|
De Profeet van Islam (Vzmh) heeft gezegd:
“De zoon van Adam (as) kent geen groter recht dan een huis waarin hij mag verblijven, een stuk kleed waarmee hij zijn naaktheid mag bedekken, en een stuk brood en wat water.”
Armoede in Afrika
Volgens de befaamde geschiedkundige Ibn Khaldoen is de naam “Afrika”, “Ifriqiya” in het Arabisch, een verbastering van Ifriqos bin Qais bin Saifi, een historische koning van Jemen. Nog voor de Hidjrah van de Profeet (Vzmh) en zijn Metgezellen (ra) van Mekkah naar al Medinah in het jaar 622 na Christus, maakte Ifriqiya voor het eerst kennis met Islam en de moslims. In reactie op de vervolging en onderdrukking die de moslims in Mekkah, emigreerden sommigen van de moslims in het jaar 615 na Christus vanuit Mekkah naar het Abessinië (Ethiopië) van de Negus, de Christelijke koning van Abessinië. Later, met de vestiging van de Islamitische Staat in al Medinah, het feitelijke resultaat van de emigratie van de moslims uit Mekkah naar al Medinah (Hidjrah), ontstond voor Islam een eigen thuisbasis. De moslims van Abessinië vertrokken daarop om zich te voegen bij hun broeders in geloof in de Islamitische Staat in al Medinah, waar zij voortaan de islamitische manier van leven zouden leiden; het leven gebaseerd op Islam en geordend door de systemen en wetten van Islam. Deze Islamitische Staat ondernam in de periode 670 - 680 na Christus, de jaren 48 tot 58 Hidjri, onder leiding van de befaamde ‘Uqabah bin Nafi een expeditie door Afrika. Vertrekkend vanuit het Arabisch Schiereiland hield ‘Uqabah pas plaats bij het aanschouwen van de Atlantische Oceaan aan de westkant van Afrika, onder de woorden “Oh Allah, was mijn voortgang niet gestopt door de zee, dan zou ik doorgegaan zijn tot andere onbekende koninkrijken in Afrika, Uw Eenheid (de religie Islam) verkondigend!” Hieropvolgend, onder aanvoering van Hasan bin Nu’man al Ghassani, naar Afrika gestuurd door Islam’s 5e Khalifah Mu’awiyya ibn Abi Soefyan, kwam Afrika voor een groot deel onder bestuur van moslims.
Denkende aan Afrika komen bij de meeste mensen vandaag de dag beelden voor ogen van ondervoede kinderen, vluchtelingenkampen, corruptie en oorlog. Het werelddeel met haar 800 miljoen bewoners is vandaag de dag bijna synoniem aan armoede. Toch is dit niet altijd zo geweest. Het Afrika van onder Islam, namelijk, was anders dan het Afrika van vandaag de dag. Onder Islam werd Afrika bestuurd op basis van de wetten van Islam, en door middel van de systemen van het Islam; Islam’s strafrechterlijk systeem, economisch systeem, sociaal systeem, et cetera. Armoede ten tijde van Islam was in Afrika - hoe moeilijk voorstelbaar ook - volledig afwezig, zo getuigen bijvoorbeeld de woorden van de speciale gazant voor Afrika van Khalifah ‘Umar ibn Abdul Aziz, belast met het innen en verdelen van de Zakat:
“De Khalifah stuurde mij om de zakat te innen van de moslims in Afrika. Nadat ik het verzameld had, vroeg ik of er arme mensen waren ten gunste van wie de zakat besteed zou kunnen worden, maar ik kon niet een dergelijk persoon vinden.”
Het Afrika van Islam, met andere woorden, kende geen bewoners die niet een huis hadden om in te wonen, of een kleed hadden om hun naaktheid mee te bedekken, of een brood hadden en water om hun behoefte aan voeding mee te voorzien. Dit Afrika, onder invloed van het economisch systeem van Islam, was rijk en welvarend.
Hoe anders is de situatie vandaag de dag. Met recent Live8, het popconcert georganiseerd door Bob Geldof, en de bijeenkomst van de rijkste industrielanden in de wereld (de G8) in Gleneagles, Schotland, is armoede in Afrika zoals wel vaker weer eens hoog op de politieke agenda van de westerse wereld plaatsten. Noodzakelijk en in principe prijzenswaardig, want in Sub-Sahara Afrika treft armoede 46,3 percent van de bevolking. Van de 20 armste landen in de wereld, allen met een gemiddeld jaarinkomen van minder dan 500 Amerikaanse dollars PPP , zijn er 15 afkomstig uit Afrika. Gedurende de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw steeg het nationaal inkomen per hoofd van de Afrikaanse bevolking nog, van 1500 tot circa 2000 Amerikaanse dollar PPP, maar het bleef sindsdien op dit niveau steken. Ten zuiden van de Sahara is het beeld nog somberder. Het inkomen per hoofd was in dat deel van Afrika altijd al heel laag, maar daalde sinds 1974 nog verder met circa 200 dollar. In de jaren negentig van de vorige eeuw alleen al kromp de economie van Afrika gemiddeld met anderhalf procent per jaar, terwijl in dezelfde periode de rest van de wereld met bijna twee procent per jaar groeide. Afrika is dus niet enkel relatief gezien armer geworden ten opzichte van andere landen, maar zelfs absoluut. In een periode van tijd waarin de wereld als geheel een immense toename van de welvaart heeft weten te realiseren, is Afrika absoluut armer geworden. Afrika heeft op dramatische wijze terrein verloren en de kloof tussen Afrika en de rest van de wereld is fors gegroeid. Ter bevestiging hiervan, waar het inkomen per hoofd in de 20 armste landen van de wereld over de voorbije 40 jaar feitelijk onveranderd is gebleven (van 212 Amerikaanse dollar PPP in 1960 tot 267 Amerikaanse dollar PPP in 2002), is het inkomen per hoofd in de twintig rijkste landen van de wereld verdrievoudigd (van 11.417 Amerikaanse dollar PPP in 1960 tot 32.339 Amerikaanse dollar PPP in 2002). Het aantal Afrikanen met minder dan één dollar per dag PPP te besteden, steeg van 42 procent in 1970 tot 50 procent in 1995. De armoede in enkel Sub-Sahara Afrika was en is nog veel groter. Bijna één op de twee (48 procent) Afrikanen leefde in 1970 onder de armoedegrens, en dat aandeel is dankzij de slechte economische prestaties gestegen tot 60 procent in 1995. Kille cijfers die een onvoorstelbare menselijke tragedie maskeren.
In ogenschouw nemend de immense minerale rijkdom en vruchtbare landbouwgrond waarover Afrika beschikt, is de situatie van Afrika zoals onder Islam eigenlijk wat men zou verwachten - rijk en welvarend. De vraag is dan ook gerechtvaardigd, hoe is het mogelijk dat een werelddeel in potentie zo rijk in een periode van enkele honderden jaren is afgegleden van een situatie waarin armoede niet voorkomend was, tot een situatie waarin armoede haar karakteriseert?
Het initiatief van de G8
Onder aanname van een bepaald idee in antwoord op deze vraag, heeft recent Groot-Brittannië voor de ogen van de wereld een lans gebroken voor vermindering van armoede in Afrika. Brits Minister van Financien Gordon Brown heeft Afrika rondgereisd, met op zijn hielen een heel leger aan mediavertegenwoordigers, en heeft op de recente G8 top de plannen van Groot-Brittannië uiteengezet waarmee armoede in Afrika, nu onder bestuur van de kapitalistische ideologie, bestreden moet gaan worden. Het plan kent in feite twee pijlers:
1.Schuldverlichting: onder bepaalde voorwaarden zullen de landen van de G8 de schuld van ‘s werelds 18 armste landen kwijtschelden, een stap waarmee ongeveer 40 miljard Amerikaanse dollar gepaard zal gaan.
2.Hulp: onder bepaalde voorwaarden zullen de landen van de G8 meer hulp beschikbaar stellen aan Afrika.
Uit het plan blijkt het idee dat de oorzaak van armoede in Afrika enerzijds ligt in de onhoudbare schuldposities die de overheden in dit werelddeel over tijd hebben opgebouwd (daarom schuldreductie), en anderzijds in het onvermogen van de zijde van de overheden en volkeren van dit werelddeel om zelf initiatieven voor ontwikkelen te ontplooien en te organiseren (daarom meer westerse hulp).
Betreffende de schulden waar inderdaad de meeste Afrikaanse landen onder gebukt gaan, dit is inderdaad een groot probleem en een bron van veel ellende. Voor een waarde oordeel over dit initiatief tot schuldreductie van de G8 is het van belang om de oorsprong van de Afrikaanse schuld te kennen. Inderdaad, kwijtschelding van 40 miljard aan schuld lijkt op het eerste gezicht een zeer nobele geste en een goede stap, maar is het dit ook werkelijk?
Als een van de eerste heeft Noreena Hertz in haar boek “IOU: het gevaar van de internationale schuldenlast” uit de doeken gedaan hoe precies Afrika zo in de schulden is geraakt. Dit heeft twee oorzaken:
Ten eerste, een groot deel van de hedendaagse schuld is het resultaat van leningen gegeven ten tijde van de Koude Oorlog. Leningen destijds waren een middel om vriendschappen mee te verkrijgen, een instrument in de oorlog tussen de kapitalistische en communistische ideologie. Zowel Rusland en China (het communistisch blok), als de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, et cetera (het kapitalistisch blok), maakten op grote schaal gebruik van leningen om relaties van afhankelijkheid te creëren met Afrikaanse staten. Afhankelijkheid die gebruikt zou kunnen worden om de eigen belangen te kunnen dienen, onder voorwendsel de respectievelijk communistische of kapitalistische manier van leven vooruit te krijgen in deze specifieke gebieden. Leningen destijds waren dus niet bedoeld om een land vooruit te helpen, maar om bevriende staatshoofden in het zadel te krijgen en te houden. En het mes sneed aan twee kanten. De Verenigde Staten leenden bijvoorbeeld immense bedragen aan de toenmalige dictator van Congo (destijds Zaïre), Mobutu Seso Soko, ondanks het feit dat de man een wreedaardig type van dictator was aan wiens handen het bloed van vele zinloos gestorven Congolezen kleeft, en ondanks het feit dat feitelijk alles wat geleend werd door Mobutu direct werd doorgesluisd naar zijn eigen privé rekeningen in Zwitserland. Maar Mobutu deed wat zijn Amerikaanse vrienden van hem vroegen, en zijn corruptie was daarom nooit een reden om leningen aan Congo geen doorgang te laten vinden. In 1978 kwam via het IMF een memo naar buiten waarin formeel werd bericht dat gezien de corruptie in het Zaïre van Mobutu het onwaarschijnlijk was dat de leners ooit hun geld terug zouden zien; desondanks ontving later in het jaar Mobutu een additionele lening van het IMF omdat hij zijn grondgebied had opengesteld voor Amerikaanse troepen en hun geheime operaties in buurland Angola. Zo was voor vele tientallen jaren het uitlenen van geld onderdeel van politiek, ter verzekering van trouw van partnerstaten en het realiseren van geopolitieke strategische doelen.
Maar natuurlijk, het geld dat in de zakken van mensen zoals Mobutu verdween, was officieel geleend aan de natiestaat Congo. Daarom betaalt vandaag de dag Congo 37% van haar al inkomsten aan rente en aflossing op deze schuld aan landen als de Verenigde Staten. Dus met de leningen hebben de Verenigde Staten het Congo van Mobutu loyaal aan haar gemaakt, maar tevens het Congo van vandaag de dag afhankelijk van haar. Voor een groot deel is de huidige schuldenlast van Afrika het resultaat van precies deze buitenlandse politiek van westerse naties ten tijde van de Koude Oorlog; men leende de destijdse dictatoren enorme hoeveelheden geld, in de wetenschap dat door corruptie dit allemaal zou verdwijnen en niets voor het land of de bevolking van het land zou betekenen. Nu maken deze leningen deel uit van de te betalen bedragen door de volkeren van Afrika.
De tweede oorzaak voor de huidige schuldenlast van Afrika heeft betrekking tot het bestaan van exportkredietinstellingen. Ieder land van enig aanzien heeft zo een staatsinstelling, wiens taak het is de risico’s van handelen in het buitenland te dekken. Dit werkt als volgt:
Een (bijvoorbeeld) Amerikaanse onderneming komt met een Afrikaanse overheid overeen om een dam te bouwen in het Afrikaanse land. Normaal gesproken maakt de Amerikaanse maatschappij dan een inschatting van de te verwachten winstgevendheid van het project en van de financiële positie van haar handelspartner, om haar besluit betreffende de overeenkomst op te baseren. Enkel indien het land verwacht kan worden te betalen gaat de deal door.
Zo gaat dit ook wanneer een individu met een onderneming een afspraak probeert te maken. Maar niet zo bij de betrokkenheid van exportkredietmaatschappijen. Deze dekt de investering van de Amerikaanse onderneming namelijk af: wat er ook gebeurt, de Amerikaanse onderneming krijgt altijd haar geld, ofwel van het Afrikaanse land, ofwel van de exportkredietmaatschappij in welk geval de schuld van het Afrikaanse land overgaat naar de exportkredietmaatschappij. In deze situatie is het voor de Amerikaanse onderneming niet langer van belang of de dam überhaupt geld zal gaan verdienen voor het Afrikaanse land, of dat het Afrikaanse land in staat is om haar schuld te voldoen, zij krijgt immers altijd haar geld. Zo is investeren in Afrika zelfs bij het bestaan van supercorrupte overheden een bijzonder interessante mogelijkheid geweest voor westerse ondernemingen, en zo zijn voor miljarden van dollars in Afrika uitgegeven onder de noemer van “investeringen”. Geld dat door corruptie en mismanagement voor Afrika en haar onderdanen niets heeft opgeleverd. Er bestaan voorbeelden van dammen de bouw waarvan veel meer geld kostte dan initieel gepland, maar die ondanks de additionele investeringen nooit volledig afgemaakt zijn omdat desondanks het geld niet toereikend was. Alles verdween in de zakken van individuen, namelijk. En hoogovens zijn gebouwd, ook al bestond er geen haven om het benodigde ijzerets naar toe aan te voeren. En dus ligt de fabriek van enkele miljarden Amerikaanse dollars vanaf de eerste dag stil. De buitenlandse ondernemingen hebben desalniettemin hun geld gekregen, want de exportkredietmaatschappijen hebben het geld namens de Afrikaanse landen voldaan, en eisen dit nu terug van de Afrikaanse landen.
In de wetenschap dat het project zinloos zou zijn, ten gevolge van corruptie veel meer zou gaan kosten dan gepland, en dat de partner in Afrika nooit zijn schuld zou kunnen voldoen, is men toch gaan investeren in Afrika omdat de exportkredietmaatschappijen wel met de betaling over de brug zouden komen. Onder dit samenkomen van hebzucht en corruptie zijn voor miljarden aan schulden opgebouwd. Voor Nigeria is bijvoorbeeld de helft van haar schuld van 28 miljard Amerikaanse dollar uitstaande bij exportkredietmaatschappijen, dus geresulteerd uit frauduleuze en corrupte overeenkomsten met westerse maatschappijen. Een schuld die desalniettemin door de inwoners van het land terugbetaald zal moeten worden.
Volgens het IMF is de totale schuld van de ontwikkelingslanden in de wereld, onder invloed van deze twee vermelde oorzaak voor het ontstaan van schuld, opgelopen tot 1,2 biljoen Amerikaanse dollar (1.200.000.000.000,00 dollar). Veel Afrikaanse landen geven dan ook de bulk van hun besteedbaar budget uit aan aflossing en - belangrijker nog - rente op openstaande schuld. In de periode 1970 - 2002 leende enkel Afrika aldus voor in totaal 539 miljard Amerikaanse dollar en betaalde het 549 miljard Amerikaanse dollar terug. Maar desalniettemin bedraagt de uitstaande schuld nog altijd 295 miljard Amerikaanse dollar, omdat 300 miljard Amerikaanse dollar in rente betaald is. Gevangen in een web van schuld.
Zogezien is de voorgestelde 40 miljard Amerikaanse dollar aan schuldreductie voorgesteld door de G8 landen vanuit moreel perspectief ontoereikend, en praktisch gezien niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat. Moreel gezien zou enkel volledige kwijtschelding van de schulden van de Afrikaanse opgedaan onder onderdrukkende en corrupte regimes, met de lenende landen in volledige bekendheid met hun corrupte aard, een juiste stap zijn. Praktisch gezien zal kwijtschelding van 40 miljard op een openstaand totaal van 295 miljard, dus ietsje meer dan 10% van het totaal, niet veel uitmaken voor de situatie in de landen van Afrika. En dan zijn er natuurlijk nog de voorwaarden waar de landen aan moeten voldoen willen ze in aanmerking komen voor schuldreductie.
Volgens George Monbiot maken de voorwaarden het initiatief tot “niet veel meer dan afpersing” . De voorwaarden om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van schulden bij de Wereldbank en het IMF (en dus niet de schulden bij de exportkredietmaatschappijen) zijn dat de Afrikaanse overheden corruptie moeten aanpakken, de private sector moeten aanmoedigen te ontwikkelen, en obstakels voor private investeringen vanuit zowel het eigen land als uit het buitenland moeten wegnemen. De vereiste betreffende corruptie lijkt op het eerste gezicht vanzelfsprekend. Maar, waarom heeft corruptie dan in het verleden niet in de weg gestaan van het uitlenen van geld? Het antwoord hierop is dat de maatstaf voor corruptie natuurlijk subjectief is. Paul Kagame van Rwanda voorziet het westen van de mineralen nodig om de mobiele telefoontjes mee te fabriceren, en wordt (daarom) gepresenteerd als een voorbeeld van leiderschap. Dat dit mineralen zijn die zijn legers uit Congo stelen, als onderdeel van een brute oorlog daar die reeds aan 4 miljoen mensen het leven heeft gekost, is irrelevant. Wat mensenlevens betreft heeft Robert Mugabe van Zimbabwe zonder twijfel minder uit te leggen, en hij is niet meer noch minder corrupt, maar hij heeft het land van de blanke boeren in Zimbabwe onteigend, en is daarmee de duivel in hoogst eigen persoon geworden naar de opvatting van de landen van de G8 en het toonbeeld van corruptie. “Corrupt” is dus duidelijk hoogst subjectief, en onder de voorwaarde “corruptiebestrijding” kan de schuldverlichting gestuurd worden in de richting die men wenst, naar de landen die men wenst. Oftewel, naar de landen die luisteren en meewerken en weg van de landen die dit niet doen.
Buiten dit, het manifest tegen corruptie van de Verenigde Naties is nog door geen van G8 landen zelf ondertekend. Het valt niet ut te sluiten dat de reden hiervoor is dat de G8 landen bij het bestaan van corruptie - denk aan de exportkredietmaatschappijen - niet slecht varen. Onder gelijke voorwendsels werd Oeganda zogezegd “aangespoord” haar staatsbedrijven te privatiseren. Een bezit naar iedere redelijke schatting ongeveer 500 miljoen Amerikaanse dollars waard, ging daarop over in handen van westerse investeerders voor slechts 2 mijloen Amerikaanse dollars voor het land en haar volk op te leveren. Onder het proces van “aanmoedigen van de private sector” en “openen voor binnenlandse en buitenlandse investeringen” levert een beetje smeergeld links en rechts een kapitaalkrachtige westerse multinational dus heel gemakkelijk een monopolie op in donker Afrika.
Waarom de G8 geen oplossing zal brengen
Het plan van de G8 voor hulp aan Afrika negeert dus volkomen het voor veel landen voornaamste deel van de schuld, namelijk het deel uitstaande bij de westerse exportkredietmaatschappijen. Verder, het pakket van voorwaarden voor schuldverlichting, de notie van corruptiebestrijding, maakt duidelijk dat het idee geen oprechte poging is tot armoedebestrijding maar eerder een instrument binnen het buitenlands beleid van de rijkste landen ter wereld: “doe wat ik zeg en je bent niet corrupt en krijgt mijn hulp, ga tegen me in en je bent corrupt en je krijgt geen hulp”, zoveel hebben voorbeelden als Mobutu in Congo en soortgelijke dictator-vrienden als Soeharto in Indonesië (wiens persoonlijk bezit wordt geschat op 20 miljard Amerikaanse dollar) en Marcos op de Filippijnen wel duidelijk gemaakt. En de noties van private investeringen in de private sector vallen allen feitelijk onder de noemer liberalisering, oftewel het openstellen van de nationale economieën voor de grote westerse ondernemingen. Daarmee wordt het werkelijke, fundamentele probleem van Afrika als onderwerp aangeroerd, maar niet aangepakt. Dit namelijk is het probleem waar de G8 niet een oplossing voor biedt, maar waar het de oorzaak van is. Want wat heeft openstellen van de Afrikaanse markt voor westerse ondernemingen de mensen in Afrika tot dusver gebracht?
Amerika en Europa hebben hun eigen markten niet geopend voor de meeste producten die Afrika produceert of heel goed en goedkoop zou kunnen produceren. In Europa eten we groenten verbouwd in kassen, producten die Afrika vele malen sneller, beter en goedkoper zou kunnen produceren. Maar in de meeste gevallen mogen Afrikaanse landbouwproducten Europa niet binnen, of dan toch tegen enorme heffingen. Als afzetmarkt voor Afrikaanse producten zijn Amerika en Europa goeddeels gesloten. Integendeel, Amerika en Europa subsidieren de eigen boeren met ongekende hoeveelheden geld om de concurrentie met de Afrikaanse boeren aan te gaan. Amerika betaalt haar paar duizend katoenboeren 4 miljard Amerikaanse dollars per jaar, meer dan de waarde van de totale productie in een land als Burkina Faso in Afrika. Een land voor het grootste deel afhankelijk van de productie en export van katoen. Vanwege de subsidies zijn Amerikaanse boeren in staat hun product op de wereldmarkt aan te bieden ver beneden kostprijs, nog goedkoper zelfs dan het katoen geproduceerd in de beste van omgevingen zoals Burkina Faso. Aldus wordt de katoenindustrie in Burkina Faso kunstmatig kapotgemaakt door het beleid van de Amerikaanse overheid, en verblijft het volk van Burkina Faso in armoede. En wat Europa aan teveel produceert als gevolg van haar royale subsidie-wetgeving wordt tegen dumpprijzen verkocht in het Afrika dat haar markten heeft geopend voor de private sector. Kippen uit Amerika overspoelen de markten van Ghana als gevolg waarvan de lokale industrie failliet gaat, en tomatenpuree uit Europa overspoelt de markt in Senegal als gevolg waarvan de lokale industrie failliet gaat.
In Ghana mag men de bonen produceren die - verwerkt tot grondstof - dienen voor de frisdranken uit het westen, dit mag men exporteren naar Europa en Amerika. Echter, niet in verwerkte vorm als klare grondstof voor de frisdrank, dit is verboden. Waarom? Op de bonen wordt slechts een beetje verdiend, maar eens verwerkt tot grondstof zijn zij een zeer waardevol product geworden. Daarom accepteren Europa en Amerika de import van het goedkope gewas uit Afrika, om vervolgens met de verwerking hiervan zelf het grote geld te verdienen. En natuurlijk wordt de uiteindelijke frisdrank geëxporteerd uit Europa en Amerika naar Afrika.
Het is dit roofdierenbeleid dat Afrika arm heeft gemaakt, arm houdt en armer doet worden. Hetgeen Europa en Amerika nodig hebben van Afrika wordt onder de meest gunstige voorwaarden voor Europa en Amerika uit Afrika gehaald. Enkel deze industrieën mogen en kunnen zich in Afrika ontwikkelen, want onder liberalisatie, het openstellen voor buitenlandse (westerse) ondernemingen, wordt iedere andere industrie in Afrika kapotgemaakt.
Het islamitisch alternatief van de Khilafah
Het islamitisch beleid ten aanzien van armoede zal zeer zeker niet gebaseerd zijn op de onjuiste ideeën die resulteren uit de onjuiste kapitalistische economische theorie; zelf gebaseerd op verkeerde aannames betreffende de realiteit van de mens en het leven . En dit beleid zou ook geen doelen stellen als “halvering van armoede in de wereld tegen 2015” zoals de Verenigde Naties heeft gedaan. Het doel is de volledige uitroeiing van armoede. En dit is geen utopie, zoveel heeft het Afrika van de geschiedenis reeds laten zien. Het zou een utopie zijn te denken dat de uitroeiing van armoede over nacht plaats zal kunnen vinden, dat wel, maar dat het mogelijk is - zelfs nog voor 2015 - staat buiten kijf.
In eerste plaats zal de Khilafah staat zich werkelijk committeren aan uitroeiing van armoede in Afrika (en de wereld), omdat de Profeet van Erbarmen (Vzmh) heeft gezegd:
“De zoon van Adam (as) kent geen groter recht dan een huis waarin hij mag verblijven, een stuk kleed waarmee hij zijn naaktheid mag bedekken, en een stuk brood en wat water.”
En dus niet ter maskering van handelen op basis van eigenbelang. Indien in reactie op de dood van 3000 mensen honderden miljarden uitgegeven kunnen worden om oorlogen te voeren, dan zeker bestaan er de middelen om serieus de armoede te bestrijden die dagelijks oneindig veel meer slachtoffers eist.
Ten tweede, de Khilafah zal werken aan beëindiging van internationale instelling als het IMF, de Wereldbank en de G8, waardoor slechts enkele landen een onevenredig grote invloed op de wereld kunnen uitoefenen; en waardoor oneerlijke handelspraktijken tussen landen die de welvaart doen concentreren in de handen van slechts enkelen de standaard geworden zijn; en waardoor enkele multinationale ondernemingen hele naties aan zichzelf onderdanig kunnen maken. En de Khilafah zal werken aan herintroductie van het systeem van de gouden standaard en de vervanging van de Amerikaanse dollar als centrale munteenheid door goud .
Ten derde, de Khilafah zal afstand nemen van leningen gebaseerd op rente, die overduidelijk zo een vernietigende werking hebben gehad op de ontwikkelingslanden, en die al het risico leggen bij degene die leent omdat wat er ook gebeurt het geleende geld met rente terug moet worden betaald. In de plaats hiervan zal hulp geboden worden op basis van gemeenschappelijk aandeel in zowel risico als opbrengst.
Ten slotte, fundamenteel zal met de Khilafah afstand genomen worden van eigenbelang eerst en het idee van eeuwige concurrentie tussen mensen en volkeren, dat uiteindelijk ten grondslag ligt aan de uitbuiting van Afrika aan de hand van de westerse kapitalistische mogendheden sinds het verlies van invloed aldaar van de Islamitische Staat.
|