|
Introductie De term globalisatie heeft iedereen in een economische context wel eens horen vallen. Bij bijeenkomsten van de G8, de vergadering van de hoofden van de 7 rijkste industriële landen tezamen met Rusland, wordt nooit nagelaten het belang van economische globalisatie voor economische vooruitgang te benadrukken, terwijl bij iedere van deze bijeenkomsten altijd tienduizenden zogenoemde "anti-globalisten" zich in de plaats van de bijeenkomst verzamelen voor protesten en demonstraties tegen de G8 en economische globalisatie. Buiten deze twee groepen, de pro- en anti-globalisten, is er nog een derde groep van mensen die betreffende economische globalisatie de mening zijn aangedaan dat economische globalisatie feitelijk onvermijdelijk is, in de zin dat het hier een natuurlijk fenomeen betreft, en dat daarom de vraag "goed of slecht" er eigenlijk niet toe doet. Het gekke hierbij is dat de precieze inhoudt van globalisatie maar weinig mensen echt duidelijk is. Zo stelt de Wereldbank bijvoorbeeld: "Verbazingwekkend genoeg voor een term die zo vaak gebruikt wordt, lijkt er niet een precieze en algemeen geaccepteerde definitie te bestaan. Integendeel, de betekenissen aan haar toegeschreven lijken over tijd toe te nemen in plaats van af te nemen, tot binnen culturele, politieke en andere contexten naast de (traditionele) economische context." En natuurlijk doet dit de vraag rijzen, hoe kan men nu een oordeel vormen over economische globalisatie zonder te weten wat het is? De bedoeling van dit artikel is dan ook om door middel van een uitgebreide analyse te komen tot een diep begrip van hetgeen economische globalisatie nu precies inhoudt en betekent, om vervolgens, na haar realiteit duidelijk te hebben gemaakt, deze realiteit van economisch globalisatie te beoordelen. Om dit alles mogelijk te maken op een manier die deze behandeling van economisch globalisatie toegankelijk houdt ook voor mensen zonder specifiek economische achtergrond, zal als volgt te werk gegaan worden. In dit eerste deel van het artikel zal geprobeerd worden door middel van een beschouwing van de realiteit van het economisch leven over de voorbije 15 tot 20 jaar te komen tot een definiëring van economische globalisatie zonder al te academisch te worden. Tevens zal hier een introductie worden geboden tot de economische theorie die de voorstanders van globalisatie gebruiken om hun positie te verdedigen. In het tweede van het artikel dat zal volgen in de komende uitgave van Expliciet Magazine, zal beargumenteerd worden dat economische globalisatie niet het resultaat is van een natuurlijke beweging en daarmee onvermijdelijk, maar integendeel een keuze. Hier zullen ook de instellingen geïntroduceerd worden wiens werk het is economische globalisatie vooruit te helpen, alsmede de manieren waarop zij werken aan de realisatie van hun doelstelling. Hun manier van werken zal getoetst worden enerzijds aan de economische theorie waarop zij zeggen zich te baseren, en anderzijds op menselijkheid, om de vorming van een welgeïnformeerd oordeel over globalisatie mogelijk te maken. Ten slotte zal op dat moment kort behandeld worden hoe de komende Islamitische Staat de Khilafah om zal gaan met het fenomeen globalisatie. Wat is economische globalisatie? Op basis van intuïtie zou men verwachten dat het voor de industrie in de westerse wereld niet mee moet vallen om te concurreren op de wereldmarkt voor goederen en diensten. Immers, in het rijke westen zijn werknemers een veel hoger salaris gewoon dan in andere gebieden in de wereld, zoals Azië en Afrika. Men zou daarom verwachten dat gezien het voor ondernemingen in de armere delen van de wereld veel goedkoper produceren is, zij hun producten tegen een veel lagere prijs kunnen aanbieden dan gelijke producten gemaakt in westerse landen en daardoor over een veel betere capaciteit tot concurrentie beschikken dan bedrijven uit de westerse landen. Tot op bepaalde hoogte is dit ook zo, ware het niet dat niet enkel loonkosten de capaciteit tot concurreren bepalen, zelfs niet wanneer de analyse betreffende concurrentie capaciteit zich beperkt tot enkel productie gerelateerde factoren. Er is in deze namelijk ook nog een factor bij de naam arbeidsproductiviteit. Arbeidsproductiviteit drukt uit de maximale productie per tijdseenheid, en is daarmee tezamen met de absolute loonkost bepalend voor de loonkost per product. Indien, bijvoorbeeld, een werknemer in Amerika per uur drie schroeven kan fabriceren, terwijl een werknemer in Afrika maximaal een schroef per uur kan fabriceren, dan is de Amerikaanse werknemer goedkoper zolang zijn salaris minder is dan drie maal het salaris van de Afrikaan. Als we getallen toevoegen om tot een voorbeeld te komen wordt de invloed van arbeidsproductiviteit op de het concurrentievermogen van een onderneming duidelijker. Indien een Amerikaanse werknemer 3000 dollar per maand aan salaris kost, een tijdbestek waarin hij 4800 schroeven kan produceren (30 schroeven per uur, 40 urige werkweek, 4 weken in een maand), dan is de loonkost per schroef 0,625 dollar per schroef (= 3000 dollar / 4800 schroeven). De Afrikaanse arbeider zal zeker minder verdienen dan de Amerikaanse werknemer, maar we zullen hier aannemen dat hij ook minder geschoold is in het maken van schroeven. Gaan we er van uit dat een Afrikaanse werknemer, met zijn lagere opleidingsniveau, omgerekend 1250 dollar per maand verdient, dan is de loonkost voor schroeven door hem geproduceerd 0,781 dollar per schroef: per maand produceert de Afrikaan 1600 schroeven (10 per uur, 40 urige werkweek, 4 weken in een maand), waardoor de loonkost per schroef uitkomt op 0,781 dollar (= 1250 dollar / 1600 schroeven). Tabel 1. Productie, loonkost en arbeidsproductiviteit
 Door deze eenvoudige voorstelling van zaken wordt duidelijk dat de capaciteit tot concurrentie niet enkel afhankelijk is van de absolute loonkost per werknemer, maar tevens van de arbeidsproductiviteit. En voor een zakenman is de keuze waar productie plaats te laten vinden dus altijd afhankelijk van (minimaal) deze twee overwegingen. Enerzijds het salaris dat een werknemer op de locatie verwacht, en anderzijds de productie die men van de werknemer aldaar mag verwachten. Deze twee factoren samen bepalen de loonkost per eenheid product, en hoe lager deze loonkost per product, hoe beter het product zal kunnen concurreren met soortgelijke producten uit andere gebieden en /of landen. Voor goederen en diensten die technisch niet echt buitengewoon gecompliceerd zijn, of meer algemeen goederen en diensten waarvoor een werknemer niet over een speciale kennis of opleiding dient te beschikken om deze te kunnen produceren maar wiens productie wel veel handwerk vereist, is het dus begrijpelijk dat deze het best kunnen worden geproduceerd in die landen waar de lonen over het algemeen genomen het laagst zijn. Voor werkzaamheden die geen speciale technieken of scholing vereisen, denk bijvoorbeeld aan het inpakken van dozen, kan de arbeidsproductiviteit van werknemers in armere en rijkere landen onmogelijk veel verschillen. En waar de arbeidsproductiviteit tussen landen niet veel kunnen verschillen, daar bepaald de absolute loonkost grotendeels de capaciteit tot concurreren. In dit geval zal productie in het arme land met de over het algemeen lage lonen wanneer uitgedrukt in loonkost per eenheid product dus veel goedkoper zijn dan in het rijke westerse land, en dus zullen de goederen en diensten uit de arme landen die vallen in de categorie weinig techniek / scholing veel handwerk, veel beter kunnen concurreren op de wereldmarkt voor goederen en diensten. Op basis van dit inzicht kan men enigszins begrijpen waarom tegenwoordig zoveel goederen worden gemaakt in China, Indonesië, India of de Filippijnen. En men kan enigszins begrijpen waarom in de dure westerse landen de industrieën die producten voortbrengen waarvoor bij productie veel gebruik moet worden gemaakt van eenvoudig handwerk, worden opgedoekt om vervolgens in Oost-Europa, Azië of andere arme landen in de wereld wederopgebouwd te worden. "De industrie hier kon niet meer concurreren met de lage lonen landen", is dan een veel gehoorde, nu begrijpelijke verklaring. Mede hierdoor is in vergelijking met omstreeks 20 jaar geleden nu een veel groter deel van hetgeen geconsumeerd wordt in de westerse landen afkomstig uit niet westerse landen. En ook is productie in de westerse landen vanuit productietechnisch perspectief veel minder gedifferentieerd dan bijvoorbeeld 20 jaar geleden. De textiel industrie is grotendeels verdwenen, en net zo al de andere industrieën die producten voortbrachten die niet echt technisch ingewikkeld zijn, waarvoor een werknemer niet over een hoge opleiding dient te beschikken wil hij productief kunnen zijn, en waarvoor geldt dat de productie veel handwerk vereist. Dergelijke industrie is feitelijk volledig verdwenen uit de westerse, rijke landen. Wat men nog aan productie in de westerse landen vindt betreft voornamelijk producten die technisch meer hoogstaand zijn, waarvoor men meer hoogstaande (computer)technologie gebruikt om ze te kunnen produceren, of waarvoor de werknemers hogere en specifieke opleidingen dienen te hebben genoten. Hiermee is feitelijk beschreven geworden hetgeen het fenomeen economische globalisatie heeft betekend voor de wereld in de voorbije 15 tot 20 jaar. Goederen en diensten die in het rijke westen worden gebruikt in het alledaags leven, worden in alsmaar grotere mate geproduceerd ver hier vandaan; en alsmaar meer industrieën die voorheen dichtbij produceerden wat benodigd was, sluiten hun deuren en ontslaan hun medewerkers om productie op te nemen in een ver weg gelegen arm land, enkel om vervolgens hun producten terug te exporteren naar het oorspronkelijke land van verblijf voor verkoop aldaar. Zo is kort en bondig in eenvoudige bewoordingen uiteengezet wat precies economische globalisatie inhoudt. Een historische context Mensen met een ietwat ruimer historisch besef zullen beamen dat de oorsprong van de twee genoemde trends, de uitingen van economische globalisatie, terug te voeren valt tot de jaren '70 - '80 van de twintigste eeuw. Hoewel de wereld wel eerder perioden heeft gekend gekarakteriseerd door sterke toenames in internationale handel, is de beschreven vorm van globalisatie anders. De hedendaags globalisatie is deels het resultaat van productie gerelateerde overwegingen, bij de vraag waar kan ik het goedkoopst produceren, vanwaaruit is geresulteerd een toename van internationale handel (immers, verplaatsing van de productie van producten bedoelt voor de Belgische markt van België naar China betekent dat China met België zal gaan handelen). Eerdere perioden gekenmerkt door toename van handel lopen veelal parallel met kolonisatie van overzeese gebieden door West-Europese landen. Als zodanig kan men met een gerust hart stellen dat de beschreven hedendaagse variant van globalisatie werkelijk een nieuw fenomeen is. Voor een meer alomvattend begrip van deze globalisatie dient dan ook de historische context waarin zij ontstaan is geschetst te worden. Tijdens zijn eerste ambtstermijn, 1980 tot 1984, had Amerika’s toenmalige president Ronald Reagan ingrijpende veranderingen doorgevoerd in de ordening van de Amerikaanse economie, die, terugkijkend, de totale welvaart in de Verenigde Staten sterk ten goede waren gekomen. De jaren zeventig van de vorige eeuw waren onder invloed van twee oliecrises en een toename in de capaciteit tot concurrentie van bijvoorbeeld Japanse bedrijven voor de Amerikanen moeilijk geweest. Hun ondernemingen worstelden met concurrentie van bedrijven uit andere landen zowel op de binnenlandse Amerikaanse markt als op de overzeese markten voor hun producten. De maatregelen die Reagan had getroffen tijdens zijn eerste ambtstermijn waren dan vooral gericht geweest op het eenvoudiger maken van het proces van productie in Amerika, en daarmee dus ook het goedkoper maken van productie. In principe had Reagan I een verregaande deregulering doorgevoerd waardoor ondernemers in hun handelen minder door wetten werden beperkt: ontslag van werknemers werd vereenvoudigd, het minimumloon dat werknemers moesten krijgen werd verlaagd en de rol die vakbonden mochten spelen bij collectieve arbeidsvoorwaardenonderhandelingen werd beperkt. Bovendien, om de uiteindelijke winstgevendheid van Amerikaanse ondernemingen te helpen, werden belastingen verlaagd. Maatregelen als dezen hielpen de Amerikaanse industrie werkelijk, omdat zij haar in staat stelde de kost die hoorde bij productie in Amerika te verlagen. Maar, het succes van deze maatregelen legde de fundamentele zwakte van de Amerikaanse industrie bloot: de absoluut en relatief hoge loonkosten. De verbetering van de capaciteit tot concurrentie van de Amerikaanse ondernemingen resulteerde namelijk in een toename in de vraag naar Amerikaanse producten op de wereldmarkt. Maar dit resulteerde in significante toename in de waarde van Amerikaanse dollar ten opzichte van de andere munteenheden in de wereld[1]. Voor producenten in de Verenigde Staten bracht de stijgende waarde van de dollar grote problemen met zich mee, wat door een continuering en uitbreiding van het bovenstaande voorbeeld met betrekking tot de productie van schroeven in Amerika en Afrika duidelijk valt te maken: Eerder is de loonkost van de werknemer in Afrika verondersteld alszijnde 1250 dollar[2]. Omgerekend, welteverstaan, omdat de werknemer in Afrika normaal gesproken niet in dollars betaald zal krijgen maar natuurlijk in de munteenheid van het land waar deze verblijft. Er is daarbij gesteld dat een Amerikaanse werknemer 4800 schroeven kan maken in een maand, en dat zijn loon hiervoor 3000 dollar bedraagt. De Afrikaanse werknemer in het voorbeeld produceerde 1600 schroeven in een maand, dus tegen een loon in de munteenheid van zijn land van verblijf - bijvoorbeeld Nigeria - dat omgerekend gelijk is aan 1250 dollar. Het resultaat van deze situatie was dat de productie van 1 schroef in Amerika 0,625 dollar aan loonkost vereist, en dat dit in Afrika 0,781 dollar kost. Zou men er voor het gemak tevens van uitgaan dat een dollar gelijke waarde heeft als 3 Nigeriaanse naira’s, dan vat tabel 2 de uitgangssituatie samen: Tabel 2. Loonkosten bij productie schroeven in Amerika en Nigeria
 Dus een Afrikaanse (Nigeriaanse) schroef kost 2,344 naira aan loonkost (= 3750 / 1600). Omdat 3 naira een dollar waard zijn, is dit omgerekend de eerder vermelde 0,781 dollar (= 2,344 / 3). In de geschetste uitgangssituatie, bij de gegeven wisselkoers, is het dus het goedkoopst om een schroef te produceren in Amerika gezien de verhouding arbeidsproductiviteit versus loonkost aldaar. Een toename van de waarde van de dollar ten opzichte van de naira in reactie op de toegenomen vraag naar Amerikaanse producten en daarmee naar Amerikaanse dollars om deze producten te kunnen kopen, bijvoorbeeld van 3 naira voor een dollar naar 5 naira voor een dollar, zou het volgende betekenen (tabel 3): Tabel 3. Loonkosten bij productie schroeven in Amerika en Nigeria - verandering wisselkoers
 Tabel 3 toont aan dat naarmate de waarde van de dollar stijgt ten opzichte van de naira, productie in Afrika bij gelijkblijvende loonkosten en arbeidsproductiviteit goedkoper wordt wanneer uitgedrukt in dollars. In het voorbeeld wordt productie van schroeven in Afrika, uitgedrukt in dollars, plotseling goedkoper dan productie van schroeven in Amerika, enkel omdat de waarde van de dollar is veranderd van gelijk aan 3 naira naar gelijk aan 5 naira. Zo wordt de situatie waarmee de Amerikaanse ondernemingen zich geconfronteerd zagen eenvoudig duidelijk. Een groot deel van haar industrie werd nu niet bepaald gekarakteriseerd door extreem gecompliceerd werk waarvoor zeer gespecialiseerde techniek en / of een hoog opleidingsniveau noodzakelijk was. Deze industrieën kenden met de hoge loonkosten in Amerika wanneer in vergelijking met bijvoorbeeld Mexico, Azië of Afrika dus een zeer nadrukkelijk strategische nadeel. De wetswijzigingen van onder Reagan I hadden de Amerikaanse ondernemingen in staat gesteld iets aan dit gat te doen, men kon de dure werknemers ontslaan en vervangen door werknemers die men met het lagere minimumloon minder hoefde te betalen, maar de resulterende stijging van de waarde van de dollar had duidelijk gemaakt dat het structurele probleem nog immer bestond. Bij de bestaande stand van zaken was de rek dus wel zo een beetje uit de winstgevendheid van een groot deel van de Amerikaanse industrie, want niet langer (in vergelijking met de jaren kort na de Tweede Wereldoorlog) kon een sterk betere arbeidsproductiviteit het verschil in loonkosten met andere landen goedmaken. Op het moment dat het besef van dit structureel probleem voor een groot deel van de Amerikaanse industrie begon door te dringen, werd binnen academische kringen een nieuw idee betreffende bedrijfsstrategie druk besproken. Dit idee behelsde in het kort de verplaatsing van arbeidsintensieve productie van het hoge lonen land Amerika naar lage lonen landen in de wereld, om vervolgens de producten vandaar te exporteren naar de gewenste afzetmarkten in de wereld, waaronder terug naar de Verenigde Staten zelf. Dit zou een werkelijke oplossing betekenen voor het structurele probleem van hoge loonkosten in Amerika: Amerikaanse ondernemingen zouden op deze manier zelf kunnen produceren tegen de loonkosten van de lage lonen landen! Maar om deze stap mogelijk te maken, en inderdaad zo winstgevend als bedacht in de boardrooms van de grote Amerikaanse ondernemingen, diende de wetgeving waar de meeste landen van de wereld zich op dat moment van bedienden te veranderen. Een eerste obstakel voor het ten uitvoer brengen van dit plan, namelijk, was het bestaan van allerlei restricties op internationale handel, zowel in Amerika als in de andere landen van de wereld. Soms om de eigen producenten te beschermen tegen concurrentie uit andere landen, in andere gevallen vanuit strategisch oogpunt, om de export van bepaalde strategisch belangrijke producten te ontmoedigen of om te voorkomen dat het land afhankelijk zou worden van de import van bepaalde strategisch belangrijke producten, hadden veel landen hun toevlucht gezocht in de bouw van barrières tegen internationale handel. Door middel van een heel scala aan maatregelen zijn overheden in staat om geïmporteerde producten zo duur te maken dat ze niet meer kunnen concurreren met producten die nationaal geproduceerd worden, ook als is de werkelijke kost behorende bij productie (bijvoorbeeld de loonkost) vele malen hoger in het thuisland. Bijvoorbeeld kan een overheid zeggen dat over geïmporteerde producten een belasting van 100% van hun waarde moet worden betaald. Tabel 4 beneden borduurt verder op het voorbeeld uit tabel 1, 2 en 3 hierboven, en zet uiteen wat het zou betekenen indien Nigeria zo een dergelijke maatregel zou nemen: Tabel 4. Import in Nigeria bij restricties op importen
 Dus onder de aanname dat de totale kost van een schroef enkel bestaat uit loonkost bij haar productie plus belastingen op importen, was voor het bestaan van een belasting op importen de Amerikaanse schroef het goedkoopst in Nigeria, terwijl met de 100% heffing op importen in Nigeria de Nigeriaanse schroef goedkoper is geworden dan de Amerikaanse. Een andere maatregelen met hetzelfde effect zou bijvoorbeeld zijn het simpelweg verbieden van de import van Amerikaanse schroeven. Bij het streven naar de export van productie waren dergelijke restricties op handel een groot probleem. Waar dergelijke maatregelen voordelig zijn voor nationale producenten in hun concurrentie met ondernemingen uit arme landen met lage loonkosten op de thuismarkt, worden zij nadelig op het moment dat de nationale onderneming zelf zijn productie plaats wil laten vinden in het lage lonenland. Indien de productie van auto’s voor de Amerikaanse markt wordt verhuisd van Detroit naar Mexico-stad om gebruik te kunnen maken van werknemers met lagere lonen aldaar, dan zullen deze auto’s als ze eenmaal gereed zijn uit Mexico geëxporteerd moeten worden naar Amerika om ze daar te kunnen verkopen, dit is onvermijdelijk. Na deze stap worden de Amerikaanse producenten dus zelf exporteurs naar het voormalige thuisland, en zullen hun goederen in het voormalige thuisland dus ook belast worden als importen. Deze ondernemingen, uit op maximalisatie van hun winsten door middel van de verplaatsing van productie, begonnen derhalve te lobbyen voor: 1. Vrij verkeer van handelsgoederen tussen landen. Maar, handelsrestricties waren niet de enigste manier waarop landen hun nationale industrie probeerden te beschermen, dan wel hun strategische belangen probeerden te behartigen. Een tweede manier vormden restricties op transnationale transfers van geld, oftewel obstakels tegen internationale kapitaalstromen. Hieronder vallen bijvoorbeeld belastingen op het transfereren van geld van het ene land naar het andere land, die ten doel kunnen hebben ondernemingen aan te sporen hun bedrijfswinsten te investeren in het land waar deze gerealiseerd zijn, in plaats van ze door te sluizen naar andere landen voor verdere investering. Voor ondernemingen van voornemens in het (voor hen) buitenland een nieuwe fabriek te bouwen en de fabriek in het thuisland te sluiten, is dit onvoordelig om twee redenen. Enerzijds, omdat de bouw van een fabriek in land B door een onderneming uit land A vereist dat uit land A geld stroomt naar land B om de bouw van de fabriek aldaar te bekostigen. En anderzijds, de winsten die met de fabriek in land B worden gemaakt moeten zonder al teveel kosten terug kunnen komen naar de eigenaren van de fabriek die zich in land A bevinden. Met andere woorden, de in de jaren '70 en '80 nog gebruikelijke restricties op kapitaalstromen vormden een tweede obstakel voor het realiseren van de wens tot export van productie voor de ondernemingen uit op maximalisatie van hun winsten. Onderdeel van hun lobby werd derhalve tevens: 2. Vrij verkeer van kapitaal, als in geld. Daarmee is in meer academische bewoordingen uiteengezet wat economische globalisatie inhoudt. Tegelijkertijd, door haar oorsprong na te gaan is duidelijk geworden ten gevolge waarvan zij is ontstaan. En in heel eenvoudige bewoordingen is dit de wens tot maximalisatie van bedrijfswinsten van de zijde van de grote ondernemingen in de wereld. Echter, de beschrijving van de realiteit van economische globalisatie zou niet compleet zijn zonder in te gaan op het effect de trends naar vrij internationaal verkeer van goederen en geld hebben gehad op het beleid van overheden. Onder het ingeslagen pad van globalisatie ontsloeg General Motors (GM), een van de grootste auto producenten in de wereld, in de jaren '80 van de twintigste eeuw al eens 74.000 van haar Amerikaanse medewerkers, om hun werk naar andere landen (Mexico bijvoorbeeld) over te hevelen waar men werknemers veel minder zou hoeven betalen. In Flint, Michigan, de thuisbasis van GM, verloren zo in een klap 30.000 werknemers hun baan. En IBM, het Amerikaanse computerconcern, ontsloeg op gelijke basis 60.000 van haar medewerkers. In Nederland is de textielindustrie zo goed als geheel verdwenen uit de regio Twente. Textielen worden nu voornamelijk geïmporteerd uit China en Indonesië. En veel van de scheepswerven in Nederland, eens onderdeel van trots van de natie, hebben moeten sluiten bij de concurrentie uit landen als India en Bangladesh. Voor België geldt dat zij ten gevolge van globalisatie afscheid heeft moeten nemen van haar eens befaamde tapijtindustrie. Duizenden banen zijn met het sluiten van deze industrieën verloren gegaan. Onder verwijzing naar deze met recht schokkerend te noemen gebeurtenissen wordt vandaag de dag veel van hetgeen valt onder de noemer verzorgingsstaat ter discussie gesteld. Rechten voor werknemers opgebouwd in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw worden steeds meer teruggedraaid, en uitkeringen vanuit de overheid bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid worden meer en meer uitgekleed: allen ingrepen in de manier waarop de staat de zaken betreffende de economie geregeld had ten gevolge van globalisatie. De reden hiervoor is dat met globalisatie een groot deel van het instrumentarium waarover overheden beschikten ter verzekering van werkgelegenheid in het land, en dus stabiele inkomens voor de meesten van haar inwoners alsmede stabiele belastinginkomsten voor zichzelf om de verzorgingsstaat te bekostigen, weggevallen is. Niet langer is bescherming van nationale werkgelegenheid door middel van restricties op importen en / of kapitaalstromen een mogelijkheid, gebonden als landen zijn aan afspraken gemaakt onderling of met derde partijen als de Wereld Handels Organisatie (WTO, World Trade Organization) of de Europese Unie. Maar, bij het bestaan van vrij handel en vrij verkeer van kapitaal is er niets meer dat een onderneming er van weerhoudt om de beslissing waar te produceren te baseren op zuiver de kost van de productie. Met andere woorden, de onderneming hoeft bij een investering enkel nog maar te kijken naar de kost die productie met zich mee brengt in de verschillende landen van de wereld, en kan dan een fabriek beginnen daar waar dit voor hem het goedkoopst zal zijn. Zo kan de onderneming de eigen winst maximaliseren. In deze situatie, dus in afwezigheid van de mogelijkheid van restricties op internationale handel en kapitaalsstromen, is de enige mogelijkheid voor een land om werkgelegenheid te garanderen voor haar onderdanen het zo goedkoop mogelijk maken van productie in het land. Land A moet de onderneming betere condities bieden dan land B de onderneming biedt, wil zij dat de onderneming ervoor kiest productie plaats te laten vinden in land A en niet in land B. Wat dit in de praktijk inhoudt, is dat landen belastingen op inkomsten voor ondernemingen en allerhande andere kosten voor ondernemingen, zoals verplichte bijdragen voor sociale zekerheid, verlagen om hen te verleiden tot investeren in hun land. Het resultaat hiervan is dat allerhande sociale voorzieningen die een land gewoon was aan te bieden aan haar onderdanen gestopt of beperkt moeten worden, simpelweg omdat de inkomsten hiervoor ontbreken. Bijdragen gevraagd van ondernemingen worden beperkt of afgeschaft, en dus kan de voorziening niet langer in stand gehouden worden. Deze trend, de afbouw van het sociaal vangnet in de rijke westerse landen die eenieder heeft kunnen aanschouwen en mogelijk zelfs kunnen ervaren, hoort dus evenzo tot het proces van globalisatie als de toename van internationale handel en de verplaatsing van industrie naar arme landen omdat zij resulteert uit de verplaatsing van industrie naar arme landen: 3. Competitie tussen natiestaten. Omdat het ontstaan van competitie tussen landen voor het verkrijgen en behouden van industriële werkgelegenheid zo een voornaam resultaat is globalisatie, is het gerechtvaardigd haar als onderdeel van globalisatie te beschouwen hoewel in alle eerlijkheid zij eigenlijk het resultaat is van de twee eerder genoemde trends die economische globalisatie uitmaken. De theoretische onderbouwing van economische globalisatie De beschouwing tot dusver van economische globalisatie doet heel nadrukkelijk naar voren komen dat de beweegredenen aan haar ten grondslag voornamelijk afkomstig zijn van de grote ondernemingen in de rijke landen van de wereld. Omdat op het eerste gezicht de voordelen van globalisatie ook beperkt zijn tot de kleine (maar invloedrijke) groep mensen die behoren tot het grootindustrieel, met de nadelen van globalisatie zoals uiteengezet onder punt 3 hierboven het voornaamste resultaat van globalisatie in de belevenis van de absolute meerderheid van mensen in de wereld, is de vraag gerechtvaardigd waarom dan toch globalisatie zo succesrijk in haar implementatie is dat feitelijk geen enkel land of individu op de wereld aan haar gevolgen heeft kunnen ontsnappen. Met andere woorden, wat is het dat globalisatie promoot? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet men zich enigszins verdiepen in de economische theorie. Dat internationale handel voor naties van voordeel kan zijn, behoeft voor de meeste mensen geen betoog. In afwezigheid van internationale handel kan een natie niet anders dan zelfvoorzienend proberen te zijn - zelf alles produceren dat het nodig heeft - en dit is iets waar maar zeer weinig landen toe in staat zullen zijn, en dan waarschijnlijk ook nog enkel tegen extreem hoge kosten. Het zou bijvoorbeeld betekenen dat de meeste landen niet over de energie beschikken waar haar inwoners aan gewend zijn geraakt, omdat zij enkel aan olie kunnen komen door middel van internationale handel, en dat daarom in deze landen dus afstand gedaan zou moeten worden van bijna al de elektrische apparatuur die men kent. In een heel eenvoudig voorbeeld, het zou ook betekenen dat bijvoorbeeld een land als Finland de door haar benodigde mango's zelf zou moeten produceren, ook al is haar klimaat hier totaal niet geschikt voor. En Indonesië, dat niet veel binnenlandse meren kent, zou desalniettemin haar eigen zoetwater vis moeten produceren. In deze situatie, zou men in ogenschouw nemen het feit dat zoetwatervis in Finland in grote hoeveelheden voorhanden is terwijl hetzelfde geldt voor mango's in Indonesië, dan is het argument voor internationale handel snel gemaakt. Natuurlijk kan Finland een deel van haar bevolking, haar land en de overige middelen waarover zij beschikt inzetten voor de productie van mango's. Zij kan kassen bouwen en dezen laten verwarmen gans het jaar door tot een temperatuur geschikt voor de verbouwing van mango's. En Indonesië zou natuurlijk haar inwoners meren kunnen laten graven en dezen laten vullen met geïmporteerd zoetwater, om daarin dan zoetwater vissen vrij te laten in de hoop in de toekomst hun nazaten te kunnen vangen. Maar het valt eenvoudig in te zien dat deze manier van verkrijgen van mango's voor Finland evenals het verkrijgen van zoetwater vis in Indonesië, vrij duur zou zijn. Extreem duur zelfs wanneer men haar zou vergelijken met het alternatief dat voor zowel Finland als Indonesië voorhanden is om te verkrijgen wat zij benodigde: handel. Finland, met al haar meren, zou zich op het vangen van zoetwater vis toe kunnen leggen, om dezen vervolgens te ruilen voor mango's uit Indonesië. Dit zou voor Finland naar alle waarschijnlijk een veel efficiëntere manier zijn om de mango's te verkrijgen die zij benodigd dan zelf in kassen mango's te verbouwen, en het zou voor Indonesië waarschijnlijk de meest efficiënte manier zijn om de door haar gewenste zoetwater vis te verkrijgen. Mangoboeren in Finland zouden zich kunnen toeleggen op de productie van vis voor export naar Indonesië in plaats van in hun kassen te werken. Vissen vangen zou voor hen veel eenvoudiger zijn dan het verbouwen van mango's, en zij zouden dus veel meer kunnen produceren tegen veel mindere kosten als visser dan als mangoboer. Vervolgens zouden Finland en Indonesië iets van hun toegenomen productie van vissen respectievelijk mango's, met elkaar kunnen ruilen, zodat uiteindelijk beiden zowel over de zoetwatervissen beschikken die zij zich wensen als over de mango's die zij zich wensen. Het kost niet veel moeite om voor te stellen dat deze tweede manier om te vergaren wat benodigd is, de manier van handel, voor beide landen veel eenvoudiger zou zijn dan te proberen alles zelf te produceren. In dit voorbeeld beschikken beide landen over een absoluut voordeel ten opzichte van elkander bij de productie van een specifiek goed. Finland is absoluut beter in de productie van zoetwater vis dan Indonesië, en Indonesië is absoluut beter in de productie van mango's dan Finland. Een eenvoudige redenering laat dan al gauw zien dat in een situatie als deze handel tussen beide lande voor beide landen voordelig is. Globalisatie, daarmee, als in een opening van grenzen voor internationale handel, kan men daarmee beargumenteren alszijnde goed waar en wanneer deze situatie tussen landen zich voordoet. Echter, het is niet altijd zo dat bij een handelsrelatie tussen landen beide landen absoluut beter zijn in iets. Bijvoorbeeld, zou Finland in plaats van met Indonesië met Kongo in Afrika willen handelen om mango's te verkrijgen, dan zou de uitgangssituatie volkomen anders zijn. Kongo beschikt namelijk niet alleen over een ideaal klimaat om mango's te verbouwen zoals Indonesië, maar het kent tevens zeer veel zoetwater meren en daarmee een grote voorraad eenvoudig te vangen zoetwatervis. Men kan stellen dat Kongo en efficiënter mango's kan produceren dan Finland, en efficiënter zoetwatervis. Bij een uitgangssituatie als deze is het argument voor handel minder evident, en de meeste mensen zouden hier stellen dat handel met Kongo Finland beter aan zich voorbij zou kunnen laten gaan. Zouden anders als gevolg van de concurrentie uit Kongo niet zowel de Finse mangoboeren als de Finse zoetwatervissers zonder werk en dus inkomen komen te zitten? Echter, er bestaat een argument dat stelt dat zelfs in een situatie als die geschetst voor Finland en Kongo, dus waar een van de twee landen in al de industrieën efficiënter kan produceren, vrije handel tussen beide landen desalniettemin toch voordeel zal bieden aan beide landen. Dit argument werd voor het eerst verwoord door de Britse econoom David Ricardo in zijn boek "The Principles of Political Economy and Taxation" uit 1817, en staat bekend als de theorie van "relatief voordeel (comparative advantage)". En dit is het centrale argument achter de roep tot het vrij maken van handel tussen naties zonder interventies van overheden in bedrijven en markten, oftewel tot globalisatie: bij handel wint iedereen altijd! Volgens Paul Samuelson, winnaar van de Nobel prijs in economie, is het economisch principe van relatief voordeel "eenvoudig en ontegenzeggelijk juist, enkel tegelijkertijd zelfs voor zeer intelligente mensen bijzonder moeilijk om in te beelden". Het argument begint met een uiteenzetting van hetgeen men de mogelijkheidkost (opportunity cost) van productie noemt. De mogelijkheidkost is de kost van productie van een bepaald goed (x) uitgedrukt niet in absolute waarden maar in een relatieve term, namelijk in de hoeveelheid waarmee de productie van een ander goed (y) verminderd moet worden om deze productie van het goed x mogelijk te maken. Aan het voorbeeld van Finland en Kongo kan men getallen toevoegen om het argument van relatief voordeel duidelijk te maken: Stel bijvoorbeeld dat Finland met haar 1.000 mensen in de werkzame leeftijd en met haar klimaat maximaal 50.000 mango's zou kunnen produceren. Dit indien al haar 1.000 arbeiders zich bezig zouden houden met de productie van mango's (1 arbeider kan jaarlijks maximaal 50 mango's produceren indien hij al zijn tijd hieraan besteed). Zouden de 1.000 Finnen volledig ingezet worden in de productie van vissen, dan zouden maximaal 50.000 vissen gevangen kunnen worden (1 arbeider kan jaarlijks 50 vissen vangen indien hij al zijn tijd hieraan besteed). De mogelijke combinaties van productie van Finland zou dan weergegeven worden door figuur 1: -------------------------------------------------------------------------------- Figuur 1:
 De productiecurve van Finland (in duizenden) De lijn x geeft aan de hoeveelheid mango's en vissen die Finland maximaal kan produceren, bij 1000 arbeiders. -------------------------------------------------------------------------------- Dit betekent dat in Finland de mogelijkheidkost van mango gelijk is aan 1 vis, en dat de mogelijkheidkost van vis gelijk is aan 1 mango. Om 1 vis extra te kunnen produceren moeten meer arbeiders ingezet worden in de productie van vis. Dit zou betekenen dat minder arbeiders ingezet kunnen worden bij de productie van vis. Zo kan men het principe van mogelijkheidskost begrijpelijk maken: hoeveel vis kost het om meer mango's te kunnen produceren. 1 mango kost in Finland 1 vis, en 1 vis kost 1 mango. De situatie in Kongo, dat gesteld kan worden ook over 1000 arbeiders te beschikken, kan op gelijke wijze uitgebeeld worden, zie hiervoor figuur 2: -------------------------------------------------------------------------------- Figuur 2:
 De productiecurve van Kongo (in duizenden) De lijn y geeft aan de hoeveelheid mango's en vissen die Kongo maximaal kan produceren, bij 1000 arbeiders. -------------------------------------------------------------------------------- Kongo, met evenveel arbeiders, kan dus blijkbaar zowel meer mango's produceren dan Finland, als gevolg van het meer gunstige klimaat waarover zij beschikt, als meer vissen dan Finland. In de productie van beide goederen heeft Kongo dus een absoluut voordeel ten opzichte van Finland, want in Kongo kan 1 arbeider 60 vissen produceren of 90 mango's. In Finland was dit maximaal 50 vissen of 50 mango's per arbeider. Intuïtief zou men in een situatie zoals deze verwachten dat handel in mango's en vissen tussen Finland en Kongo schadelijk zou zijn voor Finland, maar het argument van het relatieve voordeel zal duidelijk maken dat dit niet zo is. Hoewel in absolute termen Kongo in beide industrieën meer efficiënt is dan Finland, ligt de kost van vissen wanneer uitgedrukt in mango's hoger in Kongo dan in Finland. In Finland hoeft men slechts 1 mango op te geven om 1 vis extra te kunnen produceren, terwijl in Kongo men 3 mango's op moet geven om 2 vissen te kunnen produceren. Op relatieve basis heeft Finland dus een voordeel ten opzichte van Kongo voor wat betreft de productie van vissen. Blijvend bij de relatieve basis, voor wat betreft mango's heeft Kongo niet enkel een absoluut voordeel bij productie maar tevens een relatief voordeel in vergelijking met Finland. In Kongo kosten 3 extra mango's 2 vissen, terwijl in Finland 3 extra mango's 3 vissen kosten. Oftewel, hoewel een absoluut nadeel in de productie van beide goederen heeft Finland een relatief voordeel in de productie van vis, want uitgedrukt in de mango's die het kost om de productie van vis mogelijk te maken is Finland het goedkoopst. Om duidelijk te kunnen maken waarom zelfs in de afwezigheid van een absoluut voordeel in productie het voor Finland gezien haar relatieve voordeel in de productie van vissen toch voordeel zal hebben bij handel in mango's en vissen met Kongo, moet men inzien dat handel in feite een substituut is voor productie. Handel is een indirecte manier van produceren. In de afwezigheid van handel is Finland gedwongen om 300 arbeiders in te zetten bij de productie van mango's, om zo de 15.000 door haar benodigde mango's te kunnen produceren. Dit laat nog 700 arbeiders voor de productie van vis, waarvan men in Finland er dus 35.000 kan produceren. Maar, indien handel met Kongo tot de mogelijkheid zou behoren, dan zou men in Finland er ook voor kunnen kiezen om in plaats van 700 arbeiders in te zetten voor de productie van 35.000 vissen, 900 arbeiders in te zetten voor de productie van 45.000 vissen, met de andere 100 arbeiders geconcentreerd op de productie van mango's (5.000 mango's). Vervolgens zou Finland de 10.000 extra vissen die men op deze manier produceert kunnen ruilen in Kongo voor 15.000 mango's, omdat in Kongo 2 vissen 3 mango's waard zijn. Zo zou Finland in totaal de beschikking hebben over 35.000 vissen en 20.000 mango's, terwijl in afwezigheid van handel zij de beschikking had over slechts 35.000 vissen en 15.000 mango's. Handel ook in deze situatie is dus duidelijk voordelig voor Finland. En hetzelfde geldt voor de Kongo. Zonder de beschikbaarheid van handel met Finland moeten voor de productie van 12.000 vissen 200 werknemers uit de productie van mango's gehaald worden, als gevolg waarvan 18.000 minder mango's geproduceerd kunnen worden. Zo zijn 12.000 vissen en 72.000 mango's beschikbaar voor de mensen in Kongo. Maar indien gehandeld zou kunnen worden met Finland, dan zou Kongo om de gewenste 12.000 vissen te krijgen ook ervoor kunnen kiezen 12.000 mango's te ruilen in Finland voor de gewenste 12.000 vissen. Met andere woorden, Kongo zou ervoor moeten zorgen dat 84.000 mango's worden geproduceerd in het land, waarvan het dan 12.000 ruilt voor vis in Finland en de overige 72.000 zelf houdt. Om 84.000 mango's te produceren moeten 933 Kongolezen zich bezighouden met de productie van mango's. De overige 77 Kongolezen kunnen 4620 vissen produceren, en met handel heeft Kongo dus de beschikking over dezelfde 72.000 mango's maar tegelijkertijd over 16.620 vissen (12.000 uit ruil, en 4620 zelf geproduceerd). Figuren 3 en 4 geven grafisch weer het voordeel van handel voor beide landen bij het bestaan absoluut voordeel in Kongo voor de productie van beide goederen, maar met een relatief voordeel voor Finland in de productie van vissen: -------------------------------------------------------------------------------- Figuur 3:
 De productiecurve van Finland bij handel met Kongo (in duizenden) Omdat Finland in plaats van zelf te produceren ook door middel van handel aan mango's kan komen, kan zij over meer mango's beschikken bij gelijke hoeveelheid vissen Met al de duizend 1000 werkzaam in de visvangst kan Finland 50.000 vissen produceren die zij kan houden, of (deels) ruilen voor maximaal 75.000 mango's -------------------------------------------------------------------------------- Figuur 4:
 De productiecurve van Kongo bij handel met Finland (in duizenden) Omdat Kongo in plaats van zelf te produceren ook door middel van handel aan vissen kan komen, kan zij over meer vissen beschikken bij gelijke hoeveelheid mango's (De knip in de curve wordt veroorzaakt door het feit dat Finland maximaal 50 vissen kan produceren. Bij een productie van het maximum van 90.000 mango's kan Kongo maximaal 50.000 mango ruilen voor vis met Finland, in de verhouding 1 mango voor 1 vis. Wil Kongo nog meer vissen hebben dan 50.000 uit Finland, dan moet zij een deel van haar arbeiders inzetten voor de productie van vis. Vanaf dit punt (P) kost het weer 3 mango's voor 2 vissen. Dus Kongo heeft ofwel maximaal 90.000 vissen, ofwel maximaal 50.000 vissen uit Finland door ruil, plus de vissen die de overgebleven arbeiders bij een productie van 50 mango's voor ruil kunnen produceren.) -------------------------------------------------------------------------------- Door handel zou men in Finland over een verzameling goederen kunnen beschikken die in de afwezigheid van handel onbereikbaar zou blijven, bijvoorbeeld punt F* in figuur 3. De Finnen zouden hier de beschikking hebben over 10.000 vissen tezamen met 60.000 mango's, terwijl in de afwezigheid van handel bij 10.000 vissen nog maar 40.000 mango's beschikbaar waren (punt F in figuur 1). Voor Kongo geldt iets gelijkaardig. Ook de Kongolezen kunnen bij handel over combinaties van goederen beschikken die in de afwezigheid van handel onbereikbaar waren. Bijvoorbeeld punt K* in figuur 4, waar bij 20.000 mango's de Kongolezen tevens 68.000 vissen ter beschikking hebben. Voor de mogelijkheid van handel waren bij een productie van 20.000 mango's nog slechts 46.000 vissen beschikbaar geweest (punt K in figuur 2). Zo wordt duidelijk hoe handel beide landen Finland en Kongo van voordeel is, ook al heeft Kongo een absoluut voordeel in de productie van beide goederen, mango's en vissen. Dit, de theorie van relatief voordeel, is de argumentatie achter globalisatie in de zin van vrij verkeer van goederen. Hoe de verhoudingen ook zijn, in de theoretisch voorbeeld wint iedereen bij handel, en dit is natuurlijk een goed argument voor globalisatie. [1] Voor een uiteenzetting van het mechanisme achter de relatie waarde van de dollar versus vraag naar Amerikaanse producten op de wereldmarkt verwijzen wij naar artikel "Geld, Olie en Macht" in Expliciet Magazine uitgave 21.
[2] In werkelijkheid een irreële voorstelling, gezien het feit dat 80% van de Afrikanen leeft van een inkomen per maand in waarde gelijk aan 30 dollar in de Verenigde Staten. |