|
Redactie Expliciet : Het idee van vrijheid dat vandaag de dag het denken van de westerse mens domineert, is een van de meest vooraanstaande karakteristieken van de moderniteit, de beweging die in de vorige uitgave van Expliciet Magazine uiteengezet is geworden. Deze vrijheid valt uiteen in een aantal specifieke componenten, te weten vrijheid van meningsuiting, vrijheid van drukpers, vrijheid van vergadering en persoonlijke vrijheid. Deze laatste betreft de bevrediging van de menselijk instincten en behoeften, en biedt de mensen dus vrijheid in de manier waarop zij hun instincten en behoeften bevredigen. In deze uitgave van Expliciet een kritiek op het idee van persoonlijke vrijheid.
Het idee van vrijheid
Voor vele honderden jaren leefden de mensen in Europa onder het bewind van de Katholieke kerk, en in vrees voor het hiernamaals. Gehoorzaamheid was de belangrijkste deugd waarover een mens kon beschikken, zo werd het volk door de kerk voorgehouden. In de beleving van de mensen was ingeprent dat gehoorzaamheid aan kerk en heerser een voorwaarde zou zijn voor toegang tot het paradijs in het hiernamaals. Daarmee waren destijds de handelingen van de mensen hoofdzakelijk gebaseerd op de verordening van dezelfde kerk en heerser.
In reactie op dit leven onder theocratie, welke het overgrote deel van de mensen - de heersende elite van kerk en adel uitgezonderd - niets dan ellende bracht, mocht, nadat de beweging der moderniteit eenmaal praktische toepassing had verkregen, de kerk niet langer de mensen de wet voorschrijven. De wet, voortaan, werd vrijheid van verordeningen van de kerk. Verlangens in relatie tot het hiernamaals mochten hiermee niet langer de handelingen in het huidige leven sturen, daar zij tot dusver niets dan ellende hadden doen realiseren. Wensen en verlangens met betrekking tot het huidige leven moesten tot het fundament onder handelen worden, en de relatie tussen het huidige leven en het hiernamaals werd tot non-existent verklaard. Het doel van handelen in het leven werd hiermee verlegd van welzijn in het hiernamaals naar welzijn in het huidige leven.
Spinoza (1632 - 1677) zei:
“Er is niet waar de vrije mens minder aan denkt dan de dood”
Onder aanname van het idee dat wensen en verlangens betreffende de bevrediging van instincten en behoeften individueel zijn, en het idee dat ieder persoon zelf het best weet wat zijn wensen en verlangens voor dit leven zijn, ontstond het idee van persoonlijke vrijheid. Als het doel van het leven welzijn in dit leven is; en als welzijn in dit leven afhankelijk is van de bevrediging van de wensen en verlangens in dit leven; en als wensen en verlangens individueel zijn; dan is een vereiste voor welzijn in dit leven dat ieder mens zijn handelingen kan baseren op de eigen wensen en verlangens.
Filosoof Bertrand Russel (1872 - 1970) definieerde vrijheid derhalve als volgt:
“De afwezigheid van obstakels in het realiseren van wensen”
Binnen de seculiere visie op het leven, dus, is vrijheid een van de maatstaven voor het leven. Immers, zonder vrijheid zoals gedefinieerd door Bertrand Russel, kunnen wensen en verlangens niet gerealiseerd worden, en kan het doel van het leven - welzijn in het leven - nooit gerealiseerd worden.
Dit is waarom Jeremy Bentham, een van de vooraanstaande denkers van de moderniteit, zei:
“Iedere wet is iets slechts, omdat iedere wet een beperking van vrijheid is.”
De maatstaf voor vrijheid is volgens Hobbes (1588 - 1679):
“Iemand is vrij wanneer hij ongehinderd kan doen wat hij wil.”
Dit voor wat betreft de filosofische onderbouwing van vrijheid in het algemeen, en persoonlijke vrijheid in het bijzonder. Voor haar aanhangers is zij hetgeen welzijn in het leven mogelijk maakt. Daar welzijn in het leven onder de moderniteit het uiteindelijke doel van het leven is, is het bestaan van deze vrijheid naar de visie op het leven van de moderniteit een vereiste, en een recht voor iedereen. Universeel, voor ieder mens op aarde.
Kritiek op de filosofie
In kritiek op dit idee, observatie van het gedrag van mensen laat zien dat de handelingen van de mens altijd een doel hebben; zij streven ofwel een materiele waarde na, ofwel een menselijke waarde, een morele waarde, of een spirituele waarde. De waarden die een mens in zijn gedrag nastreeft staan in relatie tot de instincten en behoeften die een mens ervaart. Zo kan men zeggen is het gedrag van mensen ten alle tijde gebaseerd op de menselijke instincten en behoeften. Maar, onvermijdelijk resulteert uit het gedrag van mensen relaties. Dit is direct duidelijk in het voorbeeld waarin twee personen een huwelijk aangaan, op zoek naar geborgenheid en rust in het bestaan, maar het geldt net zo wanneer mensen handelen in een streven naar vergaring van materiele welvaart. Ook uit dit gedrag resulteert een relatie, zoals tussen de koper en de verkoper, of tussen de baas en zijn medewerker, of tussen partners in zaken. Dus zelfs voor de persoon die in afzondering wenst te leven zijn relaties met andere mensen onvermijdelijk, omdat voor iedereen de instincten en behoeften tot handelen aanzetten, waaruit onvermijdelijk relaties met andere mensen resulteren. Daarmee is de realiteit van het menselijk bestaan dat een individu het niet in afzondering beleeft.
Bij het bestaan van relaties, echter, is absolute vrijheid van handelen voor het individu een praktische onmogelijkheid. Bij het bestaan van relaties, namelijk, is de vrijheid in handelingen en gedrag voor het ene individu een beperking van de vrijheid van een ander individu. Indien in de relatie baas versus werknemer de baas onbegrensd is in gedrag, dan is duidelijk dat de werknemer begrensd zal zijn in zijn of haar gedrag. En indien in de relatie echtgenoot versus echtgenote de echtgenote onbegrensd is in gedrag, dan is duidelijk de echtgenoot begrensd zal zijn in zijn gedrag.
Niemand zou ook een leven voor zich wensen, waarin aan het gedrag van de mensen met wie men onvermijdelijk moet leven geen grenzen zijn gesteld. Een dergelijke situatie van “absolute vrijheid” is in feite een situatie van complete anarchie, waar enkel het recht van de sterkste zou gelden en waar praktisch gezien niemand vrij zou zijn. De contradictie in het idee van vrijheid wordt daarmee overduidelijk: vrijheid is de afwezigheid van wetten, maar de afwezigheid van wetten schept een situatie waarin vrijheid niet kan bestaan. Gezien het bestaan van relaties in het menselijk leven is ordening van de relaties door middel van wetten onafwendbaar; en noodzakelijk en vereist, wil men ten minste over een bepaalde mate van vrijheid van handelen beschikken.
Op basis van dit inzicht kwamen andere filosofen dan ook tot een volkomen ander begrip van vrijheid dan Russel, Bentham en Hobbes hierboven. Hegel (1770 - 1831) vertrok van de conclusie dat vrijheid het bestaan van wetten vereiste, en filosofeerde door tot de conclusie dat het bestaan van wetten derhalve een teken van het bestaan van vrijheid was.
Voor Hegel was vrijheid derhalve:
“Het recht de wet te gehoorzamen”
Op gelijke basis filosofeerde Montesquieu:
“Vrijheid is het recht te doen wat de wet heeft toegestaan.”
Jean Jacques Rousseau (1712 - 1778) stelde:
“Er bestaat geen vrijheid zonder wetten.”
In alle objectiviteit kan men stellen dat dit begrip van vrijheid resulteert uit erkenning dat de hierboven geïntroduceerde absolute vrijheid enerzijds onwenselijk is (anarchie leidt niet tot welzijn maar tot onwelzijn bij de mens), en anderzijds utopisch is (vrijheid vereist de afwezigheid van wetten, maar de afwezigheid van wetten maakt het bestaan van vrijheid onmogelijk). Het hier uiteengezette begrip van vrijheid kent tevens een logische inconsistentie, omdat het vrijheid verbindt aan het bestaan van wetten. Als zodanig wordt een situatie als vrijheid beschreven die niets meer met linguïstische betekenis van het woord vrijheid van doen heeft, een situatie waar door middel van wetten aan vrijheid een einde gemaakt is. Feitelijk hebben Hegel, Montesquieu en Rousseau dus niets aan de utopie van vrijheid kunnen veranderen.
Buiten dit, indien vrijheid inderdaad onderdanigheid en / of onderwerpring aan de wet is, dan is de situatie van vrijheid feitelijk de antithese van vrijheid: men is vrij wanneer men niet vrij is te doen wat men zelf wil. Het zou ook betekenen dat ieder mens op aarde feitelijk vrij is, omdat iedereen zich geconfronteerd vindt met wetten die onderdanigheid eisen. Ook wordt de stelling dat de mens enkel in de liberale democratie vrij is, en niet in Islam, dan duidelijk onzin; ook onder Islam wordt van de mens onderdanigheid aan de wetten geëist, net zoals in een liberale democratie, of in een dictatuur.
Kritiek op de praktijk
De utopie van vrijheid latend voor wat het is, als laatste is de vraag gerechtvaardigd of werkelijk persoonlijke vrijheid de sleutel tot geluk en welzijn in het leven is. Het bestaan van relaties betekent immers dat het welzijn van de ene mens onder invloed staat van de handelingen van andere mensen.
De wereld ontleent aan Adam Smith het idee dat zolang de mens vrij is zijn handelingen te baseren op de eigen wensen en verlangens, hij automatisch het welzijn van de samenleving zal dienen:
“Het is niet vanwege de vriendelijkheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij ons eten mogen verwachten, maar vanwege hun aandacht voor hun eigen belangen.”
Dit idee, het idee bekend onder de naam “The Invisible Hand”, is een idee uit economische context en komt voort uit de observatie dat ieder mens, indien vrijgelaten, zijn of haar werk in zal zetten daar waar de beloning voor het werk het grootst zal zijn. Dus een vrije samenleving, een samenleving waar de individuen vrij zijn de keuzes te baseren op wensen en verlangens, zal volgens Smith in staat zijn de opbrengst van productie te maximeren, en zal zodoende over de maximale middelen (gegeven de beschikbare productiemiddelen) beschikken die voor de bevrediging van de materiele behoeften van de mens ingezet kunnen worden. En dit laatste, zo redeneert Smith, is in ieders voordeel.
Maar, in kritiek, buiten dat welzijn niet enkel van materiele factoren afhankelijk is, de hoeveelheid middelen ter bevrediging van de materiele behoeften van de mens niet de enigste factor van invloed op het materieel welzijn van de mens is. De verdeling van deze middelen over de individuen die behoeven is net zo, maar mogelijkerwijs nog belangrijker. Dus niet enkel zou de invloed van vrijheid van handelen op de productie beschouwt moeten worden, maar tevens de invloed van deze vrijheid op de allocatie van middelen over de individuen die behoeven. En wat dit laatste betreft, zo getuigt 200 jaren kapitalisme in de westerse wereld, is de relatie duidelijk negatief. De (bijna) absolute vrijheid van handelen in het economisch leven heeft geresulteerd in een bijzonder scheve verdeling van de welvaart, waar degenen die reeds hebben in staat zijn wat zij hebben in te zetten om dit bezit uit te breiden ten koste van degenen die niet (zoveel) hebben.
Naast de scheve verdeling van de welvaart die vrijheid van handelen in het economisch verkeer heeft doen resulteren, niet enkel tussen naties maar tevens in naties, vallen vele andere voorbeelden aan te dragen waarop men een kritiek op het idee van vrijheid zou kunnen baseren. Onder vrijheid is egoïsme de regel geworden, mag de invloed van het eigen gedrag op anderen niet langer mee in overweging geworden, en is een gevoel van verantwoordelijkheid voor anderen verworden tot een kwaad, in plaats van een deugd. Hierop valt direct terug te voeren het feit dat het bestaan in de zogezegd vrije samenlevingen meer en meer gekarakteriseerd worden door alsmaar toenemende (financiële) onzekerheid, een strijd tussen buren op leven en dood; maar ook de perversiteiten waar seksualiteit in de westerse wereld door getypeerd wordt; de losbandigheid die de familiale relaties in de westerse wereld frustreert, als gevolg waarvan tegenwoordig een meerderheid van huwelijken voortijdig eindigt in scheiding en een meerderheid van kinderen opgroeit in een-ouder gezinnen; de criminaliteit die tot volledig buiten controle van de overheidsdiensten is geëvolueerd; de algemene onbeschoftheid waarover zo veel mensen klagen; et cetera.
Fundamenteel, echter, overduidelijk is dat in een situatie van samenleven waar aan de handelingen van de een geen grenzen gesteld zijn, en deze zijn handelingen mag richten enkel de eigen wensen en verlangens in ogenschouw nemende, dat daar het welzijn van anderen onvermijdelijk onder zal leiden.
De conclusie van de kritiek op vrijheid moet dus zijn dat zij in werkelijkheid een utopisch idee is. Daarnaast, de ordening van het leven gebaseerd op de filosofie van persoonlijke vrijheid houdt geen rekening met het bestaan van relaties, als gevolg waarvan vrijheid het door haar gestelde doel van welzijn voor de mens onmogelijk kan realiseren. En naarmate vrijheid dominanter wordt, en egoïsme andere - voorheen belangrijk geachte - waarden tot taboe maakt, wordt deze negatieve relatie tussen vrijheid en welzijn almaar duidelijker merkbaar. |