vrijdag 18 mei 2012 In de naam van Allah, De Barmhartige De Erbarmer
Home
Missie & Visie
De weg naar geloof
Verklaringen
Pamfletten
Boeken
Intellectualisme
Definities&Termen
Wetgeving
Politiek
Multimedia
Koran
Hadith
Reacties
Van de lezers
Nieuws & Commentaar
Boek
Home arrow Edities arrow Nr: 016-017 arrow Over persoonlijke vrijheid en het verbod van de hoofddoek
Over persoonlijke vrijheid en het verbod van de hoofddoek Afdrukken E-mail
woensdag 30 juni 2004

Moins de Liberté, Egalité et Fraternité:
over persoonlijke vrijheid en het verbod van de hoofddoek

Sinds de aanslagen van 11 September op het World Trade Center en het Pentagon in de Verenigde Staten, die het beginpunt markeren van de zogenaamde "War on Terror" in de Westerse wereld (of de beschaafde wereld zoals Amerika's president Bush het zo mooi uitdrukte), wordt de Islam en de rol die de Islam mag spelen in het leven van een individu in een seculiere samenleving, bediscussieert als nooit tevoren. Daar de Islam als zodanig niet tot het West-Europese erfgoed behoort, is dit enigszins begrijpelijk en misschien ook wel noodzakelijk. Maar men kan stellen dat, gezien de uitlatingen die politici zich tegenwoordig permitteren, al de discussies met de Islam als onderwerp in dezelfde richting tenderen. In plaats van een open discussie te faciliteren wordt de Islam meestal als hoofdschuldige aangeduid voor de problemen waarmee de Westerse samenlevingen heden ten dage te kampen hebben.

Er gaan in heel Europa dan ook steeds meer en steeds vaker stemmen op die oproepen tot beperking van de persoonlijke vrijheden in relatie tot de Islam, en die deze beperking van de persoonlijke vrijheden als de enige mogelijkheid zien om te komen tot een oplossing voor de problemen waarmee de Europese samenlevingen zeggen geconfronteerd te worden. Zeker gezien vanuit de seculiere visie op het leven is dit een opzienbarende ontwikkeling en is, als zodanig, een observatie waar men zomaar achteloos aan voorbij zou moeten gaan. Immers, de voornaamste kritiek welke de Islam in de westerse media ten deel is gevallen, heeft zich gericht op het, in de Westerse visie althans, gebrek aan persoonlijke vrijheid in de Islam. Hoe ironisch is het dan dat het Westen momenteel zo openlijk zelf beperkingen van de persoonlijke vrijheden van de Moslims nastreeft, en hoe verbazend is het feit, dat hoewel deze tendens lijnrecht ingaat tegen datgene waarvoor de Westerse wereld zegt te staan, er geen publieke discussie omtrent heeft plaatsgevonden.

In het licht van de tendens zoals hierboven beschreven, dient men tevens het voorstel dat op woensdag 10 december werd gedaan aan de Franse Premier Chirac te zien, te beoordelen en te bediscussiëren. Dit voorstel, dat een ongekende aandacht in de Europese media heeft gekregen, werd gepresenteerd als de oplossing voor de problemen waarmee Frankrijk zegt te kampen, en wendt zich tot een beperking van de persoonlijke vrijheden voor Moslims in Frankrijk. Dit artikel is bedoeld om het voorstel te bediscussiëren en om de argumentatie achter het voorstel kritisch te toetsen, een rol die feitelijk de media behoort te vervullen, maar die ze in het huidige politieke klimaat alsmaar meer nalaten.

Alvorens op de details van het voorstel in te gaan is enige achtergrondinformatie hier wel op zijn plaats. Frankrijk is het land in Europa met de meeste mensen van Joodse afkomst binnen haar grenzen, alsmede het land met de meeste Moslims (hoewel het een het ander niet uitsluit), en zegt sinds het begin van de tweede Palestijnse intifada, te kampen te hebben met een toename van antisemitisch geweld. Wat men hier feitelijk bedoelt met antisemitisch geweld is geweld gericht op Joodse onderwijsinstellingen en synagogen, waarbij men gemakshalve voorbijgaat aan het feit dat Arabieren - Moslims! - evenals de Joden, als semiet geclassificeerd dienen te worden, maar dit terzijde. Deze tekenen van intolerantie, zo stelt men, hebben voornamelijk plaatsgevonden in de wijken waar de concentratie Moslims van Noord-Afrikaanse afkomst het grootst is. Dit zijn tevens de plaatsen in Frankrijk waar armoede, werkloosheid en criminaliteit de grootste problemen zijn (in Nederland zouden we zeggen: de plaatsen waar de meeste "kansarmen" zich bevinden).

Het voorstel dat een commissie aan Premier Chirac gedaan heeft, een commissie door Chirac zelf samengesteld, ziet in een verbod op het "uitdragen van religieuze identiteit" op Franse scholen en overheidsinstellingen het antwoord op de sociale problemen in Frankrijk. Als dit voorstel tot wet wordt aangenomen, dan betekent dit in realiteit dat Moslimdames in Frankrijk niet langer hun haar en nek mogen bedekken met een hoofddoek wanneer op school of in het gemeentehuis, dat joodse heren aldaar niet langer hun keppeltje mogen dragen, en dat de Christelijke Franse medemens, wanneer hij of zij verblijft op dergelijke plaatsen zijn, of haar kruisje van het kettinkje te verwijderen, dan wel te verbergen.

Hoewel men dit voorstel voor heeft willen doen komen als een vanzelfsprekendheid binnen een seculiere staat, kunnen we er niet omheen dat het een beperking van de persoonlijke vrijheid behelst. Er wordt de mens immers beperkingen opgelegd. Maar, mogelijk vooruitlopend op de kritiek die het verwachtte op haar voorstel, maar welke vooralsnog is uitgebleven, heeft de commissie bij de presentatie van haar voorstel meteen aangegeven waarom het tot dit voorstel is gekomen. Het stelt dat Frankrijk, als seculiere staat, in het licht van secularisme tot in het uiterste dient te voorkomen dat de overheid zich in de persoonlijke vrijheden van het individu mengt (toch een van DE doelstellingen achter de scheiding van Kerk en Staat, immers). Daarom, stelt de commissie, dient door middel van wetgeving iedere uiting van religieuze aard bij medewerkers en bezoekers van overheidsinstellingen voorkomen te worden. Misschien dat de stelligheid waarmee deze opmerking gedaan werd, veel mensen angstig heeft gemaakt ze aan een kritische toetsing te onderwerpen, maar wanneer een beperking van een "zo groot goed" (volgens zo veel mensen), een van de fundamenten van de seculiere staat, dreigt, mag men zich niet achter een dergelijk argument verschuilen. Er valt namelijk voldoende in te brengen tegen dit voornaamste argument voor invoering van het voorstel als wet.

De redenatie achter het voorstel - verbiedt het individu op sommige momenten zijn religie te belijden om het mogelijk te maken dat het individu vrij zijn religie kan belijden - komt bijvoorbeeld vrij krom over. Waar de scheiding van Kerk en Staat in feite voor staat, is meer dan alleen er voor zorgen dat de Staat de mensen een bepaalde religie opdringt. Eerder heeft dit idee tot doel te voorkomen dat de Staat bepaalde ideeën tot zaligmakend verheft, en deze de mensen opdringt door al de andere ideeën te verbieden. Dit is immers de fundamentele kritiek die in het Westen altijd geuit is geweest op het systeem van Theocratie zoals West-Europa het een kleine 1800 jaar gekend heeft, en Communisme: beiden laten het volk geen vrijheid voor zichzelf keuzes te maken. Wat wij allen op school geleerd hebben, wanneer de Frans Revolutie ter sprake kwam, was dat in een seculiere samenleving de Staat er zorg voor draagt dat ieder individu in de samenleving die religie aan kan hangen en kan belijden die wenst, en zoals hij wenst. Volgens wat onder andere Voltaire en Montesqui Frankrijk en de wereld hebben nagelaten, is de Scheiding van Kerk en Staat nodig om te voorkomen dat de Kerk de mensen de wetten oplegt en zo het individu iedere vorm van vrije keus, wat betreft leven en religie, afneemt. Aldus redenerend, de Staat dient er voor te zorgen dat al haar onderdanen, of zij nu op school zitten, als leraar voor de klas staan, als patiënt een ziekenhuis bezoeken, of als arts in een ziekenhuis werken, feitelijk in iedere mogelijke hoedanigheid, vrij zijn hun leven te leiden en hun religie te beleven zoals zij believen. Daarom valt het steeds zwaarder de redenatie van de commissie te begrijpen, die tot de conclusie is gekomen dat de Staat uit het oogpunt van scheiding van Kerk en Staat, haar onderdanen dient te verbieden vrij hun geloof te belijden.

Duidelijk is dus dat de redenering achter het argument voor het voorstel uitermate zwak is, wat het alsmaar moeilijker maakt te begrijpen dat de media in haar berichtgeving omtrent het voorstel het voor doet komen dat het een vanzelfsprekendheid is dat uit oogpunt van de scheiding van Kerk en Staat mensen soms verboden moet worden hun religie te belijden. Want zelfs een uitermate korte beschrijving van het oorspronkelijke idee achter de scheiding van Kerk en Staat maakt het bijna onmogelijk te begrijpen waarom de commissie tot haar huidige voorstel is gekomen. Met het argument dat de commissie aandraagt zou men een voorstel verwachten dat eerder het tegendeel is van het huidige. Dit doet vermoedens rijzen omtrent de werkelijke doelstellingen van de commissie, want duidelijk is zeker dat de seculiere staat niet gebaat is met haar voorstel. Maar hierover later meer.

Want, gelukkig maar, de commissie heeft meerdere pijlen op haar boog in haar pogingen haar voorstel te rechtvaardigen. Buiten het op zijn minst vreemde argument dat de scheiding van Kerk en Staat deze maatregel in feite vereist, stelt ze tevens dat om de persoonlijke vrijheid van het individu te garanderen de Franse overheid door middel van wetgeving het uitdragen van religieuze identiteit tegen dient te gaan in overheidsinstellingen. Dit tweede argument dat voor haar voorstel moet spreken, de stelling dat het dragen van religieuze symbolen het gevoel van persoonlijke vrijheid bij andere mensen aantast en daarom in overheidsinstelling verboden moet worden, dient aan eenzelfde kritische toets onderworpen te worden. Als het inderdaad zo is dat religieuze symbolen op mensen bedreigend over kunnen komen - een stelling die we eenvoudigheidshalve verder buiten beschouwing zullen laten en gewoonweg als waar aan zullen nemen - dan lijkt men door het verbod op het dragen van religieuze symbolen het paard achter de wagen spannen. Moeten we inderdaad het individu verbieden een kruisje om zijn of haar nek te dragen daar dit door sommige mensen als intimiderend wordt ervaren, of nemen we de angst voor christendom - al past de hoofddoek en de Islam beter in dit voorbeeld- weg door kennis over Christendom te verspreiden in plaats van vooroordelen? In hoeverre kunnen we iemand verantwoordelijke stellen voor de gevoelens van een ander en hem of haar vragen zijn uiterlijk te veranderen, zelfs wanneer dit binnen de gangbare normen en waarden valt, als de gevoelens bij de ander zijn gebaseerd op onjuiste voorkennis en vooroordelen? De oplossing zou zijn het wegnemen van de onjuiste voorkennis bij de mensen door eerlijke verspreiding van juiste informatie te garanderen, zowel over de Islam als over christendom, Jodendom en wat diens meer zij. Gezien het tweede argument, welke het voorstel van de commissie moet rechtvaardigen, zou men eerder concluderen dat de Staat zijn verantwoordelijkheid eindelijk eens moet nemen, wat het tot nu toe niet gedaan heeft, en op een eerlijke en open manier juiste informatie dient te verschaffen aan haar bevolking. Het probleem in deze zijn de vooroordelen die heersen in de samenleving en welke het bedreigde gevoel veroorzaken, niet de zogenaamde "religieuze symbolen". Waar het de overheid is die nalaat haar onderdanen op een juiste manier voor te lichten over de Islam, en enkel vooroordelen de samenleving in laat sturen, is het bijzonder oneerlijk als ze daarna de problemen die dit met zich meebrengt, op probeert te lossen over de rug van de Moslims in Frankrijk.

Dientengevolge kunnen de eerste twee van de argumenten die aangedragen zijn door de commissie ter verdediging van haar standpunt, onmogelijk overtuigend genoeg genoemd worden om de zo grove inbreuk op de persoonlijke vrijheid van het individu die haar voorstel behelst te rechtvaardigen. Eerder kan worden gezegd dat de beide aangedragen argumenten zwak zijn. De redenering achter het argument dat de maatregel slechts een logisch gevolg is van de acceptatie van het seculier idee is, is onjuist. Vanuit het seculiere idee zou men een tegenovergestelde maatregel verwachten, die de vrijheid de religie te beleven zoals men dat wenst, zou garanderen. En voor wat betreft het tweede argument, als de commissie de gevolgen van een gebrek aan kennis tegen wil gaan door alles wat doet herinneren aan het gebrek aan kennis (dat wil zeggen alles dat de vooroordelen, als tegengestelde van kennis, gevoelens doet oproepen) te verbieden, dan spant ze het paard achter de wagen in plaats van ervoor, en lost ze het werkelijke probleem niet op. Desalniettemin kunnen we nog immer niet het voorstel van commissie verwerpen, daar ze nog een derde argument naar voren heeft geschoven dat zelfs de grootste scepticus zou moeten overtuigen. Op de BBC World-radio verkondigde de vice-voorzitter van de commissie dat hij reeds vele reacties had ontvangen vanuit de hoek van de gematigde Moslims, die hem complimenteerden met het voorstel. Deze berichten bevestigden, zo stelde hij, dat voornamelijk de Fundamentalistische Moslims in Frankrijk schuld waren aan het grote aantal jonge Moslimdames in Frankrijk dat tegenwoordig een hoofddoek draagt. Dit was niet het resultaat van vrije keus voor de meeste van hen, het was het resultaat van de dwang die deze groep Moslims op deze dames uitoefent. Dit argument lijkt eens te meer te bevestigen wat ieder van ons al zolang "weet", en dat is dat al die arme Moslimvrouwen met hun hoofddoek onderdrukt worden door hun echtgenotes en vaders, dat hun rechten hen afgenomen zijn, en dat ze als vrouw als minderwaardig worden gezien ten opzichte van mannen. In het Westen wordt iedere keer wanneer een Moslim "eindelijk eens eerlijk is", en duidelijk maakt dat de Islam de vrouwen helemaal niet verplicht heeft gesteld de haren en nek te bedekken, gereageerd met een houding van "zie je nu wel, dat wisten wij eigenlijk al lang!". Zo blij zijn we, dat we helemaal vergeten na te gaan of de mening van deze Moslim überhaupt enige autoriteit heeft, terwijl we de geëerde heer direct betitelen als goede, Liberale Moslim, wat dat ook moge betekenen. Wat bij ons in deze een angstig gevoel doet komen bovendrijven, is de ogenschijnlijke onbeperkte bereidheid van menig beleidsmaker af te stappen van zijn of haar overtuiging (lees: vrijheid voor het individu) zodra de Islam ter sprake komt, de bereidheid om maar iedere mening als waarheid te presenteren als die in het eigen straatje past, zonder ook maar enigszins de moeite te nemen die argumentatie van die mening te bestuderen. Het argument van de commissie, dat de Moslimvrouwen door middel van verregaande wetgeving beschermt moeten worden voor Fundamentalistische Moslimmannen, is een sprekend voorbeeld van deze mentaliteit die in het Westen steeds duidelijker de boventoon begint te voeren. Maar het is wederom niet een argument dat overtuigen kan. Iedere Moslim vrouw die ook maar een klein beetje de tijd heeft genomen over haar religie enige kennis op te doen weet dit ook. En het feit dat menig Moslimdame bereid is uitgebreid te protesteren tegen dergelijke voornemens of wetten van de overheid (neem als voorbeeld Turkije waar dergelijke wetgeving reeds veel langer van kracht is), is niet bepaald een feit dat spreekt voor dit argument. Immers, in de Koran zegt Allah (swt) in Soerah Al Ahzab (vers 59):

"Oh Profeet! Zeg tot jouw echtgenotes en tot jouw dochters en tot de vrouwen van de gelovigen dat zij hun overkleden over zich heen laten hangen. Op die manier is het gemakkelijker om hen te herkennen en worden zij niet lastig gevallen."

Evenzo is overgeleverd door Abu Bakr (ra), een van de metgezellen van de Profeet Muhammed (saw), dat Aisha (ra), de vrouw van de Profeet (saw) heeft verteld van haar nicht die op visite kwam bij haar thuis. Toen de Profeet (saw) bij Aisha binnentrad en de bezoekster zag, draaide hij zijn hoofd weg en zei:

"Oh Aisha, nadat een vrouw de pubertijd heeft bereikt is het niet toegestaan voor haar aan mannen, buiten diegenen met wie zij niet mag trouwen, een deel van haar lichaam te tonen buiten haar gezicht en wat beneden dit punt is (waarbij de Profeet (saw) zijn arm vlak boven de polzen aanwees)."

Hoezeer de Moslima's ook hun best doen en duidelijk maken dat de ze hun hoofddoek dragen omdat ze de verplichtingen die Allah (swt), de Schepper waarvan zij overtuigd zijn, na wensen te komen, ons in het Westen kunnen ze er niet van overtuigen. Hoezeer de dames ook protesteren als hun het recht wordt ontnomen zich te kleden volgens hun religie, zelfs nadat ze de enige weg hebben bewandeld die hen nog rest (en in Turkije is dat school of werk simpelweg verlaten), blijven wij er van overtuigd dat het allemaal de schuld van die extreme Moslimmannen is. Misschien geeft dit eerder aan hoe de Westerse man in werkelijkheid de vrouw ziet: als een kwetsbaar schepsel dat beschermd moet worden tegen zichzelf, daar het niet verwacht kan worden in staat te zijn voor zichzelf juist te beslissen.
Allah (swt) zegt in de Koran: "Er is geen dwang in het geloof" (bakara 256)

maar Hij (swt) maakt tevens duidelijk dat de mensen de Moslim willen zijn, zich aan Zijn (swt) geboden en verboden dienen te houden. Het verbod op de hoofddoek zal niet de Moslimvrouwen bevrijden, het zal ze ketenen aan huis en er van weerhouden naar school te gaan om zich te ontwikkelen of een productief bestaan op te bouwen. Waar Moslimvrouwen werkelijk bij gebaat zouden zijn, is ietwat minder betutteling van westerse kant.
In feite brengt het derde argument van de commissie ons weer terug waar we dit artikel mee aangevangen zijn. De discussies omtrent de rol van de Islam in de Westerse samenleving. Door in het voorstel te refereren naar "religieuze symbolen", probeert de commissie de schijn van vooringenomenheid van zich af te wenden. Maar ieder argument dat zij naar voren brengt doet die schijn eerder toenemen. Immers, waarom nu pas een verbod op religieuze symbolen? Ruim 200 jaar hebben er op Franse scholen Christenen rondgelopen met kruizen om hun hals of pols en Joden met keppeltjes. Nu er zich in dit bonte gezelschap meer en meer Moslimdames met hoofddoek beginnen te bevinden, realiseren we ons blijkbaar plotsklaps dat het dragen van religieuze symbolen niet past in een seculiere staat. Voor wat betreft de redenatie welke er aan te pas heeft moeten komen om dit voorstel op basis van het eerste argument van de commissie te kunnen rechtvaardigen, als men deze naloopt is het is bijna moeilijk niet te concluderen dat de commissie op zoek geweest moet zijn naar een argument dat haar reeds vaststaand voorstel van enig gewicht moest voorzien.
Hetzelfde is van toepassing op het tweede argument dat de commissie aanhaalt ter verdediging van haar standpunt. Maar niet alleen is hier de redenatie achter het argument - laten we het voorzichtig uitdrukken - zwak. De hoofddoek als een religieus symbool te karakteriseren kan uitgelegd worden als of een foutje van de commissie (een fout van een zodanige proportie dat het gehele werk van de commissie in twijfel getrokken zou moeten worden), of - en dat is het meest waarschijnlijk - een poging van de commissie (lees: de Franse overheid) de bevolking te misleiden. Zoals we hierboven reeds uiteen hebben gezet, kan een Moslimvrouw niet anders als een hoofddoek dragen wanneer ze zich in het openbaar bevindt, tenzij ze bereid is willens en wetens de geboden van Allah (swt) te negeren en te overtreden. En dit moet duidelijk hebben gemaakt waar de vergelijking van de hoofddoek met het keppeltje / kruisje mank gaat. Waar joden en Christenen door hun religie vrij gelaten zijn wat betreft het dragen van het keppeltje, respectievelijk het kruis, is de Moslim vrouw verplicht haar ganse lichaam buiten haar gezicht en handen te bedekken.

Waar gaat het de commissie dan wel om als zij voorstelt om Moslim vrouwen te verbieden een hoofddoek te dragen? In het begin van dit artikel hebben we reeds aangehaald dat het voorstel van de commissie een beperking van de persoonlijke vrijheid behelst, maar het zou misschien preciezer geweest zijn van ons als we hadden gesteld dat het voorstel van de commissie een beperking van de persoonlijke vrijheid voor de Moslim behelst. De commissie zelf versterkt dit vermoeden bij ieder woord dat het spreekt ter verdediging van haar standpunt. Eerlijker zou het zijn geweest als de commissie gewoon had toegegeven dat, inderdaad, het de bedoeling van het voorstel is de vrijheden van de Islam in de samenleving te beperken. Eerlijker zou het zijn geweest als het westen eindelijk gewoon eens eerlijk zou zijn en toe zou geven dat wat de Islam betreft, of ieder andere ideologie buiten kapitalisme, er niet zoiets bestaat als persoonlijke vrijheid. Principes worden immers beter weergegeven door daden dan door woorden, en als we de daden van de seculiere staten bekijken blijft van de hoogdravende woorden "ik ben het met geen woord eens van je zegt, maar ben bereidt te sterven om ervoor te zorgen dat je kunt zeggen wat je denkt" (Montesqieue) maar weinig over. In ieder geval zouden dan de Moslims in Frankrijk, alsmede ieder ander, weten waar ze aan toe waren. Want de waarheid is dat het seculiere idee vrijheden garandeert, maar enkel geldt voor die mensen die in haar waarheid geloven en die deze accepteren. De feitelijke waarheid is dat de voormalig Christelijke en nu seculiere Westerse wereld nooit tolerant is geweest ten opzichte van andere ideeën en dat het deze altijd actief bestreden heeft. De Moslims hoeven niet te verwachten dat het ten opzichte van de Islam ooit anders zal zijn. Allah (swt) zegt in de Koran:

"En de joden en de christenen zullen nooit behagen in jou vinden, totdat jij hun godsdienst volgt" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran bakara 120).

En tot die tijd zullen ze altijd wel een reden vinden om de Moslims het leven moeilijk, zo niet onmogelijk te maken. Dat, zo lijkt me vele malen meer waarschijnlijker, is de werkelijke reden voor het voorstel, met als enige argument:

we haten de Islam.

< Vorige   Volgende >
 [ Arabisch ]
Ayah
"...en Allah de heeft de handel wettig, en de rente onwettig heeft verklaard..." (Zie de vertaling v.d. betekenissen van soerat El-Bakara: 275)
Hadith

Profeet (vzmh) heeft het volgende gezegd, "Wie een munkar waarneemt moet zijn handen gebruiken om het te veranderen. Als hij dat niet kan moet hij dit mondeling veranderen. Als hij dat niet kan moet hij het met zijn hart verwerpen, en dit is het zwakste soort van de iman" (door Muslim over Abu Said al Khudari)

over hadith..