|
Introductie
Het Midden-Oosten vraagstuk is onlosmakelijk verbonden met Islam, dat een ideologisch alternatief is voor kapitalisme. Het Midden-Oosten is namelijk het natuurlijke thuis van Islam. Daar is Islam begonnen en daar wordt de Arabische taal, de taal van Islam, gesproken. Het is ook verbonden met de strategische ligging van het Midden-Oosten, dat de verbindingsroutes tussen Europa, Afrika en Azië controleert. En het is verbonden met grondstoffen, met name olie, wat de bron van energie is en daarmee de oorsprong van alle materiële macht. Door dit alles zijn de aangelegenheden betreffende het Midden-Oosten niet enkel van belang voor de mensen die er wonen en de moslims, maar voor de mensen van gans de wereld.
Wat betreft Islam, omdat Islam na de ondergang van communisme het enige overgebleven ideologisch alternatief is voor kapitalisme, is het niet verwonderlijk dat Amerika, de leider van de kapitalistische wereld, deze ideologie tot haar ideologische en daarmee belangrijkste vijand heeft verklaard. De termen "terrorisme", "religieus extremisme", "radicalisme" en "fundamentalisme" worden door Amerika als dekmantel gebruikt voor hun campagne tegen Islam en de Islamitische bevolking van het Midden-Oosten, maar ook daarbuiten. Amerika probeert met alle macht die tot haar beschikking staat de Islamitische politieke bewegingen ver van heerschappij af te houden. Hiervoor gebruikt zij militaire bezetting en haar agenten in de regio, die op hun beurt weer gebruik maken van onderdrukking, geweld, foltering.
De ligging van het Midden-Oosten is van strategisch belang daar het de verbindingsroutes tussen oost en west en noord en zuid controleert. Het Midden-Oosten is het knooppunt van de drie oude continenten Afrika, Europa en Azië. En zowel de Straat van Gibraltar als de Bosporus, de Golf van Aden, de Straat van Hormuz, het Suezkanaal, de Middellandse Zee, de Zwarte Zee, de Rode Zee en de Perzische Golf liggen allen in haar gebied van invloed. En het Midden-Oosten is daarmee het kruispunt van de goederen- en grondstofroutes tussen de drie genoemde continenten.
De olievoorraden van het Midden-Oosten zijn meer dan de helft van de totale wereldoliereserve. Verder vertegenwoordigen de grondstoffen van het Midden-Oosten enorme rijkdom, omstreeks tien keer de rijkdom van Europa en Amerika tezamen.
Ten slotte is de zionistische bezettingsstaat in Palestina gevestigd. Deze staat is de kern van de belangrijkste problemen in de wereld, niet alleen in het Midden-Oosten. Zij is de oorzaak voor het gebrek aan stabiliteit in de gehele wereld. Wat zelfs de bevolking van de westerse landen toegeven, zoals toen zij aangaven dat de problemen van de Islamitische wereld, welken het Westen grote zorgen baart, voor 90% verklaard wordt door het bestaan van de zionistische bezettingsstaat in Palestina, in het hart van de Islamitische wereld.
Derhalve kan worden gesteld dat het Midden-Oosten een zeer belangrijke plaats inneemt in de wereld. Voor de bovenstaande redenen is het Midden-Oosten het strijdtoneel geworden voor de landen met imperialistische ambities, en is het veranderd van het thuis van een wereldmacht tot een opgedeeld en verdeeld gebied van koloniën van de landen met imperialistische ambities. Om deze reden riep Amerika een specifiek politiek plan voor dit Midden-Oosten in het leven. Ze noemde dit "het project voor een groter Midden-Oosten", dat zij later veranderde in "project voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika", en zij legde het ontwerp voor dit plan voor aan de G8-top in IJsland (juni 2004). Dit uitgebreide Midden-Oosten strekt zich uit van de Atlantische kust van Marokko in het westen, tot de Arabische Zee in het Oosten. En van Turkije in het noorden tot en met de Afrikaanse Sahara woestijn in het zuiden. Dit gebied omvat alle Arabische landen, maar ook Turkije, Iran en Pakistan, wat dit Midden-Oosten nog belangrijker maakt.
Begin van de kapitalistische kolonisatie van het Midden-Oosten
Het Midden-Oosten stond, tot ongeveer in het midden van de 18e eeuw, onder heerschappij van Islam en de Islamitische Staat Al Khilafa. De Koloniale Conferentie van Berlijn werd gehouden van 15 november 1884 en 26 februari 1886, en verdeelde Afrika onder de deelnemende landen (vijftien Europese landen en Amerika). Hierna begonnen de grote mogendheden van dat moment, Frankrijk, Engeland en Italië, ook pogingen tot invasie van het Midden-Oosten. Dit resulteerde uiteindelijk in het ineenstorten van het Ottomaanse Rijk, ofwel de Islamitische Staat, in 1924. Al Khilafa hield daarmee op te bestaan.
Met de ineenstorting van de Ottomaanse Islamitische Staat begon een nieuwe tijdperk in het Midden-Oosten. Tot dat moment was het gebeid feitelijk altijd een eenheid geweest. Maar hierna zou de regio opgedeeld worden in "gebieden van invloed" tussen de Europese naties betrokken bij de strijd tegen de Islamitische Staat. Reeds in 1916 kwamen de twee meest machtigen van deze, Groot-Brittannië en Frankrijk, een verdeling van het Midden-Oosten tussen hen overeen.
Frankrijk claimde voor zich het gebied waar de christelijke gemeenschap van de Maronieten wonen met wie de Fransen sinds de kruistochten nauwe banden onderhielden, hedendaagse Libanon, het gebied dat heden ten dage Syrië beslaat en Palestina. Groot-Brittannië claimde het gebied dat heden ten dage Jordanië, Irak en Koeweit is. De uiteindelijke overeenkomst werd bekend als de Sykes-Picot Overeenkomst en gaf Frankrijk de controle over Syrië en Libanon, terwijl Groot-Brittannië Palestina, Jordanië, Irak en Koeweit.
De opdeling van het Midden-Oosten naar "gebieden van invloed" volgens de Sykes-Picot Overeenkomst tussen Groot-Brittannië en Frankrijk van 1916
In het formele verdrag tussen Groot-Brittannië en Frankrijk zijn deze afspraken als volgt verwoord:
"Derhalve is het volgende begrepen door de Franse en Britse overheden:
- 1. Dat Frankrijk en Groot-Brittannië bereid zijn om een onafhankelijke Arabische staat of een confederatie van Arabische staten onder de heerschappij van een Arabische leider, te erkennen en beschermen in de gebieden gemarkeerd met (A) en (B) op bijgevoegde kaart. Dat in gebied (A) Frankrijk, en in gebied (B) Groot-Brittannië, het voorrecht zal kennen op onderneming en uitlenen van geld. Dat in gebied (A) Frankrijk, en in gebied (B) Groot-Brittannië, alleen adviseurs of buitenlandse adviseurs zal aanleveren op verzoek van de Arabische staat of een confederatie van Arabische staten.
- 2. Dat in het blauwe gebied (Libanon, kust Syrië en binnenland Turkije) Frankrijk, en in het rode gebied (Irak en Koeweit) Groot-Brittannië, gerechtigd zullen zijn een direct of indirecte administratie of controle te vestigen zoals zij wensen en zoals zij juist mogen achten.
- 3. Dat in het bruine gebied (Palestina) een internationale administratie gevestigd zal worden, over wiens vorm beslist zal worden na consultering van Rusland, en naderhand consultering met de andere geallieerden en de Sjarief van Mekka."
Neergang van Frankrijk, hegemonie van Groot-Brittannië en opkomst van Amerika
Tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bleef de situatie in het Midden-Oosten zoals uiteengezet in de Sykes-Picot Overeenkomst. Na de Tweede Wereldoorlog, echter, was Frankrijk in politiek, economisch en internationaal opzicht te zwak om de kolonisatie van het Midden-Oosten met Engeland bij te benen en beconcurreren. Groot-Brittannië zette haar daarom het gebied uit en bracht het Midden-Oosten onder haar controle. Maar Amerika kwam vooral na de Tweede Wereldoorlog op als wereldmacht, en begon naast Groot-Brittannië aan invloed te winnen.
Na de Tweede Wereldoorlog begonnen Groot-Brittannië en Amerika een partnerschap in het Midden-Oosten. Groot-Brittannië domineerde het gebied, maar kwam verschillende afspraken overeen met Amerika. Beide landen coördineerden hun plannen met elkaar en Groot-Brittannië gaf de Amerika tamelijk veel van de rijkdommen van het Midden-Oosten, in het bijzonder de olie van het Arabisch schiereiland. Af en toe volgde Groot-Brittannië de plannen van Amerika. Maar wanneer dezen haar eigen belangen bedreigden dan keerde zij zich hiertegen en stopte hen.
Dat Groot-Brittannië en Amerika op basis van samenwerking actief waren in het Midden-Oosten had te maken met het feit dat de belangen van beiden door samenwerking gediend werden. Dit kon echter enkel tijdelijk zo zijn, omdat uiteindelijk beide landen naar hun kapitalistische aard volledige dominantie in het Midden-Oosten zouden willen hebben. Er waren twee belangrijke zaken waarover Groot-Brittannië en Amerika van mening verschilden, en die de koloniale partners uit elkaar dreven.
Ten eerste was er een verschil van over de zionistische bezettingsstaat. Groot-Brittannië had sinds Sykes-Picot de controle over Palestina, en onder haar bewind was de aanwezigheid van zionistische joden sterk uitgebreid. Maar tot aan de Tweede Wereldoorlog had Groot-Brittannië betreffende het gebied nog steeds geen finale beslissing genomen. Het twijfelde of er in Palestina een gebied moest komen dat onder controle van de zionistische joden zou staan, met Groot-Brittannië als officiële eigenaar, of expliciet een zionistische staat. Het Britse plan was om dit te beslissen in samenhang met haar beslissingen omtrent de kolonisatie van de andere gebieden in het Midden-Oosten. Amerika, echter, wilde van Palestina een joodse staat maken, om deze staat dan als instrument voor verdere Amerikaanse kolonisatie van de regio in te kunnen zetten. Amerika ondernam derhalve serieuze stappen om "Israël" te vestigen, en om alles dat haar hierbij in de weg stond uit de weg te ruimen. Nadat de Verenigde Naties onder invloed van Amerika de vestiging van de zionistische bezettingsstaat officieel maakten, nam Groot-Brittannië dit in eerste instantie stilzwijgend aan. Het wou de tijd haar werk laten doen en zien of de regio het bestaan van een joodse staat te midden van de moslims zou kunnen verdragen, of dat de Islamitische bevolking deze staat zou vernietigen. Ondertussen maakte Groot-Brittannië echter plannen voor beide mogelijke uitkomsten.
Een verdere reden voor conflict tussen Groot-Brittannië en Amerika was het Amerikaanse plan om een oliepijpleiding aan te leggen door Jordanië, Syrië en Libanon tot aan de Middellandse Zee, om Saoedische olie beschikbaar te kunnen maken voor Europa. Amerika wilde Saoedische olie gebruiken om de Europese wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog mogelijk te maken, zonder hiervoor Amerikaanse olie te hoeven gebruiken. Amerika wilde haar eigen olie sparen als strategische voorraad in geval van oorlog. Maar Amerika wilde volledige controle over het transport van de Saoedische olie naar Europa, om zo Europa onder controle te kunnen brengen en houden. En dus wilde Amerika een alternatieve transportroute, in plaats van de gebruikelijke route door het Egyptische Suez kanaal dat door Groot-Brittannië gecontroleerd werd. Groot-Brittannië was vanzelfsprekend tegen dit Amerikaanse plan.
De door Amerika gebouwde Trans-Arabische pijpleiding, Tapline
Het Conflict tussen Groot-Brittannië en Amerika
Ten gevolge van haar jarenlange aanwezigheid in het Midden-Oosten beschikte Groot-Brittannië over een groot aantal agenten in het gebied, zowel militairen als politici. Via deze marionetten kon Groot-Brittannië veel van de Amerikaanse plannen eenvoudig dwarsbomen, omdat Amerika niet over een diepe invloed in de samenlevingen van het Midden-Oosten beschikte zoals Groot-Brittannië.
Amerika had derhalve een andere strategie voor de regio voor ogen. Namelijk, de toepassing van hetzelfde beleid dat zij ook had gebruikt om Zuid-Amerika onder haar controle te brengen. Deze strategie bestond uit het tot stand brengen van relaties met enkele leiders binnen het militaire establishment van een land, om dezen dan een revolutie uit te laten voeren. Hierna moesten ze dan het politieke en militaire leiderschap van het land schoonvegen, oftewel al de Britse agenten uitschakelen, zodat enkel de Amerikaanse invloed over zou blijven.
Voor haar eerste militaire staatsgreep in het Midden-Oosten gebruikte van Amerika Hoesni Az Za'im in Syrië. Één van zijn handelingen als heerser was Amerika toestemming te geven om op Syrisch grondgebied te werken aan Tap Lijn oliepijpleiding.
Hoesni Az Za'im, de eerste Amerikaanse couppleger in het Midden-Oosten
Voor Groot-Brittannië werd hierdoor duidelijk dat Amerika de regio van haar wilde afnemen, en hoe precies. Oftewel, dat er van samenwerking tussen beide landen in het gebied geen sprake meer zou kunnen zijn. Groot-Brittannië zette daarop al haar agenten in om haar invloed in het Midden-Oosten te verdedigen. De Britten ondernamen daarom in hetzelfde jaar, 1949, ook een staatsgreep in Syrië. Deze werd uitgevoerd door Sami Al Hinnawi, die Hoesni Az Za'im verwijderde. Syrië was hiermee weer terug in Engelse handen.
Sami Al Hinnawi, hij pleegde een staatsgreep in het belang van de Engelsen tegen Hoesni Az Za'im
Zo veranderde de relatie tussen Amerika en Groot-Brittannië van een samenwerking op basis van gedeelde belangen, naar een halfopen conflict. Op dat moment werden ook de Amerikaanse diplomatieke vertegenwoordigers in het Midden-Oosten zich ervan bewust dat de militaire- en economische Amerikaanse belangen in de regio werden bedreigd. Zij realiseerden zich dat een voortzetting van het Amerikaanse beleid om zij aan zij met Groot-Brittannië te weren, de Verenigde Staten in dezelfde toestand zou laten verkeren zoals voor de Tweede Wereldoorlog. Namelijk als een instrument in dienst van Groot-Brittannië, die zichzelf tevreden zou moeten stellen met slechts een kleine buit, en die in de regio voor verdediging van de Britse belangen gebruikt zou worden. De toegang tot alle rijkdom in de regio zou dan ver weg blijven van de Verenigde Staten en de hele regio zou feitelijk onder Britse hegemonie blijven. En zij realiseerden zich dat de Britse invloed in de landen van het Midden-Oosten vele malen sterker was dan de Amerikaanse invloed. En dat Groot-Brittannië de Amerikaanse plannen voor het Midden-Oosten dus eenvoudig zou kunnen dwarsbomen zolang Amerika niet enerzijds de Britse invloed zou verzwakken en anderzijds haar eigen invloed versterken.
De Amerikaanse diplomatieke vertegenwoordigers in het Midden-Oosten raakte er dus van overtuigt dat fundamentele wijzigingen in het Midden-Oosten beleid van Washington nodig was. Duidelijk was dat het uitgangspunt in het nieuwe beleid samenwerking met de lokale bevolkingen zou moeten worden, om de Britse agenten in het gebied buitenspel te kunnen zetten. Maar Amerika werd met een groot probleem geconfronteerd voor wat betreft dit plan. De Amerikaanse steun voor de oprichting van "Israël" had namelijk een grote mate van afkeer en haat tot stand gebracht onder de moslims voor Amerika. Om deze reden kwamen de Amerikaanse diplomatieke vertegenwoordigers voor een interne conferentie bijeen in Istanboel in november 1950, om verder te discussiëren over deze kwestie.
De bijeenkomst werd georganiseerd onder voorzitterschap van George C. McGhee, staatssecretaris bij het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika, en duurde vijf dagen. In het kader van deze geheime bijeenkomst werden de politieke, strategische en economische omstandigheden in de regio benadrukt. Vervolgens werd er besloten dat het niet langer mogelijk was om de belangen van Amerika te koppelen aan de belangen van Groot-Brittannië, vooral indien Amerika het Midden-Oosten in een Amerikaanse basis wilde omtoveren en de samenwerking met de bevolking als middel wilde gebruiken voor deze verandering. De conferentie deed uiteindelijk aanbevelingen aan het Witte Huis, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Defensie en de Marine. Deze aanbevelingen werden met een belangrijk voorwoord uiteengezet dat de meest essentiële conclusies van de conferentie bevatte:
"De ervaring van de laatste Wereldoorlog laat zien, dat het Midden-Oosten een centrale basis is die alle voor een oorlog tegen de Sovjet-Unie vereiste elementen in zich heeft. Ze tonen ook aan dat de een aanval op de Russische olievelden in de Kaukasus, om de Sovjetische oorlogsmachine af te snijden van de rijkste oliebronnen, niet slagen wanneer zij uitsluitend is gebaseerd op militaire samenwerking met Turkije. Voorwaarde is het aanleggen van luchtbases in Syrië, Libanon en Palestina, waarbij Irak en Egypte tot een groot reservoir worden gemaakt om de levering van soldaten, wapens en voorzieningen te waarborgen. Met andere woorden, het heeft een compleet aanvalsplan nodig, gericht op het volledig omsingelen en blokkeren van de Sovjet-olievelden in Bakoe en de Kaukasus. Verder hebben de campagnes tegen Griekenland, Sicilië en Italië in de periode van 1941 tot 1944 op onomstreden wijze duidelijk gemaakt wat voor een belangrijke plek het Midden-Oosten inneemt voor de levering en vernieuwing van zulke belangrijke militaire operaties. Dit heeft ook de overwinning van de geallieerden tijdens de oorlog en het insluiten van de vijandelijke legers binnen de Europese bolwerken, mogelijk gemaakt."
Het voorwoord werd afgesloten met voorstellen, die met de instemming van alle deelnemers aan de conferentie in de vorm van vier aanbevelingen werden vastgelegd:
- ˗ Ten eerste: De afscheiding van het Amerikaanse beleid van het Britse beleid, op alle gebieden die met de gehele Arabische wereld te maken hebben.
- ˗ Ten tweede: Het ondersteunen van nationalistische eisen door de Arabieren als basis van het Amerikaanse Midden-Oostenbeleid.
- ˗ Ten derde: Het ondersteunen van Egypte bij haar eisen aan Groot-Brittannië en het aansporen tot ontwikkeling van een dergelijke beweging in Irak.
- ˗ Ten vierde: Beëindiging van de openlijke belangenbehartiging voor "Israël" op diplomatiek en economisch gebied, en aanmoediging van de Verenigde Naties om het plan voor de opdeling van Palestina in een Arabische en een Joodse staat uit te voeren. En hiernaast oplossing van het probleem van Arabische vluchtelingen, wederom gebruik makende van de Verenigde Naties, door vluchtelingen terug te laten keren naar hun vaderland of degenen die niet wensen terug te keren te vergoeden voor geleden schade.
George C. McGhee, Amerikaans Midden-Oosten deskundige, staatssecretaris in het Amerikaans Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Amerikaanse ambassadeur in Turkije
De conferentie kwam dus ondermeer tot een specifieke aanbeveling inzake Egypte, namelijk dat Amerika de Britten Egypte afhandig moeten maken. Groot-Brittannië moest verdreven worden uit Egypte en er moest dan een sterke, Amerikaans gezinde regering in Egypte geïnstalleerd worden die de gehele regio zou kunnen leiden. Omdat de geschiedenis heeft bewezen, dat Egypte de toegangspoort tot het Midden-Oosten is.
Deze voorstellen werden voorgelegd aan de regering van de Verenigde Staten, dat destijds onder leiding van de Democraten stond. De Democratische Partij neigt er meestal naar om Groot-Brittannië tegemoet te komen. Op dat moment was Henry Truman president van de Verenigde Staten. Hij kwam door middel van twee factoren aan de macht: ten eerste door de joodse invloed en ten tweede door de Britse invloed binnen een aantal Amerikaanse kringen. Truman was dus met Groot-Brittannië en ook met de joden verschillende verplichtingen aangegaan, en ten gevolge hiervan kregen de adviezen niet de aandacht waarop de diplomaten hadden gehoopt. Zelfs niet toen Eisenhower hier later meer betekenis aan gaf.
In deel 2 van artikel "De geschiedenis van de kapitalistische kolonisatie van het Midden-Oosten" zal de periode 1950 - 1970 behandeld worden.
|