|
In het
Westen is de evolutietheorie een algemeen aanvaarde theorie wanneer er
gesproken wordt over het ontstaan van het universum en het leven. Van kleins af
aan worden de mensen deze gekoesterde evolutietheorie met de paplepel
ingegoten. Ze wordt beschreven als rationeel, wetenschappelijk en intellectueel.
De evolutietheorie is gekomen als alternatief voor de scheppingsleer, met de
bewering dat het geloof in God niet meer nodig is omdat middels de
evolutietheorie het ontstaan van de mens verklaard kan worden op een
wetenschappelijke manier, en dat hiermee is aangetoond dat het bestaan van een
Schepper slechts op fabeltjes berust. Het geloof in een Schepper die de wereld
en alle materie geschapen heeft, wordt in het Westen daarom gepresenteerd als
iets achterlijks en irrationeel. Iets dat vroeger gebruikt werd om complexe
materie te verklaren. Wat vandaag de dag dus met behulp van de wetenschap verklaard
kan worden. Om deze reden kan men bemerken dat wanneer iemand komt met de
theorie dat het universum geschapen is door een God, velen dit een belachelijk
idee vinden, ondanks het feit dat ze vaak geen een afdoend begrip hebben van de
evolutieleer. Wamt wat houdt deze theorie nu precies in? Is deze theorie
inderdaad zo rationeel, wetenschappelijk en correct als de mensen denken? En is
ze een werkelijk en gerechtvaardigd argument tegen de scheppingsleer? Dit
artikel zal trachten deze vragen te beantwoorden door de evolutietheorie te verduidelijk,
om vervolgens te onderzoeken of deze inderdaad een argument is dat volstaat tegenover
de scheppingsleer.
De geschiedenis van de
evolutieleer: evolutie van de evolutieleer
Het
idee van de evolutie van soorten leefde reeds bij sommige natuurfilosofen in de
Oudheid. In Europa was het pas na de Verlichting dat deze theorie in haar
algemeenheid meer aanhang verwierf. Er zijn verschillende personen geweest die
bijgedragen hebben aan de ontwikkeling en beschrijving van de theorie.
Hoewel
Charles Darwin het meest bekend is in de evolutieleer, was hij niet de eerste
onderzoeker die stelde dat soorten in de loop der tijd veranderen in nieuwe
soorten. In de achttiende eeuw was er een naturalist genaamd Georges de Buffon
(1707 - 1788) die het idee introduceerde dat het leven niet sinds de creatie
vast heeft gestaan, qua vorm. Hij geloofde dat leeuwen, tijgers, huiskatten en
luipaarden allemaal een gemeenschappelijke voorouder hadden. Één van de eerste wetenschappers
die een evolutietheorie uiteenzette was Jeann-Baptiste de Lamarck (1744 - 1829).
Zijn opvattingen zijn bekend geworden als het Lamarckisme. Lamarck was
gefascineerd door de overeenkomsten tussen verschillende dieren die hij
bestudeerde en de gelijkenis van de fossielen. Dit leidde hem tot de speculatie
dat het leven niet vast stond. Wanneer omgevingen veranderen is het
noodzakelijk dat dieren hun gedrag zullen veranderen om te overleven, zo stelde
hij. Als een giraffe bijvoorbeeld zijn nek zou uitstrekken om bladeren van de
bomen te eten, zal er een bepaalde vloeistof door zijn nek lopen waardoor zijn
nek zal groeien. Volgens Lamarck zal zijn nageslacht vervolgens de langere nek
erven, met als resultaat dat door de eeuwen heen er giraffen zullen zijn met
zeer lange nekken, zoals vandaag de dag waarneembaar is. Organen die de organismen
minder gebruiken zullen vervolgens over de jaren heen gaan krimpen. Hetzelfde
geldt voor de mens, waarin als voorbeeld wordt gebruikt dat het nageslacht van
de familie van een smid sterker zal zijn dan het nageslacht van een kleermaker,
door het fysiek zware werk dat de smid verricht. Lamarck zette deze theorie uiteen
in zijn boek "Philosophie zoologique" (1809).
Lamarck's
theorie werd echter hevig bespot en aangevallen door zijn collega naturalisten,
zoals Georges Cuvier (1769 - 1832). Hij was een fervent tegenstander van de
ideeën van Lamarck en ridiculiseerde het idee dat kinderen van een smid grotere
spieren zouden hebben dan die van een kleermaker. Uiteindelijk werden de ideeën
van Lamarck nooit algemeen geaccepteerd voor hij stierf in 1829.
De beroemde
onderzoeker Charles Darwin had een andere argumentatie dan Lamarck. Hij
beargumenteerde namelijk dat de complexiteit van het wezen evolueert doordat
het zich aanpast aan zijn lokale omstandigheden, en dit van generatie op
generatie. Hij beweerde eveneens dat soorten eerder uitsterven dan dat zij
veranderen in nieuwe vormen. Dit fenomeen wordt "natuurlijke selectie" genoemd.
Echter, Darwin gebruikte dezelfde bewijzen voor evolutie als Lamarck en hij
accepteerde net zoals Lamarck de bewering dat veranderingen in het leven van
een organisme overgeheveld kunnen worden naar de volgende generaties. Darwin
ontwikkelde zijn ideeën tijdens zijn loopbaan als natuuronderzoeker en in 1859
publiceerde hij zijn theorie in het boek "On
the origins of species by means of natural selection". Hetgeen Darwin echter frustreerde en hij niet kon verklaren
was herediteit. Herediteit is een benaming voor het proces waarbij er
eigenschappen van een organisme overgebracht worden op het nageslacht. Darwin
vroeg zich af hoe het kon zijn dat
kinderen grotendeels lijken op hun ouders, maar toch ook anders zijn? Deze
vraag frustreerde de onderzoeker, daar herediteit een fundament is in de
evolutie.
Een
Britse bioloog genaamd Alfred Russel Wallace (1823 - 1913) ontwikkelde zoals
Darwin ook een theorie over evolutie, toen hij reisde door Indonesië en
Maleisië om monsters te verzamelen en de natuur te bestuderen. Wallace stuurde zijn
ideeën naar Darwin middels een essay genaamd "On the Tendency of Varieties to Depart Indefinetely From the Original
Type". Darwin en Wallace
hadden beiden, onafhankelijk van elkaar, een natuurlijke en observeerbare
theorie van evolutie gevonden, het proces dat Darwin "natuurlijke selectie"
noemde.
Binnen
enkele decennia accepteerden de meeste wetenschappers het argument van evolutie,
dat soorten afstammen van een gemeenschappelijke voorouder. Maar natuurlijke
selectie werd over het algemeen nog niet geaccepteerd. Darwin beweerde namelijk
dat in natuurlijke selectie de soorten veranderen door minuscule variaties.
Echter, de andere onderzoekers (de Mendelisten, naar Gregor Mendel) vonden
grote verschillen tussen eigenschappen gecodeerd door allellen.
Om van een bepaald allel te veranderen in een ander allel dient evolutie
gigantische veranderingen te ondergaan, een idee dat tegenstrijdig is aan
Darwin's idee.
In 1920
begonnen genetici te geloven dat de natuurlijke selectie inderdaad invloed kan
hebben op de genen. Het werd duidelijk voor hen dat iedere eigenschap een
product is van meerdere genen, in plaats van één. Derhalve kan een mutatie van
eenieder van deze genen kleine veranderingen in de eigenschap doen realiseren,
eerder dan een drastische transformatie. Wetenschappers zoals Ronald Fisher, J.B.S.
Haldane en Sewall Wright bewezen dat natuurlijke selectie kon opereren in een
Mendeliaanse wereld. Zij voerden experimenten uit en bouwden nieuwe
ingewikkelde mathematische modellen van evolutie. Hun benadering, beter bekend
als "population genetics", onthulde hoe mutaties, indien zij
beïnvloed zijn door natuurlijke selectie, ontstaan en verspreid kunnen worden
door een populatie heen. Zelfs een klein voordeel kan ervoor zorgen dat genen
zich versneld verspreiden door een groep van dieren, planten en dat zelfs
andere vormen zullen uitsterven. Evolutie, zoals zij zeggen, vindt plaats door
middel van kleine mutaties, daar grote mutaties bijna altijd schadelijk zullen
zijn voor het organisme. Aldus verwerd populatie genetica tot één van de
fundamentele elementen van wat Moderne Synthese genoemd zou worden.
In 1937
schreef een geneticus genaamd Theodosius Dobzhansky een boek genaamd "Genetics and the Origin of Species". In dit boek beschrijft hij de
combinatie van genetica en de natuurlijke geschiedenis. Deze combinatie trok de
aandacht van veel biologen om samen een verklaring te zoeken voor het
evolutieproces. Uiteindelijk resulteerde dit in het boek "The Modern
Synthesis". Dit boek wordt gezien als een duidelijke uitleg van de
evolutieleer. Genetica, paleontologie en vele andere soorten wetenschappen,
werden gecombineerd om te laten zien hoe mutaties en natuurlijke selectie
grootschalige evolutionaire veranderingen kunnen teweegbrengen.
Terwijl
biologen de "Modern Synthesis" afwerkten, zochten genetici intensief
naar de moleculen die de genetische informatie zouden moeten dragen. Zij wisten
dat cellen verschillende soorten moleculen bevatten, zoals proteïnen en zuur,
maar de vraag was welke de capaciteit heeft om informatie te dragen en
gekopieerd te worden tot nieuwe cellen. Het antwoord kwam door middel van de ontdekking
van DNA door Francis Crick en James Watson. Deze ontdekking bracht een
revolutie teweeg in de evolutionaire biologie. De mutaties werden verklaard
door de veranderingen in DNA-structuur. Het is namelijk mogelijk dat een paar genen
kan veranderen of dat een set genen gedupliceerd kan worden. Aldus zorgen de
mutaties ervoor dat een bepaald voordeel meer gewoon wordt voor de persoon,
waardoor uiteindelijk deze gemuteerde genen de oudere versies kunnen vervangen.
Uitleg van de evolutietheorie
Biologische
evolutie wordt gedefinieerd als "een afstammeling met een modificatie van een
gemeenschappelijke voorouder". In deze context wordt er met afstammeling bedoeld
"het overgaan van de ene generatie op de andere". Modificaties zijn
veranderingen in de genetische opmaak en in de frequentie van de genen. Deze
definitie omvat de zogenaamde kleinschalige evolutie, ofwel veranderingen in de
genen frequentie van een volk van één generatie tot de volgende. En ook grootschalige
evolutie, ofwel de afstamming van verschillende soorten van een
gemeenschappelijke voorouder over vele generaties. Er moet wel begrepen worden
dat biologische evolutie niet enkel een verandering over tijd is, zoals het
vallen van bladeren van een boom. Deze processen hebben namelijk niets te maken
met een genetische afstammeling door genetische erfenis.
Men
beweert dat vier basisprocessen de mechanismen van evolutie beschrijven. Dezen
zijn:
- Mutatie
- Migratie
- Genetische drift
- Natuurlijke selectie
Mutatie refereert naar de eigenlijke
veranderingen van het DNA in de cellen. Volgens de evolutieleer bepaalt de DNA
hoe de mens eruit ziet en hoe hij zich gedraagt. Derhalve kan een verandering
in het DNA zorgen voor een verandering in alle aspecten van het leven. Op het
moment dat cellen vermenigvuldigen wordt het DNA exact gekopieerd zoals zij is.
Echter het kan gebeuren dat er een mutatie voorkomt. Vanaf dat moment is het
DNA dus veranderd. Deze mutaties gebeuren willekeurig en zijn gewoonlijk niet
afhankelijk van externe factoren. De mutatie beïnvloedt de genen met als gevolg
dat deze beïnvloedde genen overgaan op de volgende generatie. Dit is derhalve
een vorm van evolutie. Mutaties worden meestal veroorzaakt door straling,
chemicaliën en virussen. Een voorbeeld hiervan is kanker, dat ontstaat wanneer
(minimaal) zeven mutaties plaatsvinden. Mutatie is een vorm van genetische
variatie. Genetische variatie is het bestaan van verschillen in het genetisch
materiaal van een populatie, biologische soort of een geheel ecosysteem. Deze
variatie zorgt voor verschillen binnen een soort. De variatie ontstaat ofwel
door geslachtelijke voortplanting waarbij het genetisch materiaal van twee
ouders gecombineerd worden, of door mutatie.
Migratie (gene flow) is het vloeien van de genen van een bepaalde
populatie naar een andere. Wanneer de genen verplaatst worden naar een
populatie waar die genen voorheen niet bestonden, verwordt de migratie van de
genen tot een belangrijke bron van genetische variatie. De migratie kan zowel
bij mensen als andere organismen voorkomen. Zo was de migratie van vele
Afrikanen naar Amerika een vorm van migratie waar beide volkeren werden
gemengd. In het geval van dieren en planten worden sommige soorten met elkaar gekruist.
Zo bestaat er de Zeedonk, wat een
kruising is tussen de zebra en de ezel (in het Engels: donkey).
Er kan
gezegd worden dat zowel mutatie als migratie bronnen zijn voor genetische
variatie, naast het feit dat ze mechanismen van evolutie zijn, omdat variatie
in de populatie voorkomt door mutatie en migratie.
Genetische drift refereert naar
de situatie waar bij toeval sommige individuen wat meer afstammelingen
achterlaten dan anderen. Waardoor er dus meer genen zijn van deze individuen
dan van andere individuen. Wanneer er bijvoorbeeld op een insect getrapt wordt,
is er één insect minder om zijn genen naar een nieuwe generatie over te geven.
Dit betekent weer dat er meer insecten zijn met andere karakteristieken die in
staat zijn hun genen voort te brengen, binnen dezelfde populatie. Deze
genetische drift beïnvloedt derhalve de genetische opmaak van een populatie.
Natuurlijke selectie op zijn beurt bestaat
uit weer drie componenten:
- Variatie in karakteristieken:
bijvoorbeeld, sommige kevers zijn bruin en anderen zijn zwart;
- Verschillen in reproductie:
bijvoorbeeld, sommige insecten worden eerder opgegeten dan anderen, dus er
ontstaat een verschil in reproductie;
- Overerving: Bruine kevers
hebben bruine baby's, zij geven de genen door die bepalen dat de kleur
bruin wordt.
Wanneer
we deze componenten samen nemen, krijgen we de werking van natuurlijke selectie:
de bruine kleur van de kever komt steeds meer voor in de populatie doordat hij
meer reproduceerd of minder opgegeten wordt. En wanneer dit proces lang genoeg
doorgaat dan zullen uiteindelijk alle kevers in de keverpopulatie bruin zijn. Een
ander begrip dat verbonden is met natuurlijke selectie is de lichamelijke
toestand van het organisme. Dit is gerelateerd aan de beroemde Darwinistische
theorie: "Survival of the fittest (overleven van de sterkste)". Dit
begrip omschrijft hoe goed een specifiek organisme zijn genenset zal overgeven
aan de volgende generatie, in vergelijking met andere genensets. Indien bruine
kevers meer nageslacht zouden voortbrengen in vergelijking met zwarte kevers,
wordt de bruine kever beschouwd als het hebben van een hogere lichamelijke
toestand. Al het overige gelijblijvende zal de bruine kever dan alsmaar
dominanter worden in de keverpopulatie.
Over
het algemeen kunnen al deze mechanismen ervoor zorgen dat de frequenties van de
genen in de populatie veranderen. Derhalve zijn zij allen mechanismen voor
evolutionaire verandering.
Op
basis van bovenstaande uiteenzetting stelt de evolutieleer dat al het leven op
aarde één en dezelfde voorouder deelt. Dit betekent dat alles familie van
elkaar is: mens, dier, plant, vis, et cetera. Het leven is uit de zee ontstaan
en heeft zich daar verder ontwikkeld, waardoor uiteindelijk organismen vanuit
de zee ter land kwamen en zich verder ontwikkelden. In tegenstelling tot wat
velen denken, beweert de theorie niet dat de mens van een aap afstamt, maar dat
de aap en mens een gemeenschappelijke voorouder hebben. Voortgaand op deze
theorie wordt er beweerd dat de mens geëvolutioneerd is van een soort aapachtig
wezen. De eerste gemeenschappelijke voorouder van de mensen en apen zou de "Australiopithecus"
zijn, een oud en uitgestorven apensoort. Verder is de mens niet "hoger" of
"verder geëvolueerd" dan andere levende wezens. Dit omdat er een gespleten
afstamming heeft plaatsgevonden. Vanaf een gemeenschappelijke voorouder zijn er
twee soorten ontstaan, die daarna verschillende geëvolueerd zijn. Derhalve
hebben de mens en de aap elk verschillende karakteristieken die in hen
geëvolueerd zijn en die uniek zijn aan hun eigen afstamming.
Een
andere conclusie die evolutionisten trekken is dat het leven per toeval
ontstaan is. Volgens hen zijn levenloze en onbewuste atomen toevallig bij elkaar
gekomen om een cel te vormen en door middel van evolutie heeft de cel zich
uiteindelijk ontwikkeld tot de organismen die we vandaag de dag waarnemen. En
met dit punt staan de evolutionisten tegenover de creationisten, die geloven
dat het leven is geschapen door een Schepper.
Argumenten aangedragen ter
ondersteuning van de evolutietheorie
De
mechanismen die zojuist uitgelegd zijn, zijn de bouwstenen van de
evolutietheorie. De volgende stap is om te kijken naar het bewijs aangedragen
ter ondersteuning van deze theorie. Immers, een wetenschappelijke theorie valt
of staat met het aangedragen bewijs. De vraag die derhalve gesteld moet worden
is: wat is het bewijs dat er evolutie heeft plaatsgevonden en dat ze
verantwoordelijk is voor de variëteit in het leven? En is er ook bewijs dat
laat blijken dat de genoemde mechanismen werkelijk de oorzaak zijn van al deze
veranderingen? De aangedragen bewijzen zijn onder te verdelen in zes
categorieën. We zullen al deze categorieën hieronder behandelen.
Fossielen
Fossielen
zijn het eerste bewijs dat aangedragen wordt ter ondersrteuning van de
evolutietheorie. Men beweert dat de gevonden fossielen uitstekende
momentopnames zijn van het verleden, waarin evolutionair bewijs over miljoenen
jaren te vinden is. Men kan verschillende conclusies trekken aan de hand van
gevonden fossielen. Zo kan men bijvoorbeeld aan de hand van verschillende gaten
of puncturen in het fossiel achterhalen hoe de interactie was met andere
diersoorten. Dit stelt de wetenschappers in staat om te onderzoeken wat voor
soort organisme voor de gaten verantwoordelijk was, het formaat van zijn kaken,
enzovoort. Verder kunnen fossielen ons wat vertellen over de groeipatronen van
de dieren. Door de doorsnede van de botten te onderzoeken, is het mogelijk om
het aantal bloedvaten te achterhalen, dit zal dan een indicatie zijn voor de
snelheid waarmee het dier is gegroeid.
Een significante sectie van de fossiele vondsten worden "transitionele
vormen" genoemd. Er zijn fossielen gevonden waarvan men zegt dat dezen de
tussenliggende staat tussen organismen uit de oudheid en hun afstammelingen van
tegenwoordig laten zien. Een voorbeeld van een dergelijke vondst is het fossiel
van de Beluga walvis. Deze walvis heeft vandaag de dag zijn neusgaten aan de
top van zijn schedel. Een andere walvis genaamd Pakicetus, die beschouwd wordt
familie te zijn van de hedendaagse walvissen en dolfijnen, had zijn neusgaten
aan de voorkant van zijn schedel. Dit dier leefde ongeveer 50 miljoen jaar
geleden. Er zijn ook fossielen ontdekt die dateren van ongeveer 25 miljoen jaar
geleden, waar de neusgaten zich in het midden van de schedel bevinden. Dit dier
werd de Aetiocetus genoemd. De wetenschappers pleiten derhalve dat de
Aetiocetus mogelijk de transitionele vorm kan zijn, de Pakicetus linkend met de
Beluga walvis, wat dus volgens hen een bewijs voor de evolutie is.
Bij de foto links: De
Beluga walvis
Bij de foto rechts: Schedel
Pakicetus
Bij de foto links:
Schedel van de Beluga walvis
Bij de foto rechts:
Schedel van de Aetiocetus
Homologieën
Het tweede dat aangedragen wordt als bewijs voor de evolutietheorie zijn
de zogenoemde homologieën. De evolutietheorie voorspelt dat organismen van
dezelfde voorouder gelijkenissen vertonen. Deze gelijke karakteristieken worden
homologieën genoemd. De aanname hierachter is dat alle soorten organismen een
gemeenschappelijke voorouder delen. In de loop der tijd evolueren nieuwe
soorten en de verwachting is dat deze soorten gelijkenissen delen, gezien het
feit dat zij afstammen van dezelfde voorouder. Een bekend voorbeeld is die van
de mens en de aap. In de geschiedenis hadden zij een gemeenschappelijke
voorouder van waaruit beide soorten evolueerden. Derhalve hebben mensen en
chimpansees gemeenschappelijke karakteristieken, omdat zij dezelfde voorouders
delen.
Door de anatomie van verschillende organismen te bestuderen en te kijken
naar cellulaire gelijkenissen en verschillen, en middels het besturen van de
embryologische ontwikkeling van organismen, kunnen er homologieën gevonden
worden en vindt men aanwijzingen voor de evolutie van de organismen van vandaag
de dag. Gedurende verschillende ontwikkelingsfases, erven organismen
voorouderlijke kenmerken in volledige of onvolledige vorm. Bijvoorbeeld,
sommige soorten slangen hebben achterpoten in hun vroege embryo stage, maar zij
verliezen dezen en ontwikkelen zich uiteindelijk tot pootloze volwassenen. Het
onderzoek naar de ontwikkelingsfases van slangen, gecombineerd met de fossiele
bewijsvoering van slangen met ledematen, ondersteunt de hypothese dat slangen
geëvolueerd zijn van een voorouder met poten.
Op cellulair en moleculair niveau vindt men vele fundamentele gelijkenissen
tussen de cellen van levende wezens. Dit kan uitgelegd worden met behulp van de
evolutieleer. Alle organismen zijn gemaakt van cellen, die op hun beurt bestaan
uit membranen die gevuld zijn met water wat genetisch materiaal, proteïnen, vetten,
koolhydraten, zouten en andere substanties bevat. De cellen van de meesten van
de organismen gebruiken suiker als brandstof, terwijl zij proteïnen produceren
als bouwende blokken en boodschappers. Wanneer een dierlijke cel vergeleken
wordt met de cel van een plant, zijn er enkel drie structuren uniek tegenover de
ander. Namelijk, de celwand, de centriool en de chloroplast. Alle andere
aspecten zijn gemeenschappelijk, zoals de nucleus, cytoplasma en de vacuole.
Ook wanneer men de genen van verschillende organismen bestudeert vindt
men bij sommigen verbazingwekkende gelijkenissen. Wormen vertonen bijvoorbeeld
voor 25% dezelfde genen als mensen. DNA is als het ware een homologie voor alle
levende dingen. Alles heeft een DNA en dit is een gemeenschappelijke eigenschap
die dus, volgens de aanhangers van de evolutieleer, voortgekomen moet zijn
vanuit een gemeenschappelijke voorouder.
Homologieën worden als het ware gebruikt als een bewijs voor de theorie,
daar het ontstaan van gelijkenissen tussen groepen organismen een indicatie wordt
geacht van gemeenschappelijke voorouders en dus evolutie.
Diversiteit
Het bestaan van biodiversiteit vandaag de dag is het derde dat als bewijs
wordt aangedragen voor de evolutietheorie. Er is voldoende tijd geweest om de
diversiteit van vandaag de dag te produceren. De leeftijd van de aarde is
vastgesteld door relatieve vaststelling, door de verschillende rotslagen op de
aarde te bestuderen, en door numerieke vaststelling, wat afhankelijk is van de bederving
van radioactieve elementen zoals uranium en potassium. De conclusie die hieruit
getrokken is is dat de tijdschalen adequaat genoeg zijn voor de evolutie om de
biodiversiteit vandaag de dag tot bestaan te brengen.
Kunstmatige selectie
Kunstmatige selectie wordt eveneens aangedragen als een bewijs voor
evolutie. Dit omdat mensen selectieve kweking met planten en dieren voor
honderden jaren hebben uitgevoerd en deze kweking heeft laten zien hoe soorten
drastisch kunnen veranderen. Het kan gesteld worden dat kunstmatige selectie de
mogelijkheid heeft om de vormen en gedragingen van populaties te wijzingen tot
het punt dat zij schijnbarend anders dan hun voorouders verworden. Dus kunstmatige
selectie wordt daarom als model genomen voor de werking van natuurlijke
selectie.
Omgang met variatie in omgeving en
ecologie
De variatie in de omgeving en ecologie wordt ook gezien als een bewijs
voor evolutie. Een voorbeeld hiervan is de huismus die in de 19e
eeuw overkwam vanuit Europa naar Noord-Amerika. Er wordt gezegd dat de
variërende woonomgevingen tot genetische variatie heeft geleid, die het
mogelijk maakte voor de huismus om het grootste gedeelte van het continent te bewonen.
Huismussen in het noorden zijn groter en donkerder dan de zuidelijke huismus.
Donkergekleurden absorberen zonlicht beter dan lichtgekleurden en een groter
formaat van het dier is voordelig in koude omstandigheden.
Wetenschappelijke experimenten
Als laatst hebben wetenschappelijke experimenten laten zien dat
populaties kunnen evolueren. John Endler van de Universiteit van Californië
experimenteerde met guppies (een vissoort). Vrouwelijke guppies prefereren
kleurrijke mannetjes voor het paren en jagende vissen prefereren eveneens een
kleurrijke vis omdat dezen makkelijker te zien en dus te vangen zijn. In
sommige delen van het water waar minder jaagvissen leven, leven eveneens meer
kleurrijke guppies. Echter, in de delen van het water waar veel jaagvissen
leven, zijn de guppies minder kleurrijk. Toen Endler jaagvissen verplaatste
naar de regio's waar veel felgekleurde guppies leefden, ging natuurlijke
selectie in werking waardoor er een populatie van donkerdere mannelijke guppies
werden geproduceerd. Dit demonstreert volgens Endler dat de variatie van een
populatie verandert wanneer de levensomstandigheden veranderen.
Wat is er mis met de
evolutietheorie?
Alvorens
kritiek te geven op de evolutietheorie dient men twee zaken met betrekking tot
de theorie te onderscheiden, namelijk de processen van de evolutietheorie en de
aangenomen hypotheses van de evolutietheorie. De mutatie, migratie, genetische
drift en natuurlijke selectie zijn namelijk allen waarneembare realiteiten en
kunnen derhalve niet bediscussieerd worden. Derhalve zal de focus van de kritiek
niet hierop gericht zijn. De centrale vraag is echter: zijn de waargenomen
processen de verklaring voor de biodiversiteit, zoals de evolutionisten
stellen?
Het eerste punt van kritiek richt zich op de methodologie achter de
ontwikkeling van de theorie. Het is namelijk zo dat de evolutietheorie, in
tegenstelling tot wat velen denken, niet wetenschappelijk is. Wetenschap,
namelijk, is gebaseerd op waarneming. Men probeert een waarneming door middel
van de ontwikkeling van een theorie te verklaren, waarna er vervolgens wederom
waarnemingen gedaan worden om de theorie te toetsen. Wanneer ook de additionele
waarnemingen passen bij de theorie, wordt de theorie bevestigd en wanneer de
additionele waarnemingen slechts gedeeltelijk passen bij de theorie, wordt
hierdoor duidelijk dat de theorie aangepast dient te worden. Wanneer geen van
de additionele waarnemingen passen bij de theorie, kan de theorie in zijn
geheel verworpen worden.
Toen Charles Darwin zijn theorie aan de mensen presenteerde is daar
echter geen waarneming van het evolutieproces zelf aan voorafgegaan. Er waren
wel waarnemingen van feiten die op elkaar leken en net iets van elkaar
verschilden, maar er was geen waarneming van het evolutieproces zelf. Hoewel hij
nooit dieren- of plantensoorten heeft zien evolueren, beweerde Darwin toch dat
het wel degelijk plaatsvond. Hij stelde dat het onmogelijk was voor de mens om
dit proces waar te nemen, omdat dit over een zeer lange tijd plaatsvond. Hieruit
blijkt dat Darwin juist het omgekeerde uitvoerde van wetenschap: hij bedacht
eerst zijn theorie zonder het proces van evolutie ooit waargenomen te hebben,
en ging daarna over op waarneming, ofwel op zoek naar wat hij als bewijzen voor
zijn theorie zou kunnen presenteren. Deze methode van onderzoek vertoont echter
twee methodische problemen voor wat betreft de objectiviteit van het resultaat.
Ten eerste, men is geneigd om te zoeken naar een bevestiging van de theorie,
waardoor men te snel conclusies kan trekken betreffende de waarneming en de
objectiviteit verloren gaat. En ten tweede, door deze methode van onderzoek is
men geneigd om de waarnemingen die het tegendeel van de theorie bewijzen, te
negeren. Waardoor de objectiviteit eveneens verloren gaat.
Een goed voorbeeld hiervan is de zogenaamde "Piltdown Man", een schedel
gevonden in 1912 in Groot-Britannië. Deze schedel werd initieel gepresenteerd
als bewijs voor de theorie. Er werd gezegd dat de "Piltdown Man" de missende
link of transitievorm was tussen aap en mens. Na 40 jaar geaccepteerd te zijn
als bewijs, beschreven in vele krantenstukken en tentoongesteld in meerdere
musea, kwam men erachter dat de onderkaak van de schedel niet bij de mens
hoorde, maar eigenlijk afkomstig was van een orang-oetang.
Het tweede punt van kritiek is dat er waarnemingen zijn geweest die de
evolutietheorie weerleggen.
Er zijn namelijk tientallen voorbeelden van planten en dieren die er
vandaag de dag nog exact hetzelfde eruit zien als honderden miljoenen jaren
geleden. Dus naast de feiten die zouden kunnen impliceren dat evolutie
werkelijk voorgekomen is, zijn er feiten waar men uit kan concluderen dat
evolutie helemaal niet plaatsgevonden heeft.
Een derde kritiekpunt is dat nergens ter wereld organismen in echt
transitionele vorm gevonden zijn. Waar zijn de organismen met half ontwikkelde
vleugels en ogen, bijvoorbeeld? En waar zijn de vissen die over nog in
ontwikkeling zijnde poten beschikken? De beroemde Darwin heeft deze vraag ook
aan zichzelf gesteld in de volgende bewoordingen: "Waarom zien we niet
overal transitionele vormen, als soorten afgestamd zijn door middel van
onwaarneembare kleine veranderingen? Waarom is niet al de natuur in de war, in
plaats van soorten, zoals we ze vandaag de dag zien, goed gevormd? Het is een
uitstekende vraag en ik kan geen bevredigend antwoord hierop geven".
De vierde kritiek op de evolutieleer is dat de oudste fossielen ter
wereld dieren weergeven met complexe vormen. Oftewel, die ver ontwikkeld zijn.
Dit zijn de fossielen gevonden in de Cambriaanse rotsen. Dezen stammen uit een
tijd van maar liefst 500 tot 550 miljoen jaar geleden. Zij zijn zo oud dat zij
geen voorouders kunnen hebben , maar zij zijn tegelijkertijd zeer complexe
levensvormen. Volgens de evolutietheorie behoren de levensvormen zich zich op
dat moment nog in een ontwikkelingsstaat te bevinden, echter.
Bij de foto: De fossielen
uit de cambria rotsen
Eén van de grootste atheïsten voorstander van de evolutietheorie, Richard
Dawkins, zei het volgende hierover: "De Cambriaanse strata van rotsen, zijn
de oudste waarin we de meeste ongewervelde groepen vinden. En velen van hun
bevinden zich in een geavanceerde staat van evolutie, terwijl het de eerste
keer is dat ze verschenen zijn. Het is alsof zij er spontaan zijn neergezet,
zonder enige evolutionaire historie."
Het vijfde kritiekpunt richt zich op het verschil tussen de organismen. Wanneer
we het hebben over kunstmatige selectie, dan kan het mixen van organismen in
voortplanting wel zorgen voor nieuwe combinaties, maar het aantal is heel erg
beperkt. Het aantal nieuwe combinaties is beperkt tot een vaste set van
genencombinaties. Derhalve kan deze mix niet een radicaal nieuwe soort
voortbrengen. Een Afrikaanse die gemeenschap heeft met een Europeaan, kan niet
een geheel nieuwe soort mens voortbrengen. Een mens bijvoorbeeld met een paarse
huidskleur. Het is daarom onmogelijk dat een mens en een aap aan elkaar verwant
kunnen zijn, zoals de evolutietheorie dit beweert. De kloof tussen mens en aap
zijn ontzettend groot, waardoor een evolutionistische paleoantropoloog genaamd
Elaine Morgan ook bekende:
"De vier
grootste mysteries van de mensen zijn:
1) Waarom lopen
ze op twee benen?
2) Waarom
hebben ze hun vacht verloren?
3) Waarom
hebben ze zulke grote hersenen ontwikkeld?
4) Waarom
hebben ze leren spreken?
De orthodoxe
antwoorden op deze vragen zijn:
1) Wij weten
het nog niet;
2) Wij weten
het nog niet;
3) Wij weten
het nog niet;
4) Wij weten
het nog niet.
De vragenlijst
kan nog aanzienlijk verlengd worden zonder invloed te hebben op de
eenduidigheid van de antwoorden."
In feite kan er dus gezegd worden dat eigenschappen kunnen veranderen,
maar de karakteristieken van de organismen kunnen dit niet. En dit is een
argument tegen evolutietheorie, die juist beweert dat de karaktersitieken wel
kunnen veranderen over tijd.
Een andere onderzoeker genaamd Ferreras zei het volgende nadat hij een
fossiel van een mens vond die meer dan 800.000 jaar oud is: "Wij verwachtten
iets grootst, iets omvangrijks, iets adembenemends... je weetwel, iets
‘primitiefs'. Onze verwachtingen van een 800.000-oude jongen was zoiets als de
Turkana-jongen. En wat wij vonden, was een volledig modern gezicht. Dit is voor
mij het spectaculairst... Dit zijn de soort dingen die je door elkaar schudden.
Om iets volkomen onverwachtst zoals dat te vinden. Het niet vinden van
fossielen, en het vinden van fossielen is ook
onverwacht, en het is okee. Maar het is spectaculairst iets vinden
waarvan je dacht, dat het tot het heden behoort en het komt uit het verleden.
Het is net zoals iets als een taperecorder in de Gran Dolina te vinden. Dat zou
erg verrassend zijn. We verwachten geen cassettes en taperecorders in het late
Pleistoceen. Het vinden van een modern gezicht is hetzelfde. Wij waren erg
verbaasd, toen we het zagen."
Het zesde en laatste kritiekpunt heeft betrekking op de mutatie. Wanneer
we vandaag kijken naar gemuteerde organismen, kunnen we zien dat de mutaties
altijd negatief zijn. Elke mutatie is een "ongeluk"en beschadigt de nucleotiden
die het DNA vormen of veranderen hun plaats. We kunnen gevolgen van mutaties
vandaag de dag zien door te kijken naar de slachtoffers van Hiroshima, Nagasaki
en Chernobyl. De gevolgen zijn de dood, mismaaktheid en misstanden van de
natuur. Dit werd mooi verwoord door B.G. Ranganathan: "De mutaties zijn
gering, willekeurig en schadelijk. Zij komen maar sporadisch voor en het beste
is als zij geen effect hebben. Deze vier eigenschappen van mutaties houden in,
dat mutaties niet naar een evolutionistische ontwikkeling kunnen leiden. Een
willekeurige verandering in een hoog ontwikkeld organisme is of zonder effect
of schadelijk. Een willekeurige verandering in een horloge kan het horloge niet
verbeteren. Waarschijnlijk brengt het schade toe of heeft op z'n best geen
effect. Een aardbeving verbetert de stad niet, het zorgt voor haar vernietiging."
Conclusie
Het is waarneembaar dat soorten kunnen veranderen. Maar de veranderingen
zijn altijd in de eigenschappen van de soort, en niet in de karakteristieken.
De karakteristieken, echter, definiëren de soort. Dus wanneer een persoon met
een donkere huidskleur en een persoon met een lichte huidskleur kinderen
krijgen, dan heeft dit kind al de karakteristieken van de mens en enkel de
karaktersitieken van de mens. Enkel zijn eigenschappen, zoals zijn huidskleur
en haar, kunnen anders zijn dan beide ouders. En wanneer er kruisbestuiving
plaatsvind, ook dan zijn het de eigenschappen die beïnvloedt worden en niet de
karakteristieken. Het kan dat de druif verschillende eigenschappen van een
ander fruit kan overnemen, waardoor sommige van haar eigenschappen veranderen,
zoals de afwezigheid van een pit, maar het blijft een druif. De manieren waarop
deze veranderingen in de eigenschappen plaatsvinden kunnen geschieden door
Migratie, Genetische Drift en Natuurlijke selectie.
De evolutionisten, echter, beweren dat soorten kunnen veranderen in
andere soorten. Dat de karakteristieken vabn een soort kunnen veranderen. Maar
uit bovenstaande analyse van de argumenten voor deze bewering moet
geconcludeerd worden dat de evolutietheorie eerder berust op fantasie en
speculatie dan op feit en wetenschap. De verkeerde methode van Darwin heeft
geleidt tot subbjectief onderzoek, en er zijn veel waarnemingen gedaan die
definitief het tegendeel van evolutie bewijzen.
De onjuistheid van de evolutietheorie en de vele waarnemingen die de
onderzoekers hebben gedaan impliceren zeer duidelijk dat soorten niet veranderd
zijn en dat zij te ingewikkeld en complex zijn om door middel van toeval tot
bestaan te komen. Het is duidelijk dat de organismen in al hun complexiteit
geschapen zijn door een Schepper die alles tot in detail ontworpen heeft
In de schepping van de hemelen en de aarde, in het verschil tussen nacht
en dag, in de schepen die op zee varen met wat nuttig is voor de mensen, in het
water dat Allah uit de hemel laat neerdalen om daarmee de aarde te doen
herleven nadat zij dood was, in dat Hij allerlei dieren erop heeft verspreid,
in het besturen van winden en in de wolken die voortgedreven worden tussen
hemel en aarde, zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn" (Zie
de vertaling van de betekennissen van de Koran, Soera Al Baqarah, vers 164).
|