vrijdag 10 februari 2012 In de naam van Allah, De Barmhartige De Erbarmer
Home
Missie & Visie
De weg naar geloof
Verklaringen
Pamfletten
Boeken
Intellectualisme
Definities&Termen
Wetgeving
Politiek
Multimedia
Koran
Hadith
Reacties
Van de lezers
Nieuws & Commentaar
Boek
Updates
Home arrow Intellectualisme arrow Economie arrow Analyse en beoordeling van globalisatie - deel II
Analyse en beoordeling van globalisatie - deel II Afdrukken E-mail
woensdag 24 mei 2006
Redactie Expliciet Magazine: Deel II van Analyse en Beoordeling van Globalisatie bouwt voort op het begrip van globalisatie in een economische context zoals geboden door deel I. Het zal beginnen dit begrip te verdiepen door de vraag te beantwoorden "is globalisatie nu onvermijdelijk of niet?". Het zal tevens meer gedetailleerd dan deel I ingaan op de geschiedenis van globalisatie in een economische context, om de rol van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Wereld Handels Organisatie hierbij duidelijk te kunnen maken. Deel II van Analyse en Beoordeling van Globalisatie zal afsluiten met een uiteenzetting van de methode waarop globalisatie in de wereld wordt gepromoot, oftewel het beleid van genoemde instellingen. De analyse van dit beleid, alsmede de meer algemene analyse en beoordeling van globalisatie, zal in een derde deel van Analyse en Beoordeling van Globalisatie in de volgende uitgave van Expliciet Magazine weergegeven worden. Op dat moment zal ook het alternatief dat Islam biedt, het economisch beleid van de Khilafah-staat, geïntroduceerd en besproken worden.

 

Globalisatie is een keuze

Zoals uiteengezet in het eerste deel van Analyse en Beoordeling van Globalisatie hebben de trends die feitelijk globalisatie in een economische context inhouden, vrij verkeer van goederen en vrij verkeer van kapitaal, ertoe geleidt dat tussen natiestaten concurrentie is ontstaan bij de aantrekking van industriële bedrijvigheid. Buiten de voortdurende confrontatie met producten geproduceerd over gans de wereld, is er daarmee een tweede effect van globalisatie waar iedereen mee in aanraking komt. Dit tweede effect is het gevolg van de genoemde concurrentie die onder globalisatie is ontstaan tussen natiestaten bij de aantrekking van industriële bedrijvigheid. Het voornaamste resultaat van deze concurrentie tussen natiestaten is namelijk de feitelijke herroeping van de rechten voor de burgers die zijn opgebouwd onder de verzorgingsstaat, oftewel de afbouw van het sociaal vangnet in de rijke westerse landen. De onderlinge concurrentie dwingt de natiestaten om industriële activiteit naar zich te lokken door een omgeving te bieden waarin de industrie eenvoudig en goedkoop kan opereren. Hiertoe bieden staten aan de ondernemingen bijvoorbeeld lage of zelfs geen belasting op inkomsten en verschillende vormen van subsidiering van de industriële activiteit. Maar, hierdoor dalen de inkomsten voor de staat ten gevolge waarvan voor de voorzieningen voor de bevolking geen geld meer is, zodat dezen allen gestopt moeten worden. Dit mechanisme - concurrentie tussen natiestaten resulteert in lagere inkomsten voor natiestaten, wat resulteert in minder voorzieningen voor de bevolking van de natiestaten -  is bijvoorbeeld de reden achter het voorstel in België om de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen, en de reden waarom in Nederland de uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid grotendeels gestopt zijn.

Ook is in het vorige eerste deel van Analyse en Beoordeling van Globalisatie het argument geïntroduceerd op basis waarvan het vermelde vrije verkeer van goederen en vrije verkeer van kapitaal van globalisatie gerechtvaardigd wordt en gepromoot. Dit argument was de theorie van "relatief voordeel (comparative advantage)" zoals uitgedacht door de Britse econoom David Ricardo in de 19e eeuw. De theorie beargumenteert dat voor ieder land dat hiertoe overgaat, het openen van grenzen voor vrij verkeer van goederen uiteindelijk voordelig uit zal pakken, ongeacht wat het land produceert en ongeacht de efficiëntie waarmee het land kan produceren. Zelfs al is het land de slechtste en duurste producent wanneer het vergeleken wordt met andere landen, dan nog zal het vrijmaken van markten voor internationale handel gunstig zijn voor het land en haar inwoners, aldus Ricardo. 

Globalisatie in een economische context, omdat zij het vrijmaken van markten voor grenzeloos verkeer van goederen en kapitaal is, vereist dus een specifieke ordening van het economisch leven van de mens. Met andere woorden, globalisatie in een economische context vereist actief beleid van overheden en regeringen omdat het veelal veranderingen in wetgeving vereist, daar eigenlijk al de landen in de wereld nooit zo iets hebben toegestaan als absoluut vrij internationaal verkeer van goederen en kapitaal. Zo is ook gebleken uit de behandeling van de geschiedenis van globalisatie in een economische context in het eerste deel van Analyse en Beoordeling van Globalisatie, toen het beleid gevoerd door president Ronald Reagan van de Verenigde Staten in de jaren '70 en '80 is behandeld. Reagan besloot tot het openstellen van de Amerikaanse grenzen voor vrij verkeer van (sommige) goederen en voor het openstellen van Amerikaanse grenzen voor vrij verkeer van kapitaal. Groot-Brittannië, onder leiding van Margaret Thatcher, volgde niet veel later met meer of minder gelijk beleid. Vooral sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en daarmee de ondergang van het communisme zijn meer en meer andere landen in de wereld de voorbeelden gesteld door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië gaan volgen. Europa, Japan, later de voormalig communistische landen en zelfs ook de Derde Wereldlanden hebben economisch beleid geïntroduceerd dat beargumenteerd wordt door de theorie van Ricardo, dat dus het openstellen van nationale markten voor goederen en kapitaal behelst, en waardoor dus deze landen zich aan de trend van globalisatie in een economische context hebben geconformeerd. Met andere woorden, globalisatie was een keuze. Weliswaar een keuze gerechtvaardigd door verwijzingen naar voorspelling van economen van internationaal aanzien - namelijk dat globalisatie iedereen rijk zou maken - maar eerst en vooral een keuze.

Nog steeds is deze theoretische beargumentering van de gunsten van handel het voornaamste middel waarmee landen het openen van hun grenzen voor goederen en kapitaal en dus het meedoen met globalisatie verkopen aan hun kiezers. Hier is echter een tweede argument bijgekomen dat luidt als volgt:

Nu alsmaar meer landen met de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zijn meegegaan in het proces van globalisatie en dus hun grenzen hebben geopend voor vrij verkeer van goederen en vrij verkeer van kapitaal, dwingt het ontstaan van concurrentie tussen natiestaten bij de aantrekking van industriële bedrijvigheid andere land om mee te gaan in dit proces. Want wie dit niet doet, die verliest iedere industriële activiteit in het land. Het land dat niet meedoet in globalisatie en dat dus niet de wetgeving verandert op een manier die het eenvoudiger en goedkoper maakt om zaken te doen in het land, dat land prijst zichzelf uit de markt. Want andere landen zijn wel bereid de industrie in haar wensen tegemoet te komen, bijvoorbeeld door belastingen te verlagen en allerhande verplichtingen voor werkgevers af te schaffen. En dus zal het land dat globalisatie probeert te negeren ervaren dat haar industrie de deuren sluit om in landen die wel meedoen met globalisatie opnieuw te beginnen; op precies dezelfde manier als dat vele bedrijven in België en Nederland reeds de deuren sloten om het werk te verplaatsen naar landen waar dit goedkoper kon. Dit land zal dus haar industrie verliezen en daarmee een belangrijke bron van haar inkomsten. Want de waarde van de belastingen op bedrijfswinsten zal afnemen omdat er minder bedrijven in het land zullen zijn, maar ook zullen door het vertrek van de bedrijven minder van de inwoners van het land nog werk hebben, en dus zal minder aan belastingen op arbeid geheven kunnen worden. Dit terwijl de aanspraak op uitgaven van de staat - werkloosheidsuitkeringen, bijvoorbeeld - zullen toenemen. Alles het gevolg van niet meedoen met globalisatie. Meedoen met globalisatie betekent het mogelijk maken van goedkoop en eenvoudig produceren. Ook dit erodeert de bron van inkomsten van de staat omdat het onder meer inhoudt dat belastingen voor ondernemingen moeten worden verlaagd. Enkel belastingen op arbeid kunnen behouden blijven. Hierdoor zal het land niet meer in staat zijn in gelijke mate als voorheen verzorgingen als onderwijs, uitkeringen en medische zorg te bieden aan de mensen, maar dit land heeft tenminste nog mensen aan het werk doordat de lage belasting op ondernemingen ervoort zorgt dat ondernemingen ervoor kiezen om in dit land te gaan produceren!

Het is een argument dat verder bewijst dat globalisatie in een economische context een keuze is, omdat het beargumenteert welke van de twee opties - meedoen of niet meedoen - gekozen zou moeten worden. Het is tevens een manier van redeneren die veel mensen het inzicht dat globalisatie in een economische context een keuze is, ontneemt. Dit is een probleem omdat het idee dat globalisatie in een economische context een natuurlijk fenomeen en een onvermijdelijk feit is, verlicht denken over het fenomeen en objectieve discussie over de trend voorkomt. Immers, bijvoorbeeld veroudering bij de mens is een natuurlijk fenomeen en een onvermijdelijk feit, en het is volstrekt duidelijk dat juist vanwege deze redenen het nutteloos is om te gaan discussiëren of veroudering nu goed of slecht is voor de mens en of de mens zich nu zou moeten overgeven aan veroudering of niet. Men kan er toch niets aan veranderen. Het inzicht dat globalisatie in een economische context een keuze is, in tegenstelling dus tot bijvoorbeeld veroudering bij de mens, doet de mens herinneren aan het feit dat voordat een keuze gemaakt wordt, bestudering van deze optie en haar alternatieven noodzakelijk is. Globalisatie moet dus op deze manier behandeld worden. Zij is een keuze en moet dus op haar voor- een nadelen geanalyseerd worden.

Het begin van de trend van economische globalisatie

Het idee van David Ricardo uit 1817 dat internationale handel voordelig is voor eenieder die zich hier voor open stelt, is niet als vanzelf zo prominent geworden in de wereld. Over tijd is het idee meer en meer van invloed geworden, op politici en intellectuelen, een proces dat serieus een aanvang nam na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Reeds tijdens de Tweede Wereldoorlog voerden de partijen die tezamen de geallieerden uitmaakten overleg over de vorm die de internationale economie gegeven zou moeten worden na de oorlog. Het primaire resultaat van dit overleg in de plaats Bretton Woods, de Verenigde Staten, was een akkoord over het internationaal monetair systeem dat een aanvang zou moeten nemen na beëindiging van de strijd. De Amerikaanse dollar zou in waarde gekoppeld worden aan een bepaalde hoeveelheid goud, waarna al de overige munteenheden in de wereld hun waarde zouden koppelen aan een bepaalde hoeveelheid Amerikaanse dollars. Zo werd de dollar gebombardeerd tot de centrale munteenheid voor de nieuw te ontstaan internationale economie. Verder werd tijdens Bretton Woods besloten tot de oprichting van de instituties het Internationaal Monetair Fonds (IMF; International Monetary Fund) en de Internationale Bank voor Reconstructie en Ontwikkeling (IBRD; International Bank for Reconstruction and Development). Als uitschieter zou Bretton Woods ook resulteren in de totstandkoming van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT; General Agreement on Tariffs and Trade) in 1947. Alle drie deze supra-nationale instanties werden opgericht met een eigen specifiek eigen doel, maar alle drie resulteren uit een beschouwing van feiten gebaseerd op het idee van Ricardo.

De argumentatie achter deze stelling neemt een aanvang met de realisatie dat de mens een natuurlijke afkeer heeft van onzekerheid. Wanneer een mens kan kiezen tussen zeker 10 Euro nu en mogelijk 10 Euro later, dan verkiest hij zonder twijfel de zekere 10 Euro nu boven de mogelijke 10 Euro later. Sterker nog, een meerderheid van mensen zou zelfs nog kiezen voor een zekere 10 Euro nu boven een mogelijke 11 of 12 Euro later. Nu bestaat bij handel altijd onzekerheid. Bijvoorbeeld bestaat bij handel altijd de mogelijkheid dat de tegenpartij zijn verplichtingen onder de afspraak niet nakomt: de handelaar overhandigt zijn eigendom maar de koper overhandigt niet zijn eigendom (geld of een ander goed in ruil voor het eigendom van de handelaar) zoals afgesproken. Naarmate de onzekerheid groter is, dus naarmate de zekerheid dat éé van beide partijen zijn deel van de afspraak na zal komen kleiner is, zijn minder mensen bereid handelsafspraken aan te gaan. Daarom vindt men dat economische crises ernaar neigen zichzelf te verhevigen. Zij doen de mogelijkheid van niet-betalen toenemen, waardoor handelaren minder bereid zijn te handelen en dan nog enkel tegen hogere prijzen, waardoor er minder kopers zullen zijn en waardoor de kans op niet-betalen verder toeneemt, waardoor handelaren minder bereid zijn te handelen en dan nog enkel tegen hogere prijzen, et cetera. Zo stort de handel helemaal in, neemt economische bedrijvigheid af en verdwijnen banen, wat dan weer verder de malaise versterkt doordat het de mogelijkheid van niet-betalen doet toenemen.

Een tweede onzekerheid bij handel, vooral wanneer de afspraak gaat over handelingen te verrichten in de toekomst, betreft de uiteindelijke waarde van de ruil. Er van uitgaande dat de handelaar goed bekend is met de realiteit van de objecten ter ruil, is hij in staat een redelijke inschatting te maken van wat een goede ruil zou zijn en wat niet. Maar omdat over tijd de waardes van feiten kunnen veranderen is het een stuk lastiger om nu in te schatten wat later een goede ruil zal zijn, omdat in de tussentijd allerlei dingen kunnen gebeuren die de relatieve waardes van feiten doen veranderen. Oorlog verhoogt de waarde van olie, droogte verhoogt de waarde van landbouwproducten en aardbevingen verhogen de prijs van beton, om maar een paar mogelijke gebeurtenissen met invloed op prijzen te noemen. Ook deze vorm van onzekerheid bij handel werkt als een rem op handel. En ook hier geldt de economische wetmatigheid die zegt dat mensen minder bereid zijn een handelsafspraak aan te gaan naarmate de onzekerheid groter is.

Volgens Ricardo en zijn theorie is handel altijd goed, en is meer handel altijd beter. Vanuit dit perspectief bezien is onzekerheid bij handel dus een kwaad. De resultaten van Bretton Woods hadden om deze reden allen ten doel de onzekerheid bij handel - en dan in het bijzonder bij internationale handel - tot een minimum te beperken.

Stel dat een Nederlander met een Amerikaan de afspraak maakt dat hij een week later een computer zal kopen bij de Amerikaan voor 800 dollar. Er bestaat dan zoals gezegd altijd de mogelijkheid dat de volgende week een prijs van 800 dollar voor een computer duur zal blijken te zijn. Zoals bijvoorbeeld wanneer in de tussentijd een nieuwe en betere computer op de markt zou worden gebracht voor eveneens 800 dollar. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat de week later de 800 dollar voor de computer goedkoop zal blijken te zijn, zoals bijvoorbeeld wanneer in de week door brand een groot deel van de productiecapaciteit van computers verloren zou gaan. Dit risico is onvermijdelijk bij handel. Maar, omdat in het gegeven voorbeeld de afspraak in dollars is, met een Nederlander die koopt, bestaat er hier een additioneel risico bovenop dit gewone risico bij handel. De Nederlander, namelijk, zal zijn Euro's moeten omruilen voor Amerikaanse dollars om zijn deel van de afspraak na te kunnen komen. Mogelijk doet de Nederlander dit meteen, op het moment dat de afspraak aangegaan wordt. Hij koopt met 1000 Euro's de 800 dollar die hij een week later nodig zal hebben om de computer volgens afspraak te kunnen betalen. Het is mogelijk, echter, dat een week later 500 Euro genoeg is om 800 dollar te kunnen kopen. De computer is dan effectief duurder geworden voor de Nederlander omdat de wisselkoers van de Euro ten opzichte van de dollar veranderd is in de tijd tussen aangaan van de afspraak en uitvoering van de afspraak. Op het moment dat de computer overhandigd wordt is 800 dollar 500 Euro waard. Wie dus op de dag van transactie Euro's ruilt om computers te kopen in Amerika zou de computers in Europa vervolgens voor, zeg, 600 Euro kunnen verkopen en daarmee 100 Euro winst maken. De Nederlander die 1500 Euro had betaald voor de 800 Euro zou bij een verkoopprijs van 600 Euro echter zwaar verlies leiden. Voor deze Nederlander zijn de computers van 800 dollar, voor hem dus 1500 Euro, echt duur omdat hij ze ook voor 500 Euro had kunnen kopen. Dit is de additionele onzekerheid bij specifiek internationale handel, het is het wisselkoersrisico. Inherent aan handel tussen verschillende landen, namelijk, is dat voor tenminste één van de twee deelnemende partijen de transactie plaats zal vinden in een munteenheid anders dan de eigen, waardoor ook nog eens wisselkoersveranderingen ervoor kunnen zorgen dat de afspraak van een goede deal verandert in een slechte deal, of vice versa. Wachten met het kopen van de benodigde 800 dollar tot het laatste moment zou hetzelfde risico met zich mee brengen, omdat het net zo goed mogelijk is dat een week later niet 1500 Euro nodig is voor 800 dollar maar 2000 Euro. Met andere woorden, de onzekerheid blijft. Bij internationale handel bestaat er dus een wisselkoersrisico bovenop het gewone risico bij handel, en naarmate dit risico groter is zal internationale handel minder zijn. De eerste pilaar van Bretton Woods, de instelling van vaste wisselkoersen, was bedoeld om juist deze onzekerheid bij specifiek internationale handel te minimaliseren. Door vaste wisselkoersen was de kans dat de wisselkoers tussen het aangaan van de afspraak en de tenuitvoerbrenging van de afspraak veranderde minimaal, en zo zou handel gemaximaliseerd kunnen worden.

Omdat de vaste wisselkoersen van Bretton Woods afspraken tussen landen waren bleef echter de mogelijkheid bestaan dat landen deze afspraken niet na zouden komen, of gedwongen zouden worden om deze afspraken te verlaten. Deze dwang om de afspraak te verlaten zou bijvoorbeeld resulteren wanneer landen over langere tijd veel meer zouden importeren aan goederen dan exporteren. Importeren, namelijk, impliceert het aanbieden van de eigen munt om de munteenheid van het land waar gekocht gaat worden te kunnen kopen; zoals de Nederlander met Euro's dollars moest kopen om de Amerikaanse computer te kunnen kopen, want het land van waaruit geïmporteerd gaat worden wil betaald worden in hun eigen munt. Export impliceert dat andere landen vragen om de munt van het land dat exporteert, omdat het land dat exporteert ook in de eigen munt betaald wil worden. Wanneer voor een bepaald land de importen (stel: 100) groter zijn dan de exporten (stel: 80), dan vertaalt deze situatie zich in een grotere aanbod (100) van de munt van dit land op de geldmarkt dan de vraag (80) naar de munt van dit land op de geldmarkt. Als deze imbalans maar lang genoeg duurt en maar groot genoeg is, dan zal zij er onvermijdelijk toe leiden dat uiteindelijk de waarde van de munt van het land dat meer importeert dan exporteert zal dalen. Er is dan namelijk zoveel aanbod van de munt van het land dat teveel importeert en maar zo weinig vraag ernaar, dat de prijs die mensen bereid zijn te betalen om deze munt in bezit te krijgen onvermijdelijk zal dalen. Zo werkt iedere markt: wanneer er veel meer aanbod van bananen is dan vraag naar bananen, dan zullen de aanbieders van bananen hun prijzen laten zakken in een poging de paar klanten aan te trekken en weg te houden van de concurrent-aanbieders. Net zo zal het land met teveel importen haar munt tegen een lagere prijs moeten aanbieden om de door haar benodigde buitenlandse munten te krijgen. Effectief betekent dit dat het land de wisselkoersafspraak zou moeten verlaten. Wanneer dus over langere tijd de importen groter zijn dan de exporten, dan betekent dit dat het aanbod van de munt van dit land groter is dan de vraag ernaar. En in een situatie van grote verschillen tussen import en export zouden landen uiteindelijk dus wel gedwongen worden om de afspraak betreffende de wisselkoers te verlaten.

Dit betekent dat zelfs bij het bestaan van afspraken over wisselkoersen de mogelijkheid bleef bestaan dat wisselkoersen zouden veranderen, ook al was dit tegen de afspraken in. Landen zouden immers gedwongen kunnen worden tot het verlaten van de afspraak wanneer zij teveel zouden importeren. Het IMF werd daarom opgericht om landen te helpen die te grote importen kenden in vergelijking met hun exporten. Al de landen die deel namen aan Bretton Woods stortten geld op de rekening van het IMF en het IMF leende dit uit aan landen wanneer zij teveel importeerden, zodat het land dat teveel importeerde niet meteen de prijs van haar munt hoefde te verlagen (oftewel de wisselkoersafspraak verlaten) om deze importen te kunnen betalen. Bovendien zou het IMF de landen aan wie zij leende bijstaan met raad en advies over hoe aan de imbalans een einde te maken. Zo zou het IMF ten doel hebben de onzekerheid bij internationale handel met betrekking tot de wisselkoers, het wisselkoersrisico, tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd, doordat het IMF geld zou lenen aan landen die meer importeerden dan exporteerden en dus meer geld uitgaven door aankopen dan zij binnenkregen door verkopen, zou het IMF het risico van niet-betalen bij internationale handel tot een minimum beperken.

De IBRD bood de landen getroffen door de oorlog leningen aan om de wederopbouw van de industrie mee te kunnen financieren. Het IBRD bood eerst en vooral leningen aan voor projecten die uiteindelijk goederen en diensten voort zouden brengen die geëxporteerd konden worden. Zo, namelijk, zou het geld verdiend kunnen worden dat nodig was om de aangegane lening terug te betalen en om verdere wederopbouw te financieren. GATT, ten slotte, behelsde een reeks van afspraken om allerhande restricties op internationale handel af te bouwen. Veel landen gebruikten voor de oorlog, vooral ten tijde van de Grote Depressie tijdens de jaren '20 van de vorige eeuw, wetten en subsidies om de eigen nationale industrieën te bevoordelen over buitenlandse ondernemingen en voorkwamen zo dat internationale handel tot stand kwam. De ondertekenaars van GATT committeerden zich aan afbouw van deze en andere restricties op internationale handel, en kwamen verder overeen om periodiek over verdere afbouw van restricties op handel te overleggen.

Bretton Woods, het startpunt voor de naoorlogse internationale economie, stond dus heel duidelijk in het teken van het idee dat bij internationale handel iedereen wint. Door de IBRD werd geprobeerd een wederopbouw gebaseerd op internationale handel op gang te krijgen, en door GATT werd enerzijds geprobeerd om handel makkelijker te maken en anderzijds te voorkomen dat in tijden van tegenspoed landen zich terug zouden wenden tot maatregelen die internationale handel zouden belemmeren, zoals als import- en exportquota. Het IMF diende om de risico's bij internationale handel te minimaliseren en om de vaste wisselkoers, die hiervoor zo belangrijk was, in stand te houden.

De motor achter de hedendaagse economische globalisatie

Het IMF bestaat vandaag de dag nog steeds. De IBRD is opgegaan in een nieuwe supra-nationale instelling genaamd de Wereldbank (WB), en het GATT is overgegaan in de Wereld Handels Organisatie (WTO; World Trade Organization). Het IMF verleent nog altijd leningen en advies aan landen met economische moeilijkheden. De WB, in het teken van hun missie die bepaald is op de "bestrijding van armoede", financiert nog altijd projecten bedoelt voor economische ontwikkeling. Heden ten dage echter niet meer aan de landen van West-Europa zoals kort na de Tweede Wereldoorlog voornamelijk het geval was, maar veel meer aan landen in de Derde Wereld. De WTO heeft verklaard dat haar missie "de promotie van vrijhandel, het (daardoor) stimuleren van economische groei en de mensen meer welvarend maken" is. Met dit doel organiseert zij periodiek bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de 150 landen die haar lid zijn, om te discussieren over verdere afbouw van restricties op internationale handel. Tevens functioneert het WTO als rechter wanneer landen van mening zijn dat andere landen zich niet aan de WTO afspraken houden. 

De enige echte pandemie in wereld, armoede, is er mede de oorzaak van dat vandaag de dag 82 landen leningen hebben afgesloten bij het IMF en dat zovele Derde Wereldlanden economische projecten laten financieren door de WB. 60 procent van de wereldbevolking (!) leeft van een inkomen per dag dat minder waard is dan 1 Euro in Europa. Miljoenen mensen sterven jaarlijks direct van verhongering, en nog vele malen meer mensen sterven ten gevolge van allerhande andere oorzaken die terug te voeren vallen op armoede. Veelal kennen de landen die met deze armoede kampen tevens grote schulden en weinig tot geen industriële ontwikkeling. En het één werkt het ander in de hand. De afwezigheid van economische ontwikkeling resulteert in weinig tot geen inkomsten voor de staat, en het draagt ertoe bij dat het land veel moet importeren van wat het aan basisproducten, zoals voedsel, nodig heeft. De hoge schulden leiden ertoe dat na de betaling van rente en aflossing op bestaande schuld bijna geen geld overblijft voor deze noodzakelijke uitgaven, laat staan investeringen in de ontwikkeling van de nationale economie of het welzijn van de bevolking. Verschillende landen in Afrika, het Midden-Oosten en Azië, bijvoorbeeld, dragen de helft of meer van wat zij aan inkomsten binnenkrijgen af aan hun crediteuren. Het resultaat hiervan is dat deze landen vervolgens extra moeten lenen om toch de basisproducten te kunnen kopen. Dit mechanisme staat bekend als "het schuldprobleem". Investeringen die noodzakelijk zijn om de economie op te kunnen bouwen, zodat de bevolking ten minste kan beschikken over wat zij aan basisbehoeften nodig heeft, worden verdrongen door rente en aflossing op bestaande schuld. Het land moet daarom geld lenen om in iets van deze basisbehoeften te kunnen voldoen, waardoor schuld blijft bestaan ondanks aflossingen en waardoor dus grote uitgaven aan rente en aflossing op schuld geëist blijven, waardoor het land gevangen blijft in armoede. Het zijn veelal landen met dit schuldprobleem die klant zijn bij het IMF en de WB, omdat zij geld nodig hebben maar dit nergens anders meer kunnen krijgen daar ze al zoveel geleend hebben.

De oorsprong van veel van dit schuldprobleem voert terug tot de Koude Oorlog. In de tijd van de Koude Oorlog benutten de internationale grootmachten leningen als instrument om loyaliteit mee te kopen. De Amerikanen, Britten, Fransen, Sovjets en Chinezen kochten bij de landen in de Derde Wereld loyaliteit voor kapitalisme danwel communisme door hen goedkoop leningen aan te bieden. In de jaren '40 van de vorige eeuw, bijvoorbeeld, toen het communisme nadrukkelijk aan de weg timmerde in Europa, gingen 13,3 miljard Amerikaanse dollars in de richting van Europa in de vorm van steun. Geen cent werd geleend aan het door de Sovjet-Unie gedomineerde Oost-Europa. In de jaren '60, toen het communisme meer en meer invloed kreeg in Zuid-Azië en Latijns-Amerika, ging de helft van al de Amerikaanse leningen naar landen in deze gebieden. De uitstaande schuld van de Latijns-Amerikaanse landen bij de Verenigde Staten steeg in deze periode van 12,6 miljard Amerikaanse dollars naar 28,9 miljard dollars, oftewel bijna 130% procent. Ter indicatie van hoe het kopen van loyaliteit werkte, het Chili van de socialistische president Salvador Allende kreeg in deze periode geen enkele leningen van de Amerikanen. Echter, toen eenmaal de rechtse militaire dictatuur van generaal Pinochet gevestigd was in Chili en Allende vermoord, vloeide het geld vanuit de Verenigde Staten rijkelijk naar Chili.

Omdat deze leningen niet primair het doel van economische opbouw dienden maar veel meer in het teken stonden van het kopen van loyaliteit voor de aangehangen ideologie, werd door de leners niet veel belang gehecht aan de manier waarop de lenende landen het geld besteedden of met welk doel. Argentinië zag onder een militaire dictatuur die meer dan 30.000 mensen het leven kostte haar schuld oplopen van 7,9 miljard Amerikaanse dollars naar 45,1 miljard Amerikaanse dollars. Onder Mobutu steeg de schuld van Zaïre, nu de Democratische Republiek Kongo, tot 579 miljoen dollar. In het Midden-Oosten gingen grote sommen geld naar het Egypte van Saddat voor opbouw van een leger en naar Saoedie-Arabië (dat ondanks haar olie 200 miljard dollar - 200.000.000.000 dollar! - schuld uitstaande heeft) ter financiering van de levensstijl van de ettelijke duizenden leden van de koninklijke familie. In Azië was het Indonesië van Soeharto, volgens de Amerikaanse regering destijds "weliswaar een klootzak, maar dan toch onze klootzak" en wiens zoon Tommy even rijk is als berucht voor zijn corruptie, de favoriete bestemming. Wie precies de ontvanger van het geld was deed er verder weinig toe; hoe hij regeerde en hoe hij zijn volk behandelde evenmin. Belangrijker was dat met het geld de ontvanger ervan de gewenste ideologie zou steunen. Gezien de aard van deze ontvangers is het niet verwonderlijk te noemen dat naar we nu weten veel van het uitgeleende geld in de zakken verdween van de corrupte elite van de landen waaraan geleend werd, werd gebruikt om paleizen voor de president mee te bouwen of werd gespendeerd aan verdere uitbreiding van het favoriete speeltje van de dictator van het land - het leger. Het probleem voor de landen die onder deze redenen destijds geld leenden is dat geld dat gebruikt wordt om de uitbundige levensstijl van een president te financieren (Mobutu, die een paleis liet bouwen met airconditioning in al de kamers maar die niet een electriciteitsnetwerk aan liet leggen voor het land), of dat gebruikt wordt voor de voorliefde van de dictator voor militair speelgoed om zijn eigen volk en dat van anderen mee te kunnen terroriseren (Saddam Hoessein), niet gebruikt wordt om de economie van het land vooruit te helpen. Eens uitgegeven is dit geld gewoon weg en is al dat rest enkel schuld waarover rente moet worden betaald.

Zo hebben vele Derde Wereldlanden de schulden opgedaan waardoor zij nu met het schuldenprobleem kampen en gevangen zitten in armoede. Hun dictatoren hebben geld geleend en verkwanseld, de schuld moet nu door het volk worden afbetaald met rente. En zoals gezegd zijn het deze landen die nu aankloppen bij het IMF en de WB in een poging nog iets van ontwikkeling van hun economieën van de grond te krijgen. Maar, men kan als Derde Wereldland niet gewoonweg bij de WB binnenstappen om geld te vragen en het daarna naar eigen goeddunken besteden. De WB financiert namelijk enkel projecten. Met andere woorden, de WB vertelt de landen met het schuldprobleem waarvoor zij geld kunnen lenen, waaraan zij het geld uit mogen geven en hoe zij het geld uit moeten geven. Zo is het mechanisme waardoor de WB tot een van de motoren achter de verdere verbreiding van globalisatie is geworden. De WB financiert nog altijd bij voorkeur projecten die ten doel hebben het opzetten van een industrie voor export, zoals de constructie van stuwdammen en kerncentrales voor de opwekking van energie die geëxporteerd kan worden, de ontginning van natuurlijke mineralen voor export, de aanleg van spoorlijnen voor transport van natuurlijke mineralen bij export, en projecten ter ontbossing van gebieden voor de creatie van landbouwgronden zodat gewassen verbouwd kunnen worden voor export. Wanneer dus inderdaad de projecten gefinancierd door de WB resulteren in economische opbouw, dan is dit op een manier die de economie van het land volkomen integreert in de internationale economie die is geresulteerd uit globalisatie in een economische context. Zo uit zich de invloed van de WB op de ordening van de economie van de landen met wie zij een relatie heeft; zij verzekert dat deze landen zich openstellen voor globalisatie door de industrie van deze landen gericht te laten zijn op export. 

 

Image

 

Bij de foto: IMF President Michael Candessus kijkt neer terwijl Indonesië in onderdanigheid de overeenkomst met het IMF tekent.

Het IMF helpt zoals gezegd landen met structurele problemen en daar zijn er genoeg van zo blijkt ook uit het feit dat maar liefst 82 landen een lening zijn aangegaan met het IMF. Maar net als in geval van leningen bij de WB kunnen landen evenmin het geld dat zij hebben geleend van het IMF besteden naar eigen inzichten. Integendeel, het IMF vraagt van het land dat wil lenen dat deze de bevoegdheid over het te voeren economisch beleid overdraagt aan het IMF. Met andere woorden, wie wil lenen bij het IMF moet het economisch beleid gaan voeren dat het IMF denkt dat juist is. Het beleid dat het IMF doorvoert in al de landen die haar om leningen gevraagd hebben staat bekend onder de naam "Washington Consensus", omdat veel ervan oorspronkelijk is uitgedacht door ambtenaren en politici uit het centrum van de Amerikaanse macht in Washington. Dit beleid kent een aantal fundamentele principes, allen maatregelen die het lenende land moet nemen wil zij kunnen lenen van het IMF. Een eerste voorwaarde voor een lening bij het IMF  is het aangaan van lidmaatschap bij het WTO. Het lenende land moet dus al de afspraken aangegaan onder het WTO onderschrijven en mogelijke restricties op internationaal goederen verkeer zoals export- of importheffingen afschaffen. Het lenende land moet dus haar economie open stellen voor internationale handel, en buitenlandse ondernemingen en producten moeten in de mogelijkheid gesteld worden te concurreren op de markten van het lenende land. De tweede voorwaarde is dat het lenende land haar grenzen openstelt voor internationaal kapitaal verkeer, zodat geld eenvoudig in en uit het land kan gaan. De derde voorwaarde is dat het lenende land de invloed van de overheid op de economie terugschroeft danwel beëindigt: staatsbedrijven moet geprivatiseerd worden en subsidies voor bedrijven en op producten moeten worden gestopt. De vierde voorwaarde is dat de overheid bezuinigt op uitgaven tot het punt dat het niet meer uitgeeft dan het binnenkrijgt aan opbrengsten uit belastingen, zodat de lening met rente terugbetaald kan worden aan het IMF. Zo uit zich de invloed van het IMF op haar clientèle. Zij leent niet eenvoudigweg geld uit, maar zij komt met haar klanten Structurele Aanpassing Programmas (SAPs; Structural Adjustment Programs) overeen; een lening op voorwaarde dat de economie van het lenende land structureel aangepast wordt tot in lijn met wat de Washington Consensus zegt dat goed is. Het IMF neemt dus feitelijk het economisch beleid van het lenende land over en reorganiseert haar gehele economie volkomen tot precies wat door globalisatie in een economische context geëist wordt.

Redactie Expliciet Magazine: Deel I en II van Analyse en Beoordeling van Globalisatie hebben een fundament gebouwd waarop een kritische objectieve beschouwing van globalisatie in een economische context gebouwd kan worden. Duidelijk zijn nu de theorie waarmee het voordeel van globalisatie wordt aangetoond, de methode waarmee globalisatie wordt verspreid en door wie. In het derde en laatste deel van Analyse en Beoordeling van Globalisatie zal dit beleid van de verspreiders van globalisatie beoordeeld worden op basis van hun resultaten, om daardoor tot een algemene kritiek op globalisatie te kunnen komen en een vergelijk van globalisatie met het alternatief van Islam.

< Vorige   Volgende >
 [ Arabisch ]
Ayah
"...Zeg: "Brengt dan een hieraan gelijke Soerah voort..." (Zie de vertaling v.d. betekenissen van soerat Yoenes: 38)
Hadith

Overleveringen van de Profeet Muhammad (sallallahoe aleihi wa sallam)
Overgeleverd door Anas dat de boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: "toen ik werd opgenomen naar de hemelen (de miraadj) kwam ik voorbij sommige mensen die nagels van koper hadden waarmee zij hun gezichten en borsten krabden. Ik zei: wie zijn deze mensen, O Djibriel ? Hij zei; dezen zijn degenen die het vlees van de mensen aten en hun eer lasterden." (Aboe Dawoed)

over hadith..