vrijdag 10 februari 2012 In de naam van Allah, De Barmhartige De Erbarmer
Home
Missie & Visie
De weg naar geloof
Verklaringen
Pamfletten
Boeken
Intellectualisme
Definities&Termen
Wetgeving
Politiek
Multimedia
Koran
Hadith
Reacties
Van de lezers
Nieuws & Commentaar
Boek
Updates
Home arrow Intellectualisme arrow Economie arrow Kolonisatie door Reconstructie
Kolonisatie door Reconstructie Afdrukken E-mail
dinsdag 30 augustus 2005
Introductie

Ten tijde van het bestaan van de provisionele regering van de coalitie van bezetters van Irak (CPA; Coalitional Provisional Authority) is door haar een nieuw wetboek geschreven voor Irak, ter vervangingen van de wetten van onder het regime van Saddam Hussein. Deze “100 bevelen van Bremmer” zoals zij bekend zijn geworden, naar L. Paul Bremmer III die het CPA leidde voor de symbolische transfer van soevereiniteit over Irak naar de overgangsregering van Iyad Allawi, hebben in Irak onder het mom van reconstructie feitelijk een volkomen nieuwe ordening van de economie in het leven geroepen. Aan de hand een introductie van enkele van deze bevelen van Bremmer, en een uiteenzetting van hun consequenties, zal dit artikel proberen uiteen te zetten hoe precies deze bevelen de levens van het Irakese volk zullen beïnvloeden.

Bevel nummer 39: Buitenlandse investeringen

Ten uitvoer gebracht op 19 september 2003, kent bevel nummer 39 vier punten van voornaamheid. Ten eerste zal onder bevel nummer 39 een grootschalige privatisering van ruim 200 Iraki staatsondernemingen doorgevoerd worden. Ten tweede zullen onder bevel nummer 39 buitenlanders voortaan toegestaan zijn voor 100% eigenaar te worden van ondernemingen in Irak. Ten derde zal op generlei wijze onderscheidt gemaakt worden tussen ondernemingen in eigendom van Iraki’s en ondernemingen in eigendom van buitenlanders. Ten vierde en laatste, onder bevel nummer 39 wordt iedereen toegestaan financiële middelen vrij in Irak te brengen en uit Irak te halen, zonder hierover belast te worden.

Betreffende de privatisering van Iraki staatsondernemingen, qua schaal zal deze vergelijkbaar zijn met de privatisering van de staatsindustrieën in Oost-Europa, na de ten ondergang van het communisme aldaar. Als deze overeenkomst iets voorspelt, dan is het niet veel goeds: in Oost-Europa is uit de privatisering een ongekend oneerlijke verdeling van de welvaart, en daarmee veel armoede geresulteerd. De invloed van deze privatisering op de mensen in de voormalig communistische landen was drieledig. Enerzijds volgde op privatisering van een onderneming steevast een massale ontslaggolf om winstgevendheid te verbeteren, waarbij niet ongebruikelijk 50 tot 75% van de voormalige werknemers op straat kwam te staan. Direct hierop van invloed was dat, anderzijds, slechts een kleine groep van individuen met goede contacten binnen het regeringsapparaat in staat was het leeuwendeel van de industrie op te kopen, tegen een irreëel lage prijs. Voor enkele honderden miljoenen euro’s gingen bedrijven die jaarlijks miljarden in winst genereren, van de staat over in de handen van individuen. Zo resulteerde uit de privatisering een teruggang in de middelen waarover de overheid beschikte - de verkoopopbrengst van het staatsbezit was beneden iedere maat, winsten uit bedrijfsvoeringen kwamen in handen van individuen en niet langer direct in handen van de staat, en de meeste nieuw private ondernemingen ontdoken massaal belastingen over hun inkomsten (zowel op legale als illegale wijze), in reactie waarop de Oost-Europese overheden tegelijk met de teruggang in werkgelegenheid drastisch sneden in uitgaven aan pensioenen, onderwijs, bijstand bij werkloosheid en ziekte, ziekenzorg, et cetera.

In Rusland, bijvoorbeeld, was het resultaat in 1999, 8 jaar na het begin van de privatiseringsronde die als “de weg voorwaarts” werd gepresenteerd, dat 41,5% van alle Russen moest leven van een inkomen nog onder het bestaansminimum vastgesteld op 38 Amerikaanse dollars per maand (oftewel 1 euro per dag). In 2002, na een herstel ingegeven door toegenomen inkomsten voor de Russische overheid uit de export van olie, was dit nog altijd een immens 19,6%1 , oftewel de situatie voor een-op-vijf Russen.

Verscheidene vooraanstaande analisten van het Midden-Oosten in het algemeen, en Irak in het bijzonder, hebben gespeculeerd dat een gelijke diefstal in Irak voorbereid wordt. Zoals bekend had Irak kort na de invasie te kampen met plundering van de voorraden in fabrieken en overheidsinstellingen. Ondanks de morele en wettelijke (volgens verdragen overeengekomen binnen de Verenigde Naties) plicht om orde te handhaven, en herhaaldelijke oproepen hiertoe van de zijde van het Irakese volk, kwamen de bezettende legers enkel in actie om de faciliteiten van de olie-industrie en het olieministerie te beschermen, en stonden zij toe dat de rest van industrieel apparaat tot op de grond toe werd afgebroken. Een houding die volgens sommigen, dus, ingegeven was door de wens de prijs voor de ondernemingen bij de verkoop onder de privatisering zo laag mogelijk te krijgen2.

Zonder speculeren, enkel bij het feit van bevel nummer 39 blijvend, al haar elementen paven de weg voor uitbuiting van Irak door buitenlandse (lees: Amerikaanse) multinationale ondernemingen. Bij de privatisering van Irak’s economie zullen Iraki’s de grote spelers uit het internationale bedrijfsleven tegenover zich vinden als bieders - een kansloze positie, zoveel is duidelijk. Deze buitenlandse ondernemingen die zodadelijk in het bezit zullen komen van de Irakese ondernemingen, zal toegestaan worden de in Irak behaalde winsten vrij naar het thuisland te brengen, zonder dat hierover belasting hoeft te worden betaalt. Ter vergelijking, in de meeste West-Europese landen is het gebruikelijk dat een buitenlandse onderneming eerst belasting betaalt over de behaalde winsten in het land van 25 tot 40%, waarna over de repatriëring naar het thuisland van de onderneming van het geld dat overblijft een additionele belasting van omstreeks 20% wordt geheven. In Irak zal dit alles niet gelden. En waar in de meeste West-Europese landen aan buitenlandse ondernemingen speciale vereisten worden gesteld, zij moeten bijvoorbeeld samenwerken met een binnenlandse ondernemingen of een specifiek aantal mensen uit het land in dienst nemen, daar zullen dergelijke vereisten voor de buitenlandse ondernemingen die Irak’s economie opkopen niet bestaan. Dus kan zodadelijk voor weinig tot geen geld zaken doen in Irak, zonder dat de resulterende winsten belast worden en zonder Iraki’s in dienst moet nemen. Geweldig voor de multinationale ondernemingen op zoek naar mogelijkheden tot investeringen in groei, maar funest voor Irak en het volk van Irak, voor wie feitelijk niets van de rijkdom die het land van Irak biedt zal resulteren.

In reactie op de aankondiging van bevel nummer 39 schreef het volk van Bolivia reeds een brief aan het volk van Irak. Wat de meeste mensen niet weten is dat de strategische waarde van Irak niet enkel in olie gelegen is, maar tevens in water. Met de Tigris, de Eufraat, de boven-Zab en onder-Zab is Irak effectief de bron van water voor het Midden-Oosten, waar verscheidene westerse private watermanagement ondernemingen hun oog reeds op hebben laten vallen. De meest bekende hiervan is Bechtel uit de Verenigde Staten. In Bolivia had een dochteronderneming van Bechtel bij de privatisering van het watermanagement in Cochabamba de rechten hiervoor verworven. Het directe - en eigenlijk enigste - resultaat hiervan was dat de prijzen voor drinkwater omhoog schoten: gezinnen die leven van 60 Amerikaanse dollars per maand werden plotseling geconfronteerd met rekeningen voor waterverbruik van 20 Amerikaans dollars per maand3. Dat Bechtel, die momenteel het contract ter waarde van 3,8 miljard Amerikaanse dollars beheert waaronder gewerkt moet worden aan de wederopbouw van het elektriciteit- en waternet in Irak, nadat de bombardementen onder de eerste en tweede golfoorlog dezen grotendeels vernietigd hebben, ruim twee jaren na de invasie nog altijd niet op orde is, zegt genoeg over wat de Iraki’s onder privatisering waarschijnlijk te wachten staat.

Bevel nummer 81: Eigendomsrechten

Vruchtbaar als het land van Irak is heeft zij een lange traditie van landbouw. Haar boeren hebben over duizenden jaren bestuiving- en bewateringtechnieken ontwikkeld en toegepast, en zo grote bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van gewassen als tarwe en gerst, alsmede dadels en verschillende peulvruchten. Volgens de Wereld Voedsel Organisatie van de Verenigde Naties (FAO; Food and Agriculture Organisation) maakt momenteel 97% van de Iraki boeren gebruik van de zaden van de eigen gewassen, gewassen die dus over tijd grotendeels door de Iraki boeren zelf ontwikkeld en verbeterd zijn, om nieuwe beplanting te doen resulteren na iedere oogst.

Echter, Amerikaanse ondernemingen hebben deze zaden gepatenteerd. Omdat onder bevel nummer 81 Irak wordt gedwongen zich te schikken naar patentwetgevingen zoals gangbaar in kapitalisme, betekent dit voor de Iraki boeren dat zij voor de beplanting niet langer de zaden mogen gebruiken van de gewassen die zij zelf verbouwen, en die zij zelf hebben ontwikkeld. Deze zaden zullen voortaan gekocht moeten worden in de Verenigde Staten van de houders van de patenten op de zaden4.

Bevel nummer 37: Belastingen

Binnen de wereld van de economische wetenschap hebben verscheidene mensen het idee geopperd om belastingen op een vast percentage vast te stellen, willekeurig of de belasting geheven wordt op winsten van ondernemingen of inkomsten van individu, en willekeurig het niveau van het inkomen. Het belangrijkste argument voor dit systeem van “flat tax” is dat het simpel is, en eenvoudig te administreren. Als zodanig wordt zij uitgelegd als iets dat belastingontduiking zal verminderen - en zo de totale belastingopbrengst voor de overheid doet verhogen - en economische bedrijvigheid zal stimuleren.

In de Verenigde Staten hebben verscheidene politici een voorstel gedaan tot introductie van een systeem van flat tax, maar geen van deze voorstellen heeft kans gezien om ten uitvoer te worden gebracht. De voornaamste reden hiervoor is dat bekend is dat de flat tax de grootste last van de belastingheffing op de lagere en middeninkomens terecht doet komen, en de minste op de hogere inkomens. Iemand met een beperkt tot bescheiden inkomen, namelijk, die iedere cent broodnodig heeft om met het gezin te kunnen overleven, zal onder het systeem van de flat tax met hetzelfde belastingpercentage geconfronteerd worden als iemand met een inkomen dat in de miljoenen euro’s loopt, en die dus veel gemakkelijker belastingen op kan brengen.

Desalniettemin, en ondanks het feit dat het Amerikaanse volk zelf niets wil weten van een flat tax, juist omdat het de belastingdruk wegneemt van de mensen die deze het eenvoudigst kunnen dragen en plaatst bij degenen die deze het slechtst kunnen dragen, heeft men in Irak met de bevestiging van bevel 37 op 15 september 2003 wel een flat tax marginaal belastingpercentage van 15% ingesteld, voor zowel ondernemingen als individuen en ongeacht inkomen. Dit zal betekenen dat zelfs de ondernemingen in de olie-industrie, voorzover zij hun winsten onder bevel 39 niet repatriëren, hun inkomen uit bedrijfsvoering belast zullen zien worden tegen 15%. Dit staat in schril contrast met de heffing in bijvoorbeeld Nederland over de inkomsten uit de gaswinning in Groningen, welke in totaal ligt tussen de 70% en 80%, het gebruikelijke percentage bij de winning van olie en gas door private ondernemingen. In Irak zullen de buitenlandse (lees: Amerikaanse) ondernemingen in de olie-industrie dus in plaats van 40 tot 20% van het voordeel dat deze natuurlijke bronnen bieden, naar huis gaan met 85% van dit voordeel. Irak en het Irakese volk met slechts 15% procent achterlatend.

Bevel nummer 12: Handel

Zowel Europa als de verenigde Staten kennen een traditie van bescherming van de nationale industrieën tegen concurrentie van buitenaf, door het heffen van belastingen op ingevoerde producten. Vrij recent nog haalde de Verenigde Staten zich de woede van Europa op de hals door te weigeren de heffingen op geïmporteerd staal, waarmee men de nationale staalproductie ondersteunt en verzekert, te verwijderen. En zowel de Verenigde Staten als Europa zijn bekend vanwege hun bescherming van de eigen landbouw. Een markant voorbeeld hiervan is de subsidies die de Verenigde Staten haar katoenboeren betaalt: 156.000 Amerikaanse dollars per jaar, gemiddeld, voor ieder van Amerika’s 250.000 katoenboeren. Het resultaat hiervan is dat deze boeren hun producten ver beneden kostprijs kunnen verkopen op de wereld markt voor katoen, en zo de prijs drukken die Afrikaanse en Braziliaanse katoenboeren ontvangen voor hun product. Hierdoor leven volgens OXFAM in West-Afrika alleen 10.000.000 mensen onder de armoedegrens, omdat zij in hun bestaan afhankelijk zijn van de lokale katoenindustrie5. Het meest sprekend voorbeeld van bescherming van de eigen industrie door import heffingen uit de Europese Unie is het feit dat de helft van het totale budget van de EU (omstreeks 50 miljard euro) opgaat aan enkel subsidies voor de landbouw. Deze politiek van zowel de Verenigde Staten als de EU houdt de prijzen voor landbouwgoederen op de wereldmarkt kunstmatig laag, omdat door de subsidies de Amerikaanse en Europese boeren hun producten ver onder de kostprijs kunnen verkopen. Door de resulterende lage prijzen op de internationale markt voor landbouwproducten loopt Afrika ieder jaar omstreeks 2 miljard Amerikaanse dollars aan inkomsten uit de export van landbouw producten mis, het Caribisch gebied 8 miljard en Azië 7 miljard – de Derde Wereld landen, om precies te zijn6.

(En wat Europa en de Verenigde Staten teveel produceren wordt door hen in ontwikkelingshulp gratis geschonken aan door natuurrampen getroffen landen in de wereld, als gevolg waarvan de lokale boeren failliet gaan omdat zij met hun producten niet kunnen concurreren tegen voedsel dat gratis worden weggeven.)

Dit beleid van de Verenigde Staten en de EU is voor een groot deel strategisch van aard, en dient om afhankelijk van andere landen betreffende primaire goederen te voorkomen. Haar resultaat is een algemeen geaccepteerd feit: oneerlijke handel en armoede voor de boeren die zich niet binnen het beschermde gebied bevinden. Desondanks leest bevel nummer 12:

“Dit bevel bevestigt de beëindiging van al de belastingen op importen en exporten, alsmede douane heffingen en andere soortgelijke heffingen op goederen die Irak binnenkomen of uitgaan”

Irak mag zichzelf en haar volk dus niet verdedigen tegen dit handelsbeleid van de rijke westerse naties. Het beleid dat over heel de wereld armoede en verderf zaait, doordat het de prijs van producten kunstmatig zo laag doet zijn, dat er geen bestaan op te baseren valt. Zo zal het meest vruchtbare land in het Midden-Oosten waarschijnlijk hetzelfde lot ten deel vallen als het meest vruchtbare land ter wereld, zijnde Indonesië, dat in plaats van een exporteur te zijn lange tijd gedwongen was gesubsidieerde rijst te importeren, om in de behoefte van haar bevolking te kunnen voorzien.

Bevelen nummers 57 en 77: Tenuitvoerbrenging van Bremmer’s Bevelen

Misschien in erkenning van het onheil dat over Irak wordt afgeroepen door de tenuitvoerbrenging van de bevelen van Bremmer, en de weerstand die hun tenuitvoerbrenging vroeger of later zal oproepen onder het Irakese volks, gaan specifieke bevelen in op het bereik van deze bevelen. Bevelen nummers 57 en 77 hebben tot wet gemaakt dat de Verenigde Staten het recht hebben om ambtenaren en inspecteurs aan te stellen op al de ministeriele departementen in Irak, die tot taak zullen hebben:

  • toetsing van aangegaan beleid door Irak’s overheidsdiensten aan de bevelen van Bremmer;
  • toetsing van aangegane contracten door Irak’s overheidsdiensten aan de bevelen van Bremmer;
  • toetsing van uitgevaardigde wetten aan de beve len van Bremmer;
  • instelling en ontslag van overheidsambtenaren.
Als zodanig is onder de bezetting een lichaam tot stand gebracht dat zich beweegt boven de regering van Irak. Het heeft de bevoegdheid om ambtenaren te ontslaan wanneer dezen er op staan beleid ten uitvoer te brengen anders dan het beleid uiteengezet door de bevelen van Bremmer, of wanneer dezen weigeren het beleid uiteengezet door de bevelen van Bremmer ten uitvoer te brengen. Zij heeft het recht dergelijke ambtenaren te ontslaan, alsmede om daarna mensen te benoemen voor de vacante positie die meer welwillend zijn zich aan de lijn Bremmer te houden7. Zo is continuering van de lijn Bremmer een zekerheid, ongeacht de wensen van het volk van Irak.

Conclusie

In de tijdelijke grondwet opgesteld door de CPA om, zo werd gezegd, de overgangsregering van Iyad Allawi in staat te stellen Irak te regeren, luidde artikel 26:

“De wetten, verordeningen en bevelen uitgevaardigd door de provisionele regering van de coalitie van bezetters van Irak... dienen gehandhaafd te worden.” 8

Dat de introductie van een nieuwe grondwet en wetboek voor Irak onder bezetting strijdig is met verschillende van de internationale verdragen waar de Verenigde Staten zich zo graag op beroepen wanneer zij dregt met militair geweld, en waarvan zijzelf medeondertekenaar is (het verdrag van Den Haag van 1907 en de Geneefse Conventie van 1949 schrijven een bezettingsmacht voor “de geldende wetten te respecteren”), is dus nauwelijks interessant. De bevelen van Bremmer zijn bindend want vastgelegd in de nieuwe grondwet van Irak, welke enkel veranderd kan worden met 75% van de stemmen in het parlement, en zullen dus voor de voorzienbare tijd het leven van het Irakese volk ordenen.

Het doel van dit economisch beleid in Irak is om een economie te scheppen naar laissez-faire principes, welke als model zal kunnen dienen voor de overige economieën in de regio. Zoals het contract met BearingPoint Incorporate, het bedrijf dat voor 250 miljoen Amerikaanse dollars zal werken aan de verdere ontwikkeling van het juridisch raamwerk voor de economie van Irak, duidelijk aangeeft:

“Het moet duidelijk begrepen zijn dat de verrichtingen onder dit contract ten doel hebben het juridisch raamwerk tot stand te brengen nodig voor een functionerende markteconomie.” 9

Het is beleid waartegen in de westerse wereld massaal verzet is, en dat in veel gevallen onacceptabel is voor het electoraat. Het is beleid volkomen in lijn met hetgeen het Internationaal Monetair Fonds als standaard oplossing aanbiedt aan de landen wiens economieën om in puin liggen, en dat algemeen erkend in alle gevallen niets anders heeft doen resulteren dan enkel meer ellende voor de mensen onderaan de economische ladder, ten gunste van het kapitaal10. Maar het zogenaamd “vrije volk” van Irak is dan ook niets gevraagd in deze door haar bevrijders. Over hun rol bij dit alles, de rol die de Iraki’s zelf mogen spelen bij dit proces, zegt het contract met BearingPoint Incorporate het volgende:

“De hoop is de Iraki leiders en belanghebbende een voortrekkersrol te laten spelen... zolang dit consistent is met het algemene doel van het project”11

Het is opvallend dat twee wetten van onder het regime van Saddam onder de bevelen van Bremmer niet opgeschort zijn. Deze zijn het verbod op vakbonden, en het verbod op collectieve loononderhandelingen; beiden reeds in lijn met de opvattingen betreffende zorgen voor de mensen ten grondslag aan de laissez faire visie op economie. Het programma van voedselverdeling onder het volk, door Saddam opgezet, waar 60.000 mensen aan werkten en waar het overgrote deel van de bevolking van Irak afhankelijk van was geraakt na de vele jaren van economische sancties en twee militaire invasies, is zodanig afgeslankt dat het feitelijk is stopgezet. Wie precies dit economisch voorbeeld model in dienst staat is duidelijk.Het nieuwe economisch beleid biedt ongekende mogelijkheden voor Amerika’s multinationale ondernemingen voor lange tijd, maar weinig, indien überhaupt, perspectief voor het Irakese volk zelf. Het is kolonisatie in de vorm van reconstructie.

__________________________________

1 Yana Yurova: “The specifics of Russian poverty”, 27 september 2004, www.cdi.org

2 Naomi Klein: “Baghdad Year Zero”, 24 september 2004, www.harpers.org

3 Antonia Yuhasz: “The economic colonization of Iraq: illegal and immoral”, 8 mei 2004, www.globalpolicy.com

4 Grain.org: “Iraqi farmers aren’t celebrating”, 15 oktober 2004, www.grain.org

5 OXFAM: “Cultivating poverty: The impact of US cotton subsidies on Africa”, September 2002, www.oxfam.org

6 IFPRI: “Wealthy Countries’ Trade Policies Sap the Economies of Developing Nations”, 26 augustus 2003, www.ifpri.org

7 Antonia Yuhasz: “The handover that wasn’t legal”, 5 augustus 2004, www.latimes.com

8 Ibid noot 2

9 Ibid noot 2

10 Zie bijvoorbeeld: George Stiglitz: “Globalization and its Discontents”, Pengium Books, New York

11 Ibid noot 2

< Vorige   Volgende >
 [ Arabisch ]
Ayah
De godsdienst bij god is de Islam. (zie vertaling v.d. betekenis van Soerat Ali- Imraan 19)
Hadith

Irbad ibn sariyah zegt : de Profeet (saw) maande ons met een preek, die onze harten deed sidderen en onze ogen liet tranen. ‘O, Boodschapper van Allah! Het was als een afscheidspreek, dus adviseer ons! vroegen wij.' Hij zei : "Ik adviseer jullie Allah te vrezen en om te luisteren en te gehoorzamen, zelfs in het geval er een slaaf als leider over jullie wordt benoemd. Degenen die onder jullie leven zullen een groot aantal geschillen zien. Houdt dus stevig vast aan mijn Soenna en de Soenna van de rechtgeleide Kaliefen. Houdt jezelf afzijdig van vernieuwingen, want alle vernieuwingen zijn misleidingen." (Daarimi , ibn Majeh en Tirmidi)

over hadith..