|
Karin is niet het probleem
TIJD OM TE ERKENNEN DAT ER IETS FOUT IS GELOPEN - De grimmigheid waarmee het hoofddoekendebat zich de jongste dagen opdringt, maakt het onmogelijk de kwestie af te doen als louter een symbooldiscussie. Mensenrechtenspecialiste EVA BREMS is geen voorstander van een verbod, maar wil de Antwerpse Atheneumdirectrice Karin Heremans niet met de vinger wijzen.
Hoofddoeken! Elke dag belandt er wel eentje in mijn mailbox. Kan je mij adviseren? Kan je mee komen debatteren? Heb je al gehoord wat er ginds is gebeurd? En ook: waarom heb jij daar in de krant nog geen stukje over geschreven? Over het verbieden van hoofddoeken dus. Ja waarom? Omdat ik het allemaal al zo uitgebreid geschreven heb. Op 20 pagina's, of 30, met grondige juridische argumentatie en tientallen voetnoten. En er is nog een reden waarom ik aarzelde: Karin Heremans. De directrice van de athenea van Antwerpen en Hoboken is voor mij geen legitiem doelwit, ook al heeft zij de laatste hetze ontketend, met haar beslissing om vanaf dit schooljaar hoofddoeken op school te verbieden. Als geëngageerde directrice van concentratiescholen zet zij zich oprecht in voor de onderwijskansen van de - grotendeels islamitische - jongeren in haar scholen. Het is onrechtvaardig haar als verpersoonlijking van het hoofddoekverbod te beschouwen, terwijl andere Antwerpse scholen die geen gelijkaardig engagement vertonen, het verbod al veel langer hanteren. Mevrouw Heremans schermt niet met het handig vage begrip 'neutraliteit', en weet ook wel beter dan te gaan beweren dat de hoofddoek een symbool van onderdrukking zou zijn. Haar is het te doen om de bescherming van de levensbeschouwelijke vrijheid van de moslimmeisjes die geen hoofddoek dragen. Zij zegt dat in haar scholen een klimaat is ontstaan waarbij deze meisjes onder druk komen om zich te bedekken. Dat sommige meisjes om die reden enkel op school - en niet daarbuiten - een hoofddoek droegen. De bescherming van de vrijheden van anderen is een gegronde reden om iemands (godsdienst)vrijheid te beperken. Die beperking moet wel evenredig zijn. Als het schoolklimaat kon worden verbeterd door enkele leerlingen te sanctioneren, schendt een algemeen verbod dus toch nog de godsdienstvrijheid. Dat het verbod in de athenea van Antwerpen en Hoboken correct was, kan ik als mensenrechtenjurist dan ook niet zonder meer beamen. Maar wel dat mevrouw Heremans sterkere argumenten in huis heeft dan vrijwel alle andere schooldirecties die een verbod op 'hoofddeksels' of 'levensbeschouwelijke kentekens' in hun schoolreglement hebben ingelast. Die anderen zouden dan ook de focus van het debat moeten zijn. De huidige gespannen sfeer mag niet worden gezien als 'bewijs' van de noodzaak van een verbod, maar illustreert juist de averechtse werking ervan.
Moet de minister van onderwijs ingrijpen? Daar valt veel voor te zeggen. De verwijzing naar de autonomie van de school heeft in de praktijk een obstakel gecreëerd voor het genot van het recht op onderwijs. De prijs die sommige meisjes moeten betalen, is het inleveren van een ander mensenrecht: de vrijheid van godsdienst. Dat die de vrijheid omvat om in het openbaar de uiterlijke kenmerken van een godsdienst te dragen, staat buiten kijf. Als in een bepaalde regio alle ASO-scholen de hoofddoek verbieden, en hoofddoekdraagsters vervolgens en masse naar het TSO en BSO trekken, ontstaat het vermoeden dat de vrije toegang tot het onderwijs bedreigd is. En dan komt de internationale aansprakelijkheid van België in het geding. Wanneer simpelweg alle scholen in de regio de hoofddoek verbieden, is de situatie uiteraard nog ernstiger. Het Kinderrechtenverdrag zegt onder meer dat het onderwijs gericht moet zijn op verdraagzaamheid en vriendschap tussen godsdienstige groepen. Het expertencomité bij dit verdrag heeft al meermaals laten weten dat een verbod van hoofddoeken op school haaks staat op deze doelstelling. Het is tijd om te erkennen dat er iets fout is gelopen. Tot de Raad van State onlangs ingreep, was in sommige scholen de absurde situatie ontstaan dat zelfs een leerkracht islamitische godsdienst haar hoofddoek moest afnemen zodra zij het klaslokaal verliet. Wat leer je dan anders aan de leerlingen - moslims zowel als niet-moslims - dan dat de Islam te mijden is? Hoe valt dat te rijmen met een openbaar onderwijs dat de erkende erediensten integreert in het reguliere onderricht, en met het principe van het 'actief pluralisme' dat het gemeenschapsonderwijs beweert aan te hangen?
Een minister - of een inrichtende macht - die een regel op dit vlak overweegt, komt onder druk om daar een algemeen verbod van te maken. Dat zou een foute beslissing zijn. De situatie die in de Antwerpse athenea was ontstaan, is uitzonderlijk en te wijten aan de eerdere opstelling van andere scholen. Anders dan in Frankrijk, is de neutraliteit van het openbaar onderwijs in België nooit ingevuld als het weren van alle godsdienstige uitingen uit de school. Het is tijd om resoluut te kiezen voor een open en inclusieve invulling van het neutraliteitsprincipe. Religieuze druk mag en moet verboden zijn op school. Maar tegelijkertijd moet de school ook vijandigheid tegen godsdienstige kenmerken en uitingen tegengaan, en zeker niet in de hand werken.
www.standaard.be
|