|
"Als de hulp van Allah en de overwinning (van Mekka) komt. En je de mensen groepsgewijze ziet binnentreden tot Islam. Roem dan jouw Heer met de lof, die Hem toekomt en vraag vergiffenis van Hem; voorzeker Hij aanvaard berouw." [An-Nasr: 1-3] Abdullah ibn Abbas (ra) vermeld dat deze soerah de laatste voltooide geopenbaarde vorm was. Volgens vele vertellingen werd hij geopenbaard tijdens de periode van de bekende Hujjat ul-wad'aa (de afscheidsbedevaart) van de Boodschapper (saw) waar hij de definitieve Khutbah leverde die liet doorschemeren dat hij het einde van zijn leven naderde. De inhoud van deze Surah is in betekenis verbonden met de verovering van Mekka. Het was inderdaad een climax van massale gebeurtenissen en het was er één die het eind van de profetische opdracht bekroonde die met grote strijd en duurzaamheid tot doel had gehad om de openbaring van Allah dominant te maken. Er zijn twee Aya's uit de Koran die zijn opdracht toelichten: ‘'En zo hebben Wij u tot een verheven volk gemaakt, opdat gij getuige zult zijn tegenover de mensen en de Gezant zij een getuige tegenover u.'' [Zie de vertaling van de betekenissen van surah Al-Baqarah:143] ‘'En Wij hebben u slechts gezonden als een brenger van blijde tijdingen en een waarschuwer voor het gehele mensdom; maar de meeste mensen begrijpen het niet.'' [Zie de betekennissen van de vertaling van surah As-Saba: 28] In een bepaalde overlevering werd vermeld door de Boodschapper (saw) dat de inname van Makkah iets was waarnaar hij smachtte. Aisha (Radiallahu Anha) zei dat de Boodschapper van Allah (swt) de volgende uitspraak zeer vaak gebruikte, tegen het einde van zijn leven: ‘Subhanak-Allahumma wa bi-hamdika astaghfiruka wa atubu ilaika' (de Verheffing en de lof zijn aan Allah, naar wiens vergiffenis ik streef; ik biecht mijn zonden op.) Hij zei ook: Mijn Heer vertelde mij dat ik een teken zou zien in mijn Ummah. Hij gaf mij de opdracht om hem te prijzen, De Vergevende, en Zijn gratie te vragen wanneer ik dit teken zie. Voorzeker heb ik dit gezien toen Allah ons de overwinning verleende, en de inname plaatsvond.' (Moeslim) Ibn Kathir betreft zijn interpretatie van de Koran: ‘De Overwinning', word unaniem gezien als een verwijzing naar de inname van Mekka. De Arabische stammen wachtten op de oplossing betreft het conflict tussen de Qur'aish en de Moslims, alvorens Islam goed te keuren, zeggend: ‘Als hij, Mohammed, heerst over zijn mensen, zou hij inderdaad een profeet zijn.' Derhalve toen dit werd verwezenlijkt namen zij de Islam in grote aantallen aan. Nog geen twee volle jaren waren verstreken na de inname van Mekka en het gehele Arabische Schiereiland werd geregeerd door de Islam, en ‘alle lof zij aan Allah', elke Arabische stam had zijn geloof in Islam verklaard.'' Dit artikel zal daarom ingaan op twee belangrijke gedeeltes vanuit Surah Nasr en de gevolgtrekking fathu-Mekka (de overwinning op Mekka). 1. Waarom heeft de Qur'aish aanvankelijk ‘de Islam niet in grote getale/menigten betreden' toen de Boodschapper (saw) eerst de Da'wah voordroeg in Mekka, m.a.w. waarom wachtte zij totdat Mekka werd bevrijd door opening? 2. De reactie van de Profeet (saw) toen hij in Mekka terugkeerde betreft zijn herinneringen aan de voorgaande vervolging, en hoe dit van invloed was op zijn oordeel en zijn acties richting de meest fierse vijanden van de Islam. Het overschrijden van grenzen eerder dan het verdragen van vrijheid De Boodschapper (saw) en de moslims waren er vakkundig op uit geweest om een reeks van scherpzinnige politieke manoeuvres uit te voeren die tot het stopzetten van vijandigheden tussen hen en de Qur'aish van Mekka zouden leidden. Zij (de Qur'aish) hadden Allah (swt)'s Deen gekleineerd, onderdrukten Zijn (swt) profeet en vernederden de gelovigen. De Moslims die in Mekka niet talrijk waren werden gemarteld, afgeslacht en tevens geboycot. Zij werden beschouwd als regionale paria's, welk imago als dusdanig door de media van de Qur'aishi propaganda werd gevormd (je kon het de CNN van toentertijd noemen). Gezien het probleemrijk verslag tussen de Moslims en de Qur'aish, waren de gelovigen ontzet toen de Boodschapper (saw) een verdrag met hen had ondertekend. Wat op het eerste gezicht, leek op een capitulatie aan de eisen van de Qur'aish. Nadat de Boodschapper (saw) het had ondertekend ging hij naar zijn vrouw Umm Salamah die hem bijstond, en aan haar bekende hij zijn argwaan voor de reactie van de moslims. Zij zei tegen hem, ‘O boodschapper van Allah, voorzeker zullen de moslims u niet ontrouw zijn, zij zijn slechts ijverig betreft hun Deen en hun Iman in Allah en uw Boodschap, scheer slechts uw hoofd en slacht uw dieren en u zult zien dat de Moslims zich achter u zullen scharen, marcheer dan met hen terug naar Medina.'' Hij volgde deze pientere raad en dit had op zijn beurt weer een positieve invloed op de Moslims wiens enige doelstelling was om Allah (Subhana Wa Ta'Ala) en Zijn Boodschapper (saw) te dienen. Maar toch bevatte de éénzijdige aard van dit verdrag de ware waarde van dit stuk van politieke scherpzinnigheid die door een openbaring van Allah (Subhana Wa'Ta'Ala) werd onderschreven. Allah (Subhana Wa'Ta'Ala) had dit verdrag en de hierop volgende ondernomen acties gekenmerkt als,` Fathan Mubeenan ‘ (de duidelijke overwinning). Dit werd geopenbaard aan de Boodschapper (saw) terwijl hij terug marcheerde naar Medina, als woorden van tevredenheid aan de gelovigen alsook genestelde vrees binnen de harten van de Kuffar en de Munafiqoen, die binnen Surah al-fath worden inbegrepen. Terwijl hij (saw) zich richtte naar de moslims zei hij:'Vandaag is er zoiets aan mij geopenbaard, wat voor mij van grotere waarde is dan de wereld en wat deze bevat.'' Waarna hij de volledige soerah reciteerde. Deze verzen omvatten een herinnering voor hen, betreft de verantwoordelijkheden van de Moslims naar de niet-moslims, om hun plicht de boodschap van Islam aan de wereld voor te dragen. Toen de Ashaa'b/metgezellen (Ridhwanallahu Alaihim) van deze informatie waren voorzien werden zij gevuld met kalmte en waren toen meer dan bereid om dienstbaar voor dit staatsmanschap te zijn dat het verdrag van Hudaibiyah had geïnspireerd. Wat er bij de moslims begon te dagen toen ze een blik wierpen op deze gebeurtenissen waren de volgende belangrijke uitlopers van dit verdrag. Ten eerste, maakte het binnen het gebied de legitimiteit van de Islamitische Staat duidelijk die de Moslims in Medina hadden gevestigd. Zij waren niet meer de ‘groep rebellen' zoals de Qur'aish en de rest van de stammen hen eerder hadden bekeken, maar zij waren een staat met grondgebied, dat een staatshoofd bezat en werden toen ook dusdanig behandeld. Hoewel gezien als minderwaardig qua invloed betekende het dat de omringende stammen en inderdaad ook de regionale machthebbers een gelijke macht in het gebied zagen waarmee zij zich konden verenigen en zodoende kon de invloed van de Islam uitgebreid worden. Ten tweede, werd de Qur'aishi propaganda geneutraliseerd. De moslims waren geen bende van bloeddorstige en onwetende moordenaars die naar economische overheersing streefden: Zij waren mensen die naar de rechtvaardigheid streefden en niets anders deden dan om de boodschap van de Islam uit te breiden. Aan de andere kant, waren het de Qur'aish die tegenstrijdig en oorlogszuchtig waren, dit is een gegeven waar de Moslims rekening mee hielden en het opbouwend gebruikten wat in de snelle verspreiding van het gezag van de Islam resulteerde. Ten derde, konden de moslims de Joodse samenzwering neerslaan die tot doel had om zich met de Qur'aish te verenigen en zo een oorlog op twee fronten te creëren voor de moslims. Dit was omdat de Joden van Khayber van plan waren geweest om zich met de Qur'aish te verenigen om zo de Islamitische Staat in Medina aan te vallen en te beëindigen. De Qur'aish konden geen vijandelijke acties tegen de moslims ondernemen, vandaar dat zij zich niet met de Joden van Khayber konden verenigen. Het resultaat van dit feit was de bekwame isolatie van een potentiële vijand. Dit hield ook in dat de moslims de reglementen in het gebied konden handhaven, wat hen een soort adempauze verschafte en zodoende de mogelijkheid gaf om delegaties en expedities naar de Romeinse- en Perzische rijken en gebieden uit te kunnen zenden. Ten vierde, de bepaling die inhield dat diegene die Islam aangenomen hadden en gevlucht waren vanuit Mekka terug moesten keren naar Mekka, maar diegenen die vanuit Medina gevlucht waren konden in Medina blijven wat in het voordeel van de moslims werkte. Er is een vermelding van een incident welke omschrijft dat er een moslim genaamd Abu Basir Mekka verliet en naar Medina vluchtte, waarop de Qur'aish zijn terugkeer eisten en daarbij de voorwaarden van het verdrag aanhaalden. Toen hij zoals afgesproken terug naar Mekka werd gestuurd vertrok hij en verbleef vervolgens op een weg langs de kust van de Rode Zee, welke de route was van de Qur'aish die zij gebruikte om de handelscaravans naar Syrië te transporteren. Elke moslim die naar Medina gevlucht was en vervolgens teruggestuurd werd naar Mekka sloot zich aan bij Abu Basir. Zij zorgden er zo voor dat zij een obstakel vormden en de Qur'aishi handelsroute zodanig onderbraken dat de Qur'aish de ontbinding van die voorwaarde van het verdrag eiste. Een van de aspecten van het verdrag was dat de naburige stammen konden kiezen om zich aan te sluiten met de Qur'aish of om zich met de Moslims te verenigen. Banu Bakr verkoos om een verdrag met de Qur'aish aan te gaan en Banu Khuza'ah met de Moslims. Dit non-agressiepact was een integraal deel van het verdrag ten voordele van de Qur'aish toen zij getuige waren van de macht van de Islamitische Staat. Na de slag van Mu'tah waar aan de moslimzijde veel slachtoffers vielen, zagen de Qur'aish dit (als welbekende opportunisten) als het perfecte moment om hun eigen regionale belangen te bereiken. Zij bewapenden daarom Banu Bakr en moedigden hen aan om Banu Khuza'ah te bestrijden, waarbij zij veel van hun mannen doodde terwijl zij voor Allah (swt) aan het knielen waren (tijdens het gebed). In de ogen van de Boodschapper (saw) en de gelovigen, hadden de Qur'aish hun verdrag gebroken, er was geen weg terug, Mekka zou overwonnen moeten worden. Toen de Qur'aish hun verwerpelijke misstap onder ogen zagen, krabbelden ze terug en stelden voor om een laatste ronde van pendeldiplomatie te verwezenlijken om zo de boodschapper van Allah (swt) te overtuigen om het verdrag te herstellen. Abu Sufyan werd in deze hoedanigheid verzonden om het geval van de Qur'aish te bepleiten. Zijn dochter was gehuwd met de Profeet (saw) en hij dacht dat hij om deze reden aan hem gelieerd was. Het tegenovergestelde was het geval, zijn dochter (Umm Habiba bint Abi Sufyan) was bot tegen hem, terwijl hij op bezoek was bij haar en aanstalte maakte om zich te zetelen op wat beddengoed, trok zij ogenblikkelijk het beddengoed onder hem uit waar hij erg verbaast over was. Hij vroeg haar: ‘Mijn dochter, bij Allah, ik weet niet of je nu denkt of ik te goed voor dit ben, of dat het te goed voor mij is?' Zij reageerde verontwaardigt: ‘Dit is het beddengoed van de boodschapper van Allah (swt) en jij bent een onreine Mushrik (afgodendienaar). Ik wou niet dat je op het bed van de boodschapper van Allah (swt) ging zitten.' Abu Sufyan beantwoorde: ‘Mijn dochter, bij Allah, het kwaad heeft je in beslag genomen nadat je mij verliet.' Hij ging toen langs de Boodschapper van Allah (swt) die hem kortaf zijn verontschuldiging aanbood. Hij bezocht Abu Bakr (Radiallahu Anhu) die weigerde om uit zijn naam met de Boodschapper van Allah (swt) te bemiddelen. Waarna hij het lef had om Omar bin al-Khattab (Radiallahu Anhu) te bezoeken, en zijn reactie op hem was verre van hoffelijk, hij reageerde door te zeggen: ‘Moet ik voor u gaan bemiddelen met de Boodschapper van Allah (swt)?!Bij Allah (swt) als ik slechts mierenmaden (om te eten) vond, zou ik u bestrijden.': Weinig hoopgevend en terugkijkend op zijn onderbrokene missie, ging hij Ali Bin Abi Talib bezoeken. Hij was in het bijzijn van Fatima (Radiallahu Anha), de dochter van de boodschapper van Allah (swt) en naast haar kroop hun zoontje Hasan (Radiallahu Anhu). Abu Sufyan pleitte bij Ali (Radiallahu Anhu) terwijl hij hun hechte verwantschap aanhaalde om met de Boodschapper van Allah (swt) te bemiddelen. Ali antwoordde: "Moge de narigheid u treffen, Abu Sufyan. Bij Allah (swt), de boodschapper van Allah (swt) heeft bepaald dat wij betreft een bepaalde kwestie daarover niet met hem over mogen spreken.'' Abu Sufyan vroeg in zijn wanhoop Fatima (Radiallahu Anha) om haar zoon (Hasan) te bevelen om vrede tussen de mensen te brengen, hij beloofde zelfs dat hij ‘de leider van de Arabieren' zou worden. Zij antwoordde dat hij te klein was en het bevel van Allah (swt) en Zijn Boodschapper (saw) duidelijk betreffende de kwestie was. Hij vroeg toen Ali (Radiallahu Anhu) om raad, Ali adviseerde hem om vrede onder de mensen te stichtten om vervolgens naar Mekka terug te keren. Abu Sufyan werd te enthousiast en vroeg hem of dit hem goed zou doen, Ali reageerde: ‘Nee, maar ik weet zo niks anders om op te komen.' Abu Sufyan volgde zijn raad op en keerde troosteloos met lege handen terug. Hij speelde nu een afwachtend spelletje, onzeker over hoe de Moslims op de overtreding van de Qur'aish zouden reageren. Hoe verschillend is deze ontvangst van de leiders in onze landen die hun handen met bloed doorweekt hebben? Wanneer Bush, Colin Powell, Donald Rumsfeld, George Tenet (de voormalige Leider van de CIA) of Tony Blair de Moslimlanden bezoeken worden zij eervol ontvangen hoewel zij zonder aarzeling sancties opstellen die de sterfgevallen van Moslims tot gevolg hebben. Zijn deze verdorven heerser van de moslimlanden soms vergeten dat het een feit is dat dit de mensen zijn die bommen op de Ummah laten vallen en die landen zoals Israël toestaan om Moslimkinderen neer te maaien alsof het doelen in een schietbaan zijn? De reden voor hun dankbaarheid aan de Westelijke heersers is toe te schrijven aan het feit dat zij door hen in hun zadel zijn geholpen en dat deze tot op de dag van vandaag hun werkgevers zijn. Wij zouden er een les uit kunnen trekken betreft de reactie van de Boodschapper (saw) en zijn metgezellen in het verwerpen van deze' buitenlander vleiers' en Westerse kolonialisten. Terugkomend op de reactie van de Boodschapper van Allah (swt) op het doden van Banu Khuza'ah, iedereen voorzag hoe de Profeet (saw) zou reageren. Dit heeft enige overeenkomst met de reactie binnen de V.S. na de aanslag op het World Trade Center. De wraakzucht zat in de lucht en de Moslims verwachtte een afslachting. De Boodschapper (saw) en de Moslims vertrokken vanuit Medina op de 10e van Ramadan 8 n.H. (Na Hidjra). Op hun weg naar Mekka, stuitten zij op Abu Sufyan, een van de meest vooraanstaande vijanden van de Islam. De oom van de Profeet (saw) genaamd Abbas bood hem bescherming aan, maar Omar Bin al-khattab wilde toestemming om hem te doden. Daarna vroeg de Boodschapper van Allah (swt) Abu Sufyan om naar de woning van Abbas te gaan en ‘s morgens terug te keren. Toen hij terugkeerde legde hij zijn Shahadah af. Dit was één van de meest vooraanstaande vijanden van de Islam en een invloedrijke stammenleider. Abbas zei tegen de Boodschapper van Allah (swt): Boodschapper van Allah! Abu Sufyan is iemand die waarde hecht aan dat wat de oorzaak voor trots is, zou u niet iets voor hem kunnen doen? ‘'Na dit gehoord te hebben verkondigde de boodschapper van Allah (swt): "Hij die het huis ingaat van Abu Sufyan is veilig, en hij die zijn deur afsluit is veilig, en hij die de Masjid binnentreed is veilig." Allah's Boodschapper (saw) gaf toen opdracht dat Abu Sufyan vastgehouden moest worden in het smalle deel van de vallei waar de berg weerspiegelde zodat het gehele moslimleger hem zou passeren en hij ze zou kunnen aanschouwen. Bij het aanzicht van deze reusachtige legers en stammen van verschillende gebieden die naar Mekka marcheerden, was Abu Sufyan verbaasd en reageerde tegen Abbas: ‘'Inderdaad is het koninkrijk van uw Neef groots'' Abbas antwoordde kwaad: "Het is Profeetschap." Voor Abu Sufyan was dit belangrijk, aangezien hij de macht en de invloed zag van de Moslims en hun nieuwe Staat. Dit werd niet toegeschreven aan Mohammed (saw) als zijnde een koning, maar aan een profeet die een openbaring ontving. Het was de persoon (Abu Sufyan) die de Profeet (saw) het koningschap over de Arabieren had aangeboden en hij was het die in zijn wanhoop dit aan de familie van Ali (Radiallahu Anhu) had aangeboden. Daarna, haastte hij zich terug naar zijn volk en schreeuwde de longen uit zijn lijf: ‘'Dit is Mohammed die tot jullie is gekomen met een kracht waartegen jullie je niet kunnen verzetten. Hij die het huis ingaat van Abu Sufyan is veilig, en hij die zijn deur afsluit is veilig, en hij die de Masjid binnentreed is veilig." Toen zij dit hoorden staakten de Qur'aish hun weerstand. Toen marcheerde de Boodschapper van Allah (swt) Mekka in, terwijl hij op zijn hoede bleef. Hij (saw) had zijn bevelhebbers opgedragen om zich in vier afdelingen op te delen en niet te strijden noch enig bloed te vergieten tenzij ze daartoe gedwongen werden. Het leger betrad Mekka zonder enige weerstand behalve van de troepen van Khalid ibn al-Walid, waar ze snel mee afrekenden. De Boodschapper van Allah (swt) onderbrak zijn route op het hoogste punt van Mekka waar hij voor enkele ogenblikken rust hield alvorens naar de Ka'bah te marcheren en deze zeven keer te circuleren. Hij (saw) riep toen Uthman ibn Talhah bij zich en opende vervolgens de Ka'bah. Er verzamelden zich mensen om hem heen, en hij (saw) richtte zich tot hen door het volgende vers te citeren: "O, mensdom! Wij hebben u uit man en vrouw geschapen en Wij hebben u tot volkeren en stammen gemaakt, opdat gij elkander moogt kennen. Voorzeker, de godvruchtigste onder u is diegene die ‘At-Taqwa' bezit. Voorwaar, God is Alwetend, Alkennend." [Zie de vertaling van de betekenissen van surah Al-Hujurat, 49:13] Toen vroeg de Boodschapper van Allah (Sallallahu Alaihi Wa Sallam): "O Qur'aish, wat denken jullie over wat ik op het punt sta met jullie te doen?" Zij antwoordden: "Iets Goeds! U bent een edele broer, zoon van een edele broer." Hij (saw) zei: "Ga jullie eigen weg want jullie zijn vrij.'' Binnenin de Ka'bah gaf de boodschapper van Allah (swt) de opdracht om de afbeeldingen van engelen en profeten die de muren sierden eraf te scheuren. Hij (saw) vond ook een duif die uit hout vervaardigt was welke hij in zijn handen brak en toen wegwierp. Ten slotte richtte de Boodschapper van Allah (saw) zich tot de veelvuldig aanwezige afgodsbeelden met een stok in zijn hand en reciteerde het vers: En zeg: "Waarheid is gekomen en Batil (valsheid) is verdwenen. En Batil is inderdaad onderhevig om te verdwijnen.'' [Zie de vertaling van de betekenissen van surah Al-Isra, 17:81] Alle afgodsbeelden vielen omstebeurt met hun ruggen tegen de grond, toen werden zij verbrandt om vervolgens te worden weggedaan. Nu was het heilige huis definitief gezuiverd. Wij als moslims zijnde moeten deze grote overwinning in Ramadan als gedachteprikkel opvatten betreft onze huidige situatie. Elke Ramadan brengt een weer een nieuw conflict binnen de Moslimlanden. Wordt het geen tijd dat wij in opstand komen tegen deze verdorven heersers en het Islamitische Kalifaat te laten herleven zodat de mensheid ook daadwerkelijk groepsgewijs de Islam kan binnentreden? Referenties:
Dawla Islamiyyah, (The Islamic State), Taquidiine an-Nabhani Ta'rik al-Rasul Wal Muluk Tafsir Al Qur'an, Ibn Kathir Fi Zilal Al-Qur'an, (In the Shade of the Qur'an), Syed Qutb
|