesprek
liet Khalifa ‘Oemar (ra) vol bewondering voor de klaarblijkende vroomheid van
de jongedame zijn zoons bijeen komen. Hij (ra) zei tegen hen: "Wie van jullie
zou een vrouw tot echtgenote willen nemen? Ik zal hem direct huwen". En hij
(ra) zei verder: "Als jullie vader een neiging tot of behoefte aan vrouwen zou
hebben, dan zou niemand van jullie sneller zijn dan hem in het trouwen met deze
jongedame". ‘Abdoellah ibn ‘Oemar (ra) zei toen: "Ik heb al een echtgenote".
‘Abdoerrahman ibn ‘Oemar zei toen: "Ik heb al een echtgenote". ‘Aasim ibn
‘Oemar zei toen: "O vader, ik heb geen echtgenote. Huw me met haar!". Khalifa
‘Oemar (ra) liet zijn zoon ‘Aasim toen trouwen met deze jongedame en uit dit
huwelijk werd Layla geboren, de moeder van ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez.
Degenen die van mening zijn dat ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez geboren is
Halwan, Egypte, zeggen dat de jonge ‘Oemar door zijn vader naar Al Madina werd
gestuurd voor studie van de religie. Degenen die van mening zijn dat ‘Oemar ibn
‘Abdoel ‘Azziez geboren is in Al Madina zeggen dat hij als jong kind graag in
de nabijheid van zijn oom ‘Abdoellah ibn ‘Oemar (oftewel Ibn ‘Oemar, ra), één
van de meest vooraanstaanden van de metgezellen van de Profeet (saw), verbleef.
En dat toen de vader van ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez als waali naar Egypte werd
gestuurd, dan toen ‘Abdoellah ibn ‘Oemar (ra) aan hem vroeg om zijn zoon achter
te laten in Al Madina voor verdere opvoeding en studie omdat ibn ‘Oemar (ra)
grote potentie in de jonge ‘Oemar zag. In ieder geval bracht ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez zijn jeugd door in Al Madina waar hij studeerde bij al de grote
geleerden van die tijd, zoals dus ‘Abdoellah ibn ‘Oemar (ra), maar ook bij diens
zoon Saliem Ibn ‘Abdoellah ibn ‘Oemar, Sa'ied ibn Al Moesayyib die één van de
grootste geleerden onder de tabi'ien (de generatie na de sahaba) was, Mohammed
ibn Moeslim ibn Sjihab az Zoehri en ‘Oebaydoellah ibn ‘Abdoellah ibn ‘Oetbah
ibn Mas'oed. Dankzij deze opvoeding werd ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez door de
mensen van zijn generatie als een grote geleerde beschouwt. Imam al Djauwzi
zegt dat men over hem zei: "Geleerden en wetenschappers zijn tegen ‘Oemar ibn
‘Adoel ‘Azziez slechts studenten".
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez was een mooie man. Hij was slank en had een
bleke huid. Hij had een mooie baard en hij kleedde en parfumeerde zich met
zorg. Op zijn voorhoofd bevond zich een litteken dat hij als klein kind
opgelopen had. Zijn manier van lopen was de meest gracieuze, waarbij gezegd
wordt dat zelfs de vrouwen probeerden zich deze eigen te maken. Hij was
uitermate welbespraakt en beheerste de hoog-Arabische taal als één van de
allerbesten. Verder was hij gul en sprak hij kleine noch grote leugens. Toen
Khalifa Soelayman ibn ‘Abd al Malik hem eenmaal van een leugen beschuldigde,
nadat de zoon van ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez met de zoon van Khalifa Soeleyman
ruzie had gekregen, nam ‘Oemar direct ontslag als adviseur van Khalifa en
maakte zich klaar om direct het Hof te vertrekken richting Egypte. Khalifa
Soeleyman bood daarop zijn verontschuldigingen aan. Vanwege al deze
eigenschappen huwde Khalifa ‘Abd al Malik hem met zijn dochter Fatima bint ‘Abd
al Malik ibn Marwan.
Zijn bijnamen zijn ‘Oemar al
Thaani (‘Oemar de Derde), na ‘Oemar ibn Al Chattab (ra) en ‘Abdoellah ibn
‘Oemar ibn al Chattab, oftewel ibn ‘Oemar (ra). De grote geleerde Soefjaan at
Thauri was de eerste die hem de Vijfde Rechtgeleide Khalifa als titel
gaf. Hij wordt ook als de eerste Moedjaddid (degene die de religie doet
wederopleven) genoemd, na de overlevering van de Boodschapper van Allah (saw): Allah
(swt) zal voor deze oemma aan het begin van iedere eeuw een man doen laten oprijzen
die Zijn religie zal doen wederopleven. (Aboe Dawoed)
Zijn leven voor zijn kalifaat
Het meest gevaarlijke dat een persoon in een positie van autoriteit kan
overkomen is het gevoel van arrogantie, dat hij zichzelf verheven begint te
voelen boven de mensen over wie hij regeert. Dit is namelijk de eerste stap in
de richting van tirannie. Daarom heeft Islam de mensen verplicht om hun leiders
voortdurend ter verantwoording te roepen, zodat dezen zich bewust blijven van
hun plicht en hun taak en niet aan arrogantie ten onder gaan, de mensen met
zich mee trekkend in hun val. Allah (swt) zegt:
"En
laat er onder jullie een groep zijn die tot het goede nodigt en het rechte
gebiedt en het slechte verbiedt. En deze zijn degenen die succesvol zullen zijn"
(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Imraan 3, vers 104)
Dit ter verantwoording roepen van de leiders is door Islam tot de meest
prijzenswaardige handeling gemaakt. De Boodschapper van Allah (saw) heeft
gezegd: De beste djihaad (strijd voor de zaak van Allah) is een woord van
waarheid tegenover een tirannieke heerser. (An Nasaa'i). En: De grootste sjahied
(martelaar) is Hamza, en de man die een woord van waarheid spreekt tegen een
onrechtvaardige heerser en (hiervoor) door hem gedood wordt.
(Moesnad Ahmad).
Vanaf zijn jongste jaren spande ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez zich in om
de heersers van zijn tijd ter verantwoording te roepen, zodat zij hun plichten
tegenover Islam en de moslims niet zouden vergeten en na zouden komen. Imam Al
Djauwzi heeft overgeleverd dat ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez een brief schreef
naar Khalifa ‘Abd al Malik, waarin hij schreef: "En derhalve ben jij een
bewaker en een beschermer, en iedere bewaker is verantwoordelijk voor de
onderdanen die hij bewaakt en beschermt. Inderdaad, Anas bin Malik heeft overgeleverd
dat hij deze hadieth hoorde van de Boodschapper van Allah (saw), die zei: Iedere
bewaker is verantwoordelijk voor de onderdanen die hij bewaakt en beschermd.
En ook, Allah (swt) zegt in de Heilige Koran: "Allah! Er is geen God, dan
Hij. Hij zal u zeker bijeenroepen op de Dag der Opstanding, waaromtrent geen
twijfel is. En wie is waarachtiger in Zijn woord, dan Allah?" (Zie de
vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nisaa 4, vers 87)". Toen Khalifa
‘Abd al Malik deze brief ontving en bemerkte dat ‘Oemar ibn ‘Abd al ‘Azziez hem
op zo directe en confronterende wijze toesprak werd hij boos op ‘Oemar ibn ‘Abd
al ‘Azziez. Maar men vertelde hem dat ‘Oemar ibn ‘Abd al ‘Azziez al eerder
precies zo had gedaan, met andere Kaliefen en leiders. Toen werd Khalifa ‘Abd
al Malik rustig en begreep hij de situatie. Het kalifaat van Khalifa ‘Abd al
Malik was tussen 63 Hidjri, toen ‘Oemar ibn ‘Abd al ‘Azziez meest
waarschijnlijk twee jaar oud was, en 83 Hidjri toen ‘Oemar ibn ‘Abd al ‘Azziez
meest waarschijnlijk tweeëntwintig jaar oud was.
In 87 Hidjri werd ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez tot verantwoordelijke over
Al Madina benoemd door Khalifa Al Walied ibn ‘Abd al Malik. Hij was toen meest
waarschijnlijk vijfentwintig jaar oud. Het eerste wat ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez deed in deze positie was het bijeenroepen van de tien meest
vooraanstaande geleerden van de stad op dat moment. Zij waren: ‘Arwa ibn az Zoebayr, ‘Abdoellah ibn ‘Oebaydoellah ibn ‘Oetba,
Aboe Bakr ibn ‘Abdoerrahman, Aboe Bakr ibn Soeleyman, Soeleyman ibn Jasaar, Al Qasim
ibn Mohammed, Saliem ibn ‘Abdoellah ibn ‘Oemar, ‘Abdoellah ibn ‘Abdoellah ibn ‘Oemar,
‘Abdoellah ibn ‘Amier ibn Rabie‘a, and Charidja ibn Zeyd. Hij zei tegen hen:
"Ik heb jullie voor een belangrijke zaak bijeengebracht, (een zaak) waardoor
jullie jezelf en de oemma een grote dienst kunnen bewijzen. Ik wil dat jullie
de helpers en de goede bewakers worden die de rechtvaardigheid behouden in dit
land. Als jullie zien dat een persoon iemand anders aanvalt, of als jullie
verteld wordt dat iemand onrecht aangedaan wordt door iemand anders, wil ik dat
jullie mij hiervan direct op de hoogte stellen. Ik vraag jullie, in naam van
Allah (swt) niets van mij verborgen te houden, opdat hetgeen juist en goed is
beschermd wordt voor de mensen. Ik zeg jullie dat jullie beloning groot zal
zijn. Nu mogen jullie gaan en ten uitvoer brengen wat ik zojuist gezegd heb".
Toen Soeleyman bin ‘Abd al Malik Khalifa werd na de dood van Al Walied
ibn ‘Abd al Malik, nam hij ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez tot persoonlijke
adviseur. In deze rol als adviseur van de Khalifa was ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez degene die ervoor zorgde dat de Khalifa geadviseerd werd over de weg
die hij te volgen had volgens het Boek van Allah (swt) en het voorbeeld gesteld
door de Boodschapper van Allah (saw). ‘Oemar kenmerkte zich door niet de
tevredenheid van de Khalifa te zoeken maar enkel en alleen de Tevredenheid van
Allah (swt), door de Khalifa te allen tijden te herinneren aan zijn
Islamitische plichten. Ongeacht of dit advies de woede van de Khalifa zou
opwekken of niet. Imam Al Djauwzi heeft overgeleverd dat Khalifa Soeleyman op
Hadj vertrok tezamen met ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez. Toen ze aankwamen op een
plaats genaamd Oeqbat Asafan keek Khalifa Soeleyman rond naar wat tot zijn kalifaat
behoorde. Hetgeen hij zag beviel hem, en hij zei tegen ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez: "Wat denk je over hetgeen dat je ziet, o ‘Oemar?". ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez antwoordde: "Ik zie een wereld vol mensen en iedere groep probeert de
andere op te eten. En (als Khalifa) ben jij verantwoordelijk voor hen allen en
voor hetgeen zij doen". Toen ze bij Ta'ief aankwamen overviel hen een zwaar
onweer, dat Khalifa Soeleyman angst inboezemde. ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez
maakte van de gelegenheid gebruik om hem te herinneren aan de dood en de straf
van Allah (swt) voor overtreding van de Sjari'a, opdat Khalifa Soeleyman zijn
taak zou doen en zijn plicht zou nakomen tegenover Islam en de moslims. ‘Oemar
ibn ‘Abdoel ‘Azziez zei tegen hem: "O Emir al Moe'uminien! Dit is de Gratie en
Zegening van Allah, en jij bent er bang door geworden! Wat te denken wanneer
Zijn bestraffing op je valt!".
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez herinnerde de Khalifa er ook aan dat hij de
Wet van Allah (swt) ten uitvoer moest brengen. Imam Al Djauwzi heeft
overgeleverd dat Khalifa Soeleyman eens boos werd op een groep mannen omdat zij
's nachts gezongen hadden in de nabijheid van vrouwen. Khalifa Soeleyman, in
zijn boosheid, beviel daarom dat zij gecastreerd moesten worden. ‘Oemar ibn
‘Abdoel ‘Azziez reageerde direct toen hij dit hoorde en zei tegen Khalifa
Soeleyman: "Dit is verminking, en dit is niet toegestaan (volgens de Wet van
Allah)". De Khalifa liet daarop de mannen vrij.
Imam Al Djauwzi heeft ook overgeleverd dat ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez
de Khalifa eraan herinnerde dat Allah (swt) in Zijn Boek (de Koran) de vrouwen
het recht geeft op een deel van de erfenis. Khalifa Soeleyman was op dat moment
tezamen met zijn zoon Eyyoeb, die hij op dat moment al genomineerd had als zijn
toekomstige opvolger als Khalifa. Khalifa Soeleyman zei: "Weet je niet wat de
erfenis van (voormalig Khalifa) ‘Abd al Malik ibn Marwan zegt?". En hij zei
tegen zijn zoon Eyyoeb: "O jongen, sta op en breng me het boek met notities van
‘Abd al Malik! Voorzeker, ‘Abd al Malik heeft in dat boek geschreven dat
vrouwen niets zullen erven". ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez zei tegen Khalifa
Soeleyman: "Heb je hem nu gevraagd om de Koran voor je te halen?". De zoon van
Khalifa Soeleyman zei toen: "Ik zie dat er mensen zijn die geen achting hebben
voor, of die (zelfs) minachten de boeken (met notities) van de Choelafa'a. Ik
ben van mening dat zij gestraft moeten worden en in hun gezicht geslagen moeten
worden". ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez antwoordde deze zoon: "Natuurlijk zal dat
gebeuren als het Kalifaat aan jouw overgelaten zou worden, en aan jakhalzen
zoals jij! Als dit werkelijk zou gebeuren dan zou dat een grote schade
aanrichten aan de gemeenschap en gans de natie, en niet enkel aan degene wiens
gezicht geslagen wordt". Khalifa Soeleyman realiseerde zich toen dat hij moest
regeren volgens de Wet van Allah (swt), en dat ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez
degene was die hem altijd aan deze plicht herinnerde en hem van het juiste
advies voorzag. Daarop riep hij woedend naar zijn zoon: "Is dit hoe jij Aboe
Hafs (de koenja van ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez) verwelkomd? Als deze man mij
verlaat dan zou ik niemand meer hebben die me verstandige dingen aanraad, en
dan zou ik niemand meer hebben die me helpt in zaken van geloof en (Islamitische)
jurisprudentie (fiqh)".
Zijn verkiezing tot Khalifa
Toen Khalifa Soeleyman ziek werd en voelde dat hij zou sterven, dacht
hij na over wie hij zou nomineren als zijn opvolger. In eerste instantie
schreef hij een brief met de opdracht aan de mensen om zijn zoon Eyyoeb als
opvolger te kiezen. Maar die zoon was nog jog op dat moment en Khalifa
Soeleyman werd geadviseerd hier nogmaals goed en diep over na te denken. Men
zei: "Iets wat iedere Khalifa (als goede daad) bij hem zou moeten houden in
zijn graf, is de nominatie voor zijn dood van een goede man als nieuwe Khalifa
na hem". Daarop schreef Khalifa Soeleyman een nieuwe brief waarin hij de mensen
de opdracht gaf om ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez als Khalifa te kiezen. Khalifa
Soeleyman gaf de brief aan zijn hoofd van politie, Ka'ab ibn Djabier, met de
opdracht om de zaak na zijn sterven af te handelen. Maar nog voor het sterven
van Khalifa Soeleyman zocht ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez het hoofd van politie
op. ‘Oemar zei tegen hem: "Ik heb een bijzondere relatie met Soeleyman en een
hechte vriendschap met hem. Hij waardeert mij en ik waardeer hem, en er is
altijd een hechte band tussen ons geweest. Ik denk dat hij mogelijk mij heeft
gekozen in deze brief, en ik ben bang om de verantwoordelijkheid van het
Kalifaat te krijgen. Daarom vraag ik je, zeg me wat in deze brief staat. (...) Ik
vraag je om me dit te vertellen, zodat ik in staat zal zijn om naar hem
(Soeleyman) te gaan, om hem te vragen me van deze taak te verlossen voor het te
laat is". Maar Ka'ab ibn Djabier weigerde, en in het jaar 97 Hidjri werd ‘Oemar
ibn ‘Abdoel ‘Azziez gekozen tot Khalifa.
Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez zelf waste het lichaam van Soeleyman
na diens dood en leidde het gebed bij de begrafenis. Toen de begrafenis gedaan
was hoorde Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez een luid geluid en hij vroeg wat
dat was. Men vertelde hem dat dit de wagens en de paarden van de Khalifa waren.
Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez zei: "Ik wil ze niet hebben, breng ze weg
van hier. Breng me mijn eigen dier, waar ik gewoonlijk mee reis". Daarop haalde
men voor hem zijn ezel, en hij zei: "Ik ben slechts één van de onder de
moslims".
Van de begrafenis van Soeleyman vertrok Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez naar de grote moskee. Hij besteeg de minbar om de mensen toe te spreken,
en hij zei: "O mensen! Er is geen heilig boek na de Koran, en er is geen
profeet na Mohammed (saw). Ik zweer bij Allah dat ik niet de oordeler ben. Ik
verricht enkel wat mij opgedragen is. Ik ben geen nieuwlichter. Ik ben een
volger. Ik ben niet beter dan iemand van jullie. Maar ik ben degene onder
jullie die meest zware last draagt (de verantwoordelijkheid voor het Kalifaat
en al wat zich daarin bevindt). En dit werd mij gegeven zonder dat mijn mening
werd gezocht in de zaak, en zonder dat ik hierover gevraagd werd, en zonder dat
ik hierover geconsulteerd werd. Ik heb besloten jullie te verlossen van de eed
van trouw die jullie me gegeven hebben. Dus kies van onder jullie iemand anders
dan mij". Maar de mensen riepen in reactie: "We kiezen u, o Emir al
Moe'uminien!". Daarop zei Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez: "O mensen! Wie
(van de leiders) Allah (swt) gehoorzaamd, het is verplicht voor jullie om hem
te gehoorzamen. En wie (van de leiders) Allah (swt) ongehoorzaam is, hij mag
niet gehoorzaamd worden. Derhalve, gehoorzaam mij zolang ik Allah (swt)
gehoorzaam, en als ik Allah (swt) ongehoorzaam ben dan zijn jullie niet
verplicht om mij te gehoorzamen".
Zijn Kalifaat
Na zijn toespraak tot de mensen in de moskee, waardoor zijn benoeming tot
Khalifa bevestigd werd, trok Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez richting huis. Thuisgekomen
vroeg iemand van zijn familieleden hem waarom hij zo bezorgd keek. Hij
zei: "Is dit dan niet een zaak om bezorgd over te zijn? Mij is de
verantwoordelijkheid toevertrouwd over zo een weidse natie, en ik faal in mijn
taak als ik mij niet haast om de behoeftige persoon te helpen". Deze uitspraak
karakteriseert Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez. Verscheidene van zijn voorgangers hadden de post van Khalifa opgevat als
een voorrecht, een positie waaruit zij voordeel voor zichzelf mochten halen en
die hen verhief boven de rest van de moslims. Voor Khalifa
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez, daarentegen, was het heel duidelijk dat de positie
van Khalifa noch een voorrecht was, noch deed verheffen. Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez begreep heel goed dat de positie van
Khalifa aan iemand van onder de moslims een verantwoordelijkheid geeft om zorg
te dragen voor het welzijn van Islam, voor het welzijn van de moslims en voor
het welzijn van al de overige mensen.
Net zoals hij gedaan had als waali
(gouverneur) voor Al Madina liet ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez zich ook als Khalifa adviseren door de grote geleerden van Islam.
Oftewel, hij liet zich leiden door Islam. Hij schreef een brief naar de grote
geleerden Al Hasan al Basri en vroeg hem de rechtvaardige Imam te beschrijven.
Al Hasan al Basri antwoordde: "Weet, o Emir al Moe'uminien, dat Allah (swt) de
rechtvaardige Imam tot het instrument van iedere student heeft gemaakt, tot
degene die corrigeert wat afgeweken is, tot degene die hervormd wat corrupt
geworden is, tot de kracht voor alle zwakkeren, tot de rechtvaardigheid voor de
onderdrukten, tot het toevluchtsoord voor allen die medelijden verdienen. De
rechtvaardige Imam, o Emir al Moe'uminien, is zoals een herder die zorgt voor
zijn kamelen, die voor hen naar de beste weidegrond verlangt, die hen weg leidt
van iedere gevaarlijke weidegrond, die hen beschermt tegen de roofdieren en
tegen de hitte en de kou. En de rechtvaardige Imam, o Emir al Moe'uminien, is
de voogd van de wees, de schatbewaarder voor de armen, de opvoeder van de
kleineren, en de verzorger van de ouderen. De rechtvaardige Imam, o Emir al
Moe'uminien, is zoals het hart is voor het lichaam. Allen zijn goed (en gezond)
wanneer het hart goed (en gezond) is, en allen zijn corrupt wanneer het hart
corrupt is. De rechtvaardige Imam, o Emir al Moe'uminien, is de persoon tussen
Allah (swt) en Diens dienaren. Hij zich neemt de Woorden van Allah (swt) ter
harte, en doet hen zich de Woorden van Allah (swt) ter harte nemen. Hij went
zich to Allah (swt) en doet hen zich tot Allah (swt) wenden. Hij is gehoorzaam
aan Allah (swt) en doet hen gehoorzaam zijn aan Allah (swt). Derhalve, o Emir
al Moe'umien, in hetgeen Allah (swt) u gegeven heeft (de positie van Khalifa),
handel niet zoals een slaaf handelt wiens meester hem zijn rijkdom en zijn
kinderen toevertrouwd heeft en die dan deze rijkdom verkwist en de kinderen
wegjaagt (...). Herinnert u derhalve, o Emir al Moe'uminien, de dood en hetgeen
daarna komt (de Dag des Oordeels), en hoe weinig supporters en ondersteuners u
zult hebben op die plaats. Maak daarom een provisie voor de dood en tegen de
grote bedreiging die hierop volgt (de Hel). (...) Derhalve, o Emir al
Moe'uminien, oordeel niet tussen de dienaren van Allah (swt) volgens de
praktijken van het pre-Islamitische tijdperk (Djahiliyya) en bewandel
niet het pad der overtreders tezamen met hen, en geef de arroganten niet de
autoriteit over de bescheiden mensen want zulke mensen (de arroganten) zullen
niet waken over de gelovige of de dhimmi (niet-moslim onderdanen van de
Islamitische Staat). En dan zult u uw eigen fouten toe moeten geven en ook de
fouten van anderen, en dan zult u uw eigen last moeten dragen en ook die van
anderen. (...) Acht uw macht in deze wereld niet hoog, maar kijk naar wat uw
macht zal zijn als uw gevangen in de dood bent en gedwongen zult worden voor
Allah ‘azza wa djal te staan in de aanwezigheid van de engelen en de
profeten en de apostelen, en de gezichten naar de Levende en Degene Die
Zichzelf Genoeg Is gewend zullen zijn. (...) En moge de vrede over u zijn, o Emir
al Moe'uminien, als ook de genade van Allah (swt) en Zijn zegeningen".
(Overgeleverd door Ibn ‘Abd Rabbih in Al ‘Iqd al Farid, oftewel Het
Unieke Ketting)
Khalifa ‘Oemar
ibn ‘Abdoel ‘Azziez zou zich inderdaad zo gedragen, als de Imam die zoekt naar
de Tevredenheid van Allah (swt) en daarom middels Islam waakt over zijn de
mensen zoals een herder over zijn kudde. Thuisgekomen van de begrafenis van
Khalifa Soeleyman vroeg zij zoon hem of hij misschien eerst wat wilde rusten
alvorens hij zich bezig zou gaan houden met de zaken die horen bij de positie
van Khalifa. "Ja", antwoordde Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azzie, "ik zal deze
zaken afhandelen nadat ik wat rust heb genomen". Zijn zoon vroeg hem toen:
"Bent u zeker dat u zo lang zult leven?". Daarop kuste Khalifa ‘Oemar ibn
‘Abdoel ‘Azziez het voorhoofd van zijn zoon en dankte Allah (swt) dat Hij (swt)
hem zo een rechtschapen zoon had gegeven. Hij veranderde zijn plan en handelde
eerst de zaken van de Staat af.
Allereerst liet Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez het salaris voor de
Khalifa verlagen van 50.000 dinar per jaar tot 200 dinar per jaar, en hij
verminderde het aantal bewakers voor de Khalifa met 600. Men vroeg hem of hij
het paleis van Khalifa Soeleyman als huis zou nemen, maar hij koos ervoor om
gewoon in zijn eigen huis te gaan wonen, het paleis van Soeleyman aan diens
familie latende. Hij vroeg vervolgens zijn vrouw, de dochter van de eerdere
Khalifa ‘Abd al Malik, om de juwelen die zij van hem gekregen had terug te
geven aan de staatskas, de Bayt oel Mal. Zij deed dit. Daarna liet hij al de
mensen bijeen roepen wiens bezit door een eerdere Khalifa onrechtmatig afgenomen
was, en hij gaf hen uit de Bayt oel Mal terug wat van hen was.
Hierna hield Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez zich bezig met de verdere zaken van
regeren. Ten eerste koos Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez mensen voor de
posities van invloed en macht op basis van hun vroomheid en kunde. Ten tijde
van Khalifa Soelayman kende Chaalid ar Rayyaan als hoofd van de beveiliging van
de Khalifa een grote verantwoordelijkheid in de samenleving, en veel macht en
invloed. Nog ten tijde van Khalifa Soeleyman waren hij en ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez betrokken geweest bij een incident. Imam Al Djauwzi heeft bericht dat er
op een gegeven moment een nobelman, die uiterst vijandig tegenover Khalifa
Soeleyman was, bij Khalifa Soeleyman werd gebracht. Khalifa Soeleyman liet
daarop ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez bij zich roepen. In de aanwezigheid van
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez werd de nobelman gevraagd wat hij van Khalifa
Soeleyman en diens bestuur van het land vond. Hij antwoordde: "(Vraag jij) wat
ik hiervan vind, jij perverse overtreder en zoon van een perverse overtreder?".
Khalifa Soeleyman vroeg daarop aan ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez: "Wat denk je,
Aboe Hafs, moeten we met hem doen?". In eerste instantie bleef ‘Oemar ibn
‘Abdoel ‘Azziez stil, omdat Allah (swt) voor verschillende typen misdaden de
Khalifa het recht heeft gegeven om de bestraffing te bepalen. Maar nadat
Khalifah Soeleyman nogmaals had gevraagd om advies, herinnerde ‘Oemar ibn
‘Abdoel ‘Azziez de Khalifa eraan dat Allah (swt) houdt van rechtvaardigheid en
niet van overtreding. Hij zei tegen de Khalifa: "Ik vind dat je hem moet
vervloeken en beledigen zoals hij jouw heeft vervloekt en beledigd. En ik vind
dat je zijn vader moet vervloeken en beledigen zoals hij jouw vader heeft
beledigd en vervloekt". "Is dat alles?", vroeg Khalifa Soeleyman in reactie op
dit advies. "Ja, dat is alles", was het antwoord van ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez. Na deze gebeurtenis zei Chaalid ar Rayyaan tegen ‘Oemar ibn ‘Abdoel
‘Azziez: "O Aboe Hafs, hoe kun je tegen de Emir al Moe'uminien zeggen dat hij
deze man moet veroordelen tot ‘beledigen zoals hij jouw vader heeft beledigt'?
Bij Allah, ik verwachtte dat hij (de Khalifa) me de opdracht zou geven om je
hoofd af te slaan". Daarop zei ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez tegen Chaalid: "En
stel dat hij dat gevraagd zou hebben van je, zou je dat dan gedaan hebben?".
Chaalid antwoordde toen: "Bij Allah, als hij het gevraagd zou hebben dan zou ik
het gedaan hebben". Dit antwoord betekende dat Chaalid in zijn positie niet de
Wet van Allah (swt) volgde maar de opdrachten van de Khalifa, of dezen nu tegen
de Wet van Allah (swt) waren of niet. Toen ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez eenmaal
als Khalifa verkozen was kwam Chaalid bij hem om zijn positie als hoofd van
beveiliging van de Khalifa weer op te nemen. Chaalid had deze positie namelijk ook
tijdens de twee Kaliefen voor Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez bekleed. Khalifa
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez keek naar Chaalid en zei: "Jij, Chaalid, leg je
zwaard neer! O Allah, ik heb voor jouw Chaalid ar Rayyaan verlaagd. Moge Allah
(swt) hem nooit meer verhogen!". Daarna liet Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez
een andere bewaker bij zich komen, genaamd ‘Amr bin Moehaadjir al Ansari. Hij
zei tegen hem: "Bij Allah, jij weet ‘Amr, dat er geen bloedrelatie tussen ons
bestaat, behalve de relatie van Islam. Maar ik heb jouw vaak de Koran horen
lezen en ik heb je zien bidden op plaatsen waar je dacht dat niemand je zou
zien. Ik heb gezien dat je een toegewijd moslim bent, die zijn gebeden op mooie
en correcte wijze verricht. Neem derhalve dat zwaard, want ik benoem je bij
deze als hoofd van mijn beveiliging".
Ten tweede zorgde hij ervoor dat
de mensen in de posities van invloed en macht zich realiseerden dat Allah (swt)
hen deze posities niet had gegeven als gunst. Zij bevonden zich niet in een
positie van invloed en macht om hiervan te kunnen genieten, maar om voor het
welzijn van Islam en de mensen te zorgen. En dat er dus van hen verwacht werd
dat zij aan het werk gingen en er op toe zouden zien dat de Sjari'a van Allah
(swt) op correcte wijze uitgevoerd en nageleefd werd. De Khalifa schreef zijn woelaa
(gouverneurs): "Julie moeten weten dat de religie verzorgd wordt door de
tenuitvoerbrenging van rechtvaardigheid en barmhartigheid. Acht geen enkele
zonde klein. Probeer niet te ontvolken wat dichtbevolkt is. Probeer niet van
jullie onderdanen te nemen wat hun mogelijkheden te boven gaat. Neem van hen
(enkel) datgene wat zij kunnen geven. Doe alles wat jullie kunnen om de
samenleving en haar welvaart te verbeteren. Regeer op milde wijze en zonder
hardheid. Accepteer geen cadeaus tijdens de feestdagen. Neem geen prijs voor de
verdeling van het Heilige Boek onder de mensen (oftewel verdeel deze gratis en
laat de mensen hier niet voor hoeven betalen). Leg geen belastingen op aan de
reizigers, op huwelijken, of op de melk van de kamelen. En dring niet aan op de
djiziyya (de belasting die betaald wordt door de niet-moslim onderdanen
van de Islamitische Staat) bij de mensen die Islam hebben geadopteerd".
Verder schafte hij al de
belastingen af die zijn voorgangers ingesteld hadden naast de belastingen die
Allah (swt) verordend heeft. Hij reorganiseerde de praktijken die toegepast
werden voor de heffing van de zakah om onrecht t voorkomen. Vervolgens
benutte hij de belastinginkomsten om de uitkeringen voor de zwakken en
behoeften in de samenleving te verhogen, maar ook om de publieke werken ten
uitvoer te brengen die de mensen ten voordeel zijn. Zo liet hij wegen bouwen en
verbeteren, zoals de weg van Chorasan naar Samarkand (in het huidige
Oezbekistan), maar ook moskeeën en herbergen voor reizigers. Hij liet ook grote
centra voor onderwijs oprichten om het makkelijk te maken voor de mensen om
algemene wetenschappen te studeren, maar ook de specifiek Islamitische
wetenschappen zoals oesoel, fiqh, hadith en tafsier. Hij bestreed misdaad door de gevangenbewaarders
de opdracht te geven om de gevangenen niet te mishandelen maar te onderwijzen
in Islam, om hen liefde voor vroomheid bij te brengen en afschuw van zonde. Hij
zorgde voor een maandelijkse uitkering voor de gevangenen en kleding die
geschikt was voor het seizoen. Om het gebied beter te kunnen besturen liet hij
in Islamitisch Spanje, Al Andalus, zijn waali een census verrichten onder de
bevolking en al het land opnemen om te kunnen registreren hoe vruchtbaar het
was, wat er op verbouwd kon worden, enzovoorts. Hij liet ook Ibn Hatim ibn an
Noe'uman een leger aanvoeren om de Turkse invallen in Azerbeidjaan te doen
stoppen. En onder zijn bewind trokken de legers van Islam de Pyreneeën over tot
in Zuid-Frankrijk. Ten slotte zag hij er op toe dat ook de niet-moslims geen
onrecht werd aangedaan. Toen de christenen van Damascus zich bij hem beklaagden
omdat hun basiliek van Sint Johannes van Damascus door een voorganger van Khalifa
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez was ingenomen om als moskee te fungeren, gaf Khalifa
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez opdracht om het gebouw aan de christenen terug te
geven.
In het jaar 101
Hidjri stierf Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez, na slechts tweeënhalf jaar de
Emir al Moe'uminien te zijn geweest. In deze korte tijd, echter, had Khalifa de
Islamitische Staat doen wederopleven. Hij had bij de mensen het bewustzijn
teruggebracht dat zij behoorden te verlangen naar de Tevredenheid van Allah
(swt) en welzijn in het hiernamaalse leven (aachira), in plaats van het
welzijn in het huidige leven (doenja), en dat zij naar dit verlangen
moeten leven en werken. Tegelijkertijd had hij ervoor gezorgd dat de posities
van macht en invloed in de Staat ingenomen werden door mensen die zich hiervan
bewust waren. Waardoor hij ervoor had gezorgd dat Islam nauwkeurig ten uitvoer
gebracht werd, op alle niveaus, en dus dat onrecht uitgebannen werd en er op de
juiste manier voor belangen van Islam en de mensen gezorgd werd. Verder had
Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez al de handelingen ondernomen die
noodzakelijk waren om het welzijn in de Islamitische Staat te bevorderen.
Middels de bouw van vele nieuwe moskeeën werd het niveau van onderwijs
verbeterd en het Islamitische bewustzijn bij de mensen versterkt. De
voorzieningen die hij liet organiseren voor de reizigers versterkte de eenheid
van de Staat en deed de handel floreren. En zijn inspanningen voor het leger bracht
rust en stabiliteit in de grensgebieden van de Islamitische Staat en maakte het
mogelijk om de rechtvaardigheid van Islam verder te verspreiden over de aarde.
Men zegt dat
onder zijn voorganger Khalifa ‘Abdoel Malik de mensen er van hielden om te
spreken over gebouwen en tuinen. Dat zij onder zijn voorganger Khalifa
Soeleyman er van hielden om te spreken over romantiek en liefde. Maar dat zij
onder Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez er van hielden om te spreken over het
gebed, het vasten en de Koran.
Zijn dood
Aan het begin van
de maand Radjab, 101 Hidjri, begon Khalifa ‘Oemar tekenen van ziekte te
vertonen. Een onbekend iemand had hem vergif toegediend. Op de 20e
Radjab stierf hij uiteindelijk nabij Aleppo, Syrië. Zijn kalifaat had toen
slechts twee jaar en vijf maanden geduurd.
Na zijn dood kwamen de mensen naar zijn vrouw om hun
deelnemingen te uiten. Ze zeiden tegen haar: "Vertel ons over hem, want
voorwaar, degene die een man het beste kent is zijn echtgenoot". Ze zei:
"Inderdaad, hij bidde noch vastte meer dan jullie, maar ik heb nooit een
dienaar van Allah (swt) gezien die Hem meer vreesde dan ‘Oemar. Hij wijdde zijn
lichaam en zijn ziel aan de mensen. Heel de dagwas hij bezig hun belangen te
behartigen. En wanneer de avond kwam dan bleef hij zitten zolang de zaken
bleven. Op een avond nadat hij alles beëindigd had vroeg hij om zijn lamp, de
olie waarvoor hij kocht met zijn eigen geld, en verrichte een gebed van twee
raka'a. Toen ging hij zitten met zijn benen gevouwen onder hem, en zijn kin in
zijn handen, en tranen druppelden langs zijn wangen naar beneden. En dit hield
niet op totdat de ochtend kwam en hij opstond voor een dag van vasten. Ik zei
tegen hem: ‘O Emir al Moe'uminien, was er iets wat u zorgen gaf, gisteravond?'.
En hij zei: ‘Jawel, ik zag hoe ik bezig met het behartigen van de belangen van
de gemeenschap, de zwarte schapen onderhen en de witte schapen, en ik
herinnerde me de vreemdeling, armoedig rondgaande, en de armen en de
behoeftigen, en de gevangene in zijn gevangenschap, en all degenen zoals hen op
de verre plaatsen van de aarde, en ik realiseerde me dat Allah (swt) me over
hen allen zal vragen, en dat Mohammed (saw) zou getuigen over hen, en ik
vreesde dat ik geen excuus zou hebben over hen allen wanneer ik met Allah (swt)
ben, en geen verdediging met Mohammed (saw)'. En zelfs wanneer ‘Oemar samen met
me in bed was, waar een man gewoonlijk plezier vindt bij zijn vrouw, als hij
zich dan een zaak van iemand onder de mensen van Allah herinnerde dan was hij
ontdaan zoals een vogel die in het water is gevallen. Dan zou zijn huilen
opwelen totdat ik in vriendelijkheid de dekens van hem zou slaan. ‘Bij Allah',
zei hij dan, ‘hoezeer wens ik dat er tussen mij en deze positie (van Khalifa)
de afstand tussen en Oost en West was!'. (Overgeleverd door Aboe Joesoef in
diens Boek betreffende belasting op het Land).
Wat hem bijzonder maakte
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez gaf de officiële opdracht tot het verzamelen
van de ahadith van de Boodschapper van Allah (saw) in boeken. Degenen onder de
moslims die dezen kenden of in hun bezit hadden waren her en der verspreid over
de Khilafa, waardoor de mensen soms leugens betreffende de Boodschapper van
Allah (saw) accepteerden als waarheid. Hij gaf Ibn Sjihaab az Zoehri de
opdracht om dit werk te verrichten. Hij zei: "Zoek voor de ahadith van de
Boodschapper van Allah (saw) en verzamel hen!".
Zijn nauwkeurigheid in de ten uitvoerbrenging van Islam bracht de
mensen ongekende welvaart. Yahya ibn Saied heeft overgeleverd dat Khalifa
‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez hem de opdracht had gegeven om de inning en
verdeling van de zakah te organiseren in Afrika. Hij vertelde dat hij niemand had
weten te vinden om de zakah aan uit te geven, oftewel dat iedereen in Afrika
voldoende te eten had, kleding had een huis ad en schuldenvrij was. Daarom had
Yahya het zakah geld gebruikt om slaven vrij te kopen. Men zegt ook dat het
tijdperk van Khalifa ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez een periode was waarin degene
die geld gaf aan de armen dit terug kreeg, omdat er geen armen gevonden konden
worden. Daarom zeiden de mensen: " ‘Oemar ibn ‘Abdoel ‘Azziez heeft de behoefte
van de mensen bevredigd."
Zijn nederigheid was zo groot
dat bezoekers van Khalifa hem geregeld niet herkenden als Khalifa.
Na zijn aanstelling als Khalifa bood hij zijn vrouw de keus om bij hem
te blijven in hun huis, of om terug te keren naar het huis van haar vader.
Omdat hij zich zorgen maakte dat hij in het ambt van Khalifa niet meer genoeg
tijd voor haar zou hebben. Ze moest huilen bij de gedachte niet meer ‘Oemar ibn
‘Abdoel ‘Azziez als echtgenoot te hebben, en koos ervoor om bij hem te blijven.
Ook gaf hij al zijn concubines de vrijheid aan. Ze mochten zelf kiezen of ze
bij hem wilden blijven leven, of dat ze uit zijn huishouden vertrokken. Hij
vertelde hen dat zijn gedachten voortaan bij iets anders zouden zijn dan het
samenzijn met vrouwen. Daarop begonnen de vrouwen allen wanhopig te huilen vroegen
bij hem te mogen blijven.
|