|
Redactie Expliciet Magazine: Deel 2 van Analyse en beoordeling van globalisatie heeft het beleid van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds geïntroduceerd, de twee instelling die de motor vormen achter de promotie van globalisatie in de wereld. In dit derde en laatste deel van Analyse en beoordeling van globalisatie een analyse van dit beleid, zowel op praktische als theoretische basis, en uiteindelijk een kritiek op het fenomeen van globalisatie in een economische context. Kritiek op globalisatie - de praktijk van de WB
Omdat adoptie van het economisch beleid dat globalisatie in een economische context vereist in eerste aanleg wordt gerechtvaardigd met verwijzingen naar de welvaart die de economische theorie voorspelt dat zij zal doen resulteren, is de eerste maatstaf waartegen men het beleid van de WB en het IMF behoort te toetsen de welvaart die zij met hun activiteiten tot stand hebben doen brengen in de gebieden van hun klanten. Bij de grote projecten die arme landen aangaan met geld geleend van de WB, is een eerste probleem dat heel vaak de lokale bedrijven de capaciteit niet hebben voor de benodigde werken, of dat het hen ontbreekt aan de bij het project gevraagde expertise (denk aan de bouw van een kerncentrale). Deels voor deze reden worden veel van dergelijke projecten in partnerschap met multinationale ondernemingen aangegaan. Adviezen worden gevraagd aan de consultants van de grote consulting-firma's in de wereld, ontwerpen komen van de grote architecten bureaus in de wereld, fundamentele constructiewerken worden door de grote internationale aannemers gedaan, et cetera. Dit betekent dat veel van het geleende geld dus niet uitgegeven wordt in het lenende land zelf, maar in andere landen. Het gevolg hiervan is dat wat altijd wordt beweerd, zijnde dat enkel de investeringen van het project de economie van het land reeds een impuls zullen geven doordat de uitgaven andere industrieën zullen begunstigen, in werkelijkheid maar voor slechts een klein deel waarheid is. Want vooral bij grote projecten wordt het meeste geld uitgegeven buiten het land. Het zijn dan ook de economieën van de westerse landen die het meest baat hebben bij de grote WB projecten, omdat het hun ondernemingen zijn die hier hoofdzakelijk bij betrokken worden. Voor de multinationale westerse ondernemingen is betrokkenheid bij de WB projecten in de Derde Wereld een bonanza, een stroom van zekere inkomsten. De reden hiervoor is het bestaan van zogenaamde exportkredietmaatschappijen (EKM), zoals Im-Ex in de Verenigde Staten; ECGD in Groot-Brittannië; Hermes Guarantee in Duitsland en COFACE in Frankrijk. EKM's zijn instellingen opgericht door de overheid van hun land, en die als taak kennen "het verwerven en verzekeren van opdrachten in het buitenland voor het nationale bedrijfsleven". Het zijn met andere woorden instellingen die actief lobbyen om ervoor te zorgen dat ondernemingen uit hun land betrokken worden bij grote WB projecten. Maar hiernaast proberen de EKM's deelname aan deze projecten zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor de ondernemingen die zij representeren. Normaal gesproken is een onderneming kritisch wanneer haar deelname aan een project met een waarde van miljoenen wordt voorgesteld, en stelt zij voor zichzelf altijd eerst vragen als "is het project wel realiseerbaar of niet?", "valt de regering van het aanbestedende land wel te vertrouwen of niet?", of "zal het project wel genoeg geld genereren om de betaling voor de geleverde werken te kunnen doen?". Immers, indien een van deze vragen negatief moet worden beantwoord, dan is de kans groot dat de onderneming ondanks haar werk geen geld zal krijgen. Zakendoen in de landen van de Derde Wereld is daarom uiterst riskant, omdat bijna altijd de overheden inderdaad uiterst corrupt zijn, enkel geïnteresseerd in wat hun eigen zakken invloeit en niet in het nakomen van afspraken of verantwoordelijkheden: niet in de richting van de volkeren die zij zouden moeten representeren en niet in de richting van de ondernemingen met wie zij als vertegenwoordigers van hun land zaken doen. Westerse multinationals zouden zich dus een probleem gerealiseerd hebben wanneer zij deelname aan WB projecten in de Derde Wereld zouden overdenken op de manier zoals ze dit normaal gesproken doen, omdat finalisatie van de grootse plannen veelal hoogst onzeker is en betaling voor de geleverde werken door de aanbestedende overheid vaak nog veel meer. Maar, in hun pogingen de projecten zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor de ondernemingen die zij representeren, maken de EKM's de zaken hier anders. De EKM's, namelijk, verzekeren de werken gedaan door ondernemingen uit het land dat zij vertegenwoordigen. Wanneer een onderneming dus een contract afsluit in een Derde Wereldland, dan verzekert de EKM van het land van de onderneming de betaling van dit contract. Betaalt het Derde Wereldland om enige reden niet, dan krijg de onderneming toch haar geld want van de EKM. De EKM zal dan wel proberen alsnog geld te krijgen van het land dat de werken had aanbesteed. Voor deze reden benaderen ondernemingen de WB projecten niet zoals zij andere projecten benaderen. Bij WB projecten stelt geen van hen de vragen die zij eigenlijk gewoon zijn te stellen, de vragen "is het project wel realiseerbaar of niet?", "valt de regering van het aanbestedende land wel te vertrouwen of niet?", of "zal het project wel genoeg geld genereren om de betaling voor de geleverde werken te kunnen doen?". Vanwege het bestaan van de EKM's maakt dit de westerse multinationals bij projecten gefinancierd door de WB allemaal niets uit. Het is voor ondernemingen in geval van WB projecten irrelevant of het project meest waarschijnlijk niet voldoende geld zal opbrengen, of dat het project meest waarschijnlijk nooit afgerond zal kunnen worden, of dat het geld van de WB meest waarschijnlijk niet voor de betaling van het project gebruikt zal worden maar in de zakken van corrupte politici en hun familieleden zal verdwijnen. Want omdat het een WB project is zal de Amerikaanse onderneming toch wel betaald krijgen al is het mogelijk van Im-Ex; de Britse onderneming van EGCD; de Duitse onderneming van Hermes Guarantee, de Franse onderneming van COFACE, et cetera. En hoewel dit ingaat tegen wat het verstand zou verwachten, zijn projecten in de Derde Wereld voor de westerse multinationale ondernemingen dus eigenlijk het beste dan hen kan overkomen, want enkel bij WB projecten krijgen zij sowieso betaalt! Voor deze reden staan de westerse multinationals in de rij om de werken uit te voeren, eenmaal een Derde Wereldland met de WB een lening overeenkomt. Het resultaat hiervan, echter, is dat met WB geld de meest krankzinnige projecten gestart kunnen worden, omdat bij WB projecten niemand zich bekommert om de corruptie van de regeerders van het lenende land of om het bestaan van een economische rechtvaardiging voor het project. Voor precies deze redenen werd ondermeer in Azië op aandringen van de WB een kerncentrale gebouwd door westerse multinationals, die nog nooit een dag gewerkt heeft omdat de bouw werd gebaseerd op een ontwerp dat nooit getest was geworden (de Filippijnen). En gelukkig maar, want in een gebied dat regelmatig door aardbevingen getroffen wordt. In Afrika werd op aandringen van de WB bijvoorbeeld door westerse multinationals een hoogoven gebouwd voor de productie van staal die nog nooit een dag gewerkt heeft, want in een land dat zelf geen ijzererts heeft en ook geen havens om buitenlands ijzererts in aan te voeren (Togo). En elders in Afrika werd door haar president de WB lening van 300 miljoen dollar gebruikt om in zijn geboortestad van 100.000 mensen een kerk te bouwen in een exacte kopie van de Sint Pieter in Rome, in een land waar de meeste mensen iedere dag moeten vechten tegen verhongering en waar nog niet 7% van de bevolking katholiek is (President Felix Houphouet- Boigny van Ivoorkust). Enkel onderhoud van het gebouw kost de staat nu anderhalf miljoen dollar per jaar, in dit straatarme land. Bij al deze voorbeelden is het resultaat hetzelfde. Door geld te lenen van de WB is een project gestart dat uiteindelijk niets heeft gebracht voor het lenende land. Het geleende geld is soms uitgegeven aan westerse multinationals, maar veel vaker gewoonweg "verdwenen" in de zaken van corrupte politici of lokale criminelen. En omdat het project ofwel nooit is afgerond, ofwel gewoon een slecht idee was zonder dat iemand dit belangrijk achtte, zal het geleende geld nooit iets opbrengen. Dus als zij geluk heeft dan rest voor het land aan het eind van het project een schuld bij de WB, zonder dat mensen in het land met de lening iets opgeschoten zijn. Indien het land iets minder geluk heeft en wat meer corrupte bestuurders kent, dan rest haar een schuld bij de WB en een schuld bij de EKM's, zonder dat mensen in het land met de lening iets opgeschoten zijn. Het Derde Wereldland begon dus met armoede, is onder de noemer "bestrijding van armoede" een samenwerking aangegaan met de WB, maar kent na het WB project enkel nog grotere armoede omdat het voortaan rente en aflossingen moet betalen op de gecreëerde schuld (in het geval van de Filippijnen en hun niet werkenden kerncentrale 170.000 dollar per dag). Maar buiten deze zuiver economisch / financiële problematiek die resulteert van de projecten gefinancierd door de WB, zijn dezen ook vanuit menselijk perspectief vaak en veelal desastreus. De WB-projecten voor landbouw behelzen vooral ontbossing om nieuwe landbouwgronden te creëren, die dan beplant kunnen worden met gewassen waar vraag naar is in de westerse landen. Maar de ontbossing op de schaal zoals geëist door de WB (zo goed als geheel Nepal is in een project van de WB ontbost) maakt de leefomgeving van de mensen kapot, en werkt overstromingen en bodemerosie in de hand. En omdat de lokale boeren veelal geen ervaring hebben met de voor hen vreemde producten die de WB eist dat vervolgens verbouwd worden op de nieuw gewonnen landbouwgrond, voor export naar de markten van de rijke westerse landen, mislukken de oogsten vaker dan dat zij lukken. Eenmaal mislukt rest de lokale bevolking dan helemaal niets want zij zijn door het project van de WB in hun bestaan afhankelijk gemaakt van de export van de nieuwe landbouwproducten. Ze hebben de verbouwing van de lokale producten waar ze bekend mee zijn moeten verlaten, en ze hebben geld moeten lenen om van westerse bedrijven de zaden te kunnen kopen voor de producten die de WB van hen verwacht. De opbrengst die resulteert uit de export moet zowel de afbetaling en rentebetaling op deze schuld dekken, als de aankoop van nieuw zaad voor een nieuwe oogst omdat de westerse leveranciers van zaden niet toestaan dat het zaad dat de verbouwde gewassen van nature voortbrengen wordt hergebruikt. Bovendien moet de opbrengst van de export het leven van de boeren en hun gezinnen financieren. De ramp die resulteert wanneer de opbrengst van de oogst dan een keer niet is als gehoopt, is dan ook overduidelijk. Afbetaling en rente op de schuld moeten als eerste betaald worden. Van wat er dan nog over blijft kan de boer ofwel nieuw zaad kopen in de hoop dat volgend jaar meer verdiend wordt, ofwel geen nieuw zaad kopen om te proberen het gezin in leven te houden. Een mislukte oogst drijft de mensen dan ook in een armoede waaraan geen ontsnappen meer mogelijk is. De crisis van Kameroen ("La Crise"), een van Afrika's meest vruchtbare gebieden, is op precies deze wijze tot stand gekomen. Onder aansporen van de WB werd geleend geld uitgegeven om de landbouw om te vormen tot in het teken van de productie van goederen voor export. Westerse adviseurs stroomden het land in om het project te "managen", bossen werden omgekapt door westerse ondernemingen om wegen voor transport aan te leggen, dorpen werden verplaatst, boeren werd door westerse consultants verteld wat ze moesten gaan verbouwen en hoe, en de WB miljoenen vloeiden zo het land weer uit naar de zakken van de westerse bedrijven die het project leidden. Maar omdat de wegen maar niet afgeraakten; en omdat de oogsten bleven mislukken omdat de boeren onbekend waren met de nieuwe gewassen; en omdat de prijs voor de verbouwde gewassen daalde op de wereldmarkt omdat zoveel andere landen onder druk van de WB dezelfde producten voor export naar Europa gingen verbouwen, daalde het inkomen van de meeste mensen in Kameroen in minder dan 20 jaar tijd met 40 tot 60 procent. Het zo vruchtbare Kameroen betaalt daarom vandaag de dag meer dan de helft van haar inkomen aan rente en aflossing op schuld, en het kan niet langer in haar eigen voedselvoorziening voorzien omdat haar landbouwsector kapot is gegaan. In vergelijking met de situatie voor het WB project heeft het land nu dus twee additionele verplichtingen - het moet nu geld gebruiken om in het buitenland eten te kopen en het moet nu geld gebruiken voor aflossing en rente op de WB schuld - en een verwoeste economie. Het volk van Kameroen, dat van het land werd verdreven om plaats te maken voor grote "efficiënte" boerenbedrijven, leeft nu in sloppenwijken in de stad, door armoede nog maar zelden in staat om één maaltijd per dag te nuttigen. In Indonesië betrof een WB project de gedwongen verhuizing van enkele miljoenen mensen weg van het centrale eiland Java naar de meer dunbevolkte eilanden tegen de grens van het land, zoals Borneo. De WB verklaarde vol trots dat het hier "het grootste vrijwillige verhuizings project ooit" betrof dat het land op weg zou brengen naar "reductie van armoede en werkeloosheid". De realiteit was dat door de corrupte dictator Soeharto mensen in Java van straat werden geplukt, tegen hun wil getrouwd met anderen die net als hen "vrijwillig" gingen verhuizen (want enkel getrouwde mensen mochten verhuizen, zo was de afspraak met de WB), en op de boot gezet. Zo kreeg het regime Soeharto haar geld van de WB. Tegelijkertijd werden bossen op de andere eilanden massaal gekapt en werd de oorspronkelijke bevolking daar verjaagd om plaats te maken voor de komende Javanen. Zo heeft dit WB verhuis project bijzonder veel schade toegebracht aan de flora en fauna van Indonesië, de levens van miljoenen mensen verwoest en door de gedwongen verplaatsing van inheemse volkeren om plaats te maken voor Javanen op veel eilanden een demografische situatie geschapen die ieder moment kan ontploffen. Aan welvaart echter, reductie van armoede en werkeloosheid, niets. Kritiek op globalisatie - de praktijk van het IMF
Wanneer landen dan in de problemen komen omdat hun economie verwoest is en zij de aflossing en rente verschuldigd aan de WB en de EKM's niet langer kunnen opbrengen, dan schiet het IMF in actie. Zij biedt de landen in de problemen dan additionele leningen aan om daarmee de aflossing en rente te kunnen betalen. Zoals eerder besproken (in deel 2 van Analyse en beoordeling van globalisatie) is dit aanbod voorwaardelijk, omdat het land dat wil lenen van het IMF het beheer over haar economie over moeten dragen aan het IMF. Maar de Washington Consensus die het IMF dan aan de van haar lenende landen oplegt, kent voor ieder succesverhaal zeker tien mislukkingen. Ongeacht het land in crisis, ongeacht de details van de bestaande ordening van de economie van het land in crisis, en ongeacht de oorzaak voor het probleem van het land in crisis, stelt het IMF altijd dat enkel indien de markt vrij gemaakt wordt van overheidsinvloeden en volledig geïntegreerd in de "global economy", de crisis bezworen kan worden. De introductie van het Structureel Aanpassings Programma (SAP) conform de Washington Consensus resulteert daarom altijd in opening van de grenzen van het land voor onbeperkte import en export van goederen; opening van de grenzen van het land voor vrij verkeer van kapitaal; verlaging danwel beëindiging van overheidsuitgaven aan onderwijs en ziekenzorg, om verlaging van de belastingen op bedrijven mogelijk te maken; en privatisering van al de staatsbedrijven. Een analyse van het resultaat van al die gevallen waar het IMF een SAP ten uitvoer heeft gebracht, laat zien dat in feitelijk al deze gevallen het directe resultaat van het beleid verdere armoede voor het grootste deel van de bevolking van het land is. De reden hiervoor is heel eenvoudig: juist op het moment dat het crisis is, dat veel mensen hun baan verliezen of moeite hebben hun bedrijf draaiende te houden, worden de overheidsuitgaven aan primaire goederen en diensten zoals subsidies op voedsel en verwarming, uitkeringen, lonen voor ambtenaren en pensioenen, sterk gereduceerd; en worden allerhande overheidsprojecten stopgezet om geld te besparen. De mensen die door de crisis al grote problemen kennen om te overleven worden daardoor op last van het IMF geconfronteerd met enerzijds een sterke stijging van de kost van leven (voedsel, electriciteit en water steeg in verscheidene voorbeelden met 100 tot 500 procent) en anderzijds een sterke afname in het besteedbaar inkomen. Wat een ander effect van de SAP genoemd kan worden, maar dat feitelijk het resultaat van bovenstaande is, is dat door het IMF beleid de crisis erger gemaakt wordt. De vraag naar goederen en diensten in de economie neemt sterk af doordat de mensen de waarde van hun inkomens achteruit zien lopen doordat alles duurder wordt, en doordat vele mensen door bezuinigingen op uitkeringen en dergelijke een lager inkomen krijgen, en doordat vele mensen ten gevolge van de crisis hun baan verliezen. Het resultaat hiervan is dat aan het einde hiervan vele werkgevers hun arbeiders moeten ontslaan, simpelweg omdat er geen klanten meer zijn want niemand heeft nog geld. En zo begint dit proces weer van voren af aan: nog minder mensen die geld te besteden hebben, minder uitgaven, bedrijven sluiten omdat naar hun producten geen vraag meer is, mensen verliezen hun baan, nog minder mensen die geld te besteden hebben, et cetera. Zo duwt de SAP het land feitelijk verder in crisis. Zo steeg begin 21e eeuw ten gevolge van dit beleid van het IMF, de armoede in Argentinië - eens het rijkste land van Latijns Amerika en welvarender dan Zwitserland - zo sterk dat uiteindelijk meer dan de helft van de bevolking niet langer genoeg geld had voor voedsel, en 2 op 3 kinderen ondervoedt raakten. En deze pijn voor de bevolking resulteert altijd bij IMF interventies. Zo vaak dat dit resultaat van het IMF beleid gepresenteerd wordt als een "noodzakelijk kwaad". Beweerd wordt dat naarmate de aanpassing van de economie van het land sneller is, de initiële pijn inderdaad heviger zal zijn maar ook korter van duur. Des te sneller de economie aangepast wordt tot in lijn met wat globalisatie vereist, des te sneller zal een periode van economische bloei resulteren, wordt gezegd. Echter, de realiteit is dramatisch anders. Zoals al gezegd, door de bezuinigingen van de overheid daalt het besteedbaar inkomen van de mensen in het land sterk. Men heeft minder te besteden, koopt daarom minder, ten gevolge waarvan vele mensen hun werk verliezen. Dit op zichzelf maakt de crisis reeds heviger. Maar hierbovenop, door het openen van de grenzen voor vrij verkeer van kapitaal vlucht juist een groot deel van het kapitaal het land uit en wordt overgebracht naar plaatsen die niet door de crisis getroffen zijn. Dit kapitaal wordt dus niet langer besteed in het land, bedrijven in het land profiteren dus niet langer van dit kapitaal in de vorm van vraag naar hun producten, waardoor de crisis nog een extra zet krijgt. En verder, door het plotseling openen van de grenzen voor vrij verkeer van goederen overstromen grote buitenlandse ondernemingen vanuit het niets met hun producten uit massaproductie de lokale markt, bieden dezen tegen prijzen aan lager dan de kostprijs. Dit, omdat zij weten dat de lokale producenten dan failliet zullen gaan, waarna men dan de markt volledig over kan nemen en de prijzen weer kan laten stijgen tot de gewenste hoogte. Maar waar de lokale bedrijven kapot gaan, daar verliest de bevolking haar werk en inkomen, en zo wordt de crisis alsmaar erger. Vervolgens worden de staatsbedrijven - de watervoorziening, de elektriciteitsvoorziening, telecombedrijven, et cetera - geprivatiseerd. In het land is geen geld meer, en ten gevolge hiervan in combinatie met corruptie worden deze bedrijven dan ook bijna altijd voor een appel en een ei verkocht aan voornamelijk westerse multinationals. Eenmaal deze praktische monopoliën in hun handen zijn, worden prijzen drastisch verhoogd met soms honderden procenten ineens om de bedrijven zo winstgevend mogelijk te maken voor hun nieuwe westerse eigenaars. De mensen houden nu nog minder geld over voor uitgaven, omdat de primaire dingen die zij moeten kopen zo duur geworden zijn. En waar eens de opbrengst van staatsbedrijven door de staat weer uitgegeven werd in het land, daar verdwijnt deze opbrengst nu naar het buitenland. Met andere woorden, het geld dat rondgaat in de economie neemt nog meer af, waardoor de crisis verder verzwaart. Zo is het mechanisme van de Washington Consensus, het zogenaamde noodzakelijk kwaad dat het land moet doorstaan volgens het IMF om vervolgens terug te kunnen geraken op de weg naar vooruitgang en welvaart. Door armoede onder de mensen te vergroten daalt de vraag naar producten tot een dieptepunt. Handel vindt niet meer plaats, geld gaat niet meer van hand naar hand. Mensen verliezen hun baan, bedrijven sluiten, waardoor mensen nog minder geld te besteden hebben en de handel nog slechter wordt. Wanneer de mensen dan kopen zijn het ofwel producten die geïmporteerd zijn, ofwel producten van lokale bedrijven die nu in handen zijn van buitenlanders. Maar, waar is dan de welvaart die door het IMF met haar de Washington Consensus tot stand is gebracht? Ten tijde van de Azië crisis (1997) volgde Indonesië vanaf 1998 slaafs tot op de letter het door het IMF voorgeschreven beleid. De economie kromp met vele procenten en miljoenen mensen verdwenen in armoede, precies zoals altijd plaatsvindt bij introductie van een SAP. De buitenlandse schuldeisers zijn afbetalingen en rente altijd betaald geworden want de overheid heeft op last van het IMF door bezuinigingen op onderwijs en subsidies voor brandstof ervoor gezorgd dat hiervoor altijd voldoende geld beschikbaar was. Staatsbedrijven zijn geprivatiseerd, de grenzen zijn geopend voor goederen en kapitaal, waardoor al met al de aanwezigheid van westerse bedrijven is sterk toegenomen. Op haar beurt zijn ten gevolge van dit alles de prijzen voor producten veelal verdubbeld tot verdriedubbeld. Ook al is het volk van Indonesië vandaag de dag nog altijd armer dan zij was voor de crisis van 1997, in 2005 groeide de economie van Indonesië met 6%. Een succesverhaal dus, volgens het IMF, want is de 6% niet meer dan twee maal zoveel als het gemiddelde groeipercentage in Europa? Indonesië is, zo doet men geloven, nog altijd armer dan voorheen maar nu tenminste onderweg naar welvaart, en alles dankzij het IMF beleid. Maleisië, echter, buurland van Indonesië, weigerde met het IMF in zee te gaan. Dit land sloot de grenzen voor goederen en stond niet toe dat kapitaal het land verliet toen de crisis zich voordeed - het kapitaal moest gebruikt blijven worden in Maleisië. En het weigerde om op de overheidsuitgaven te korten, het verhoogde juist de overheidsuitgaven in een poging de handel in het land weer op gang te krijgen. Dus in plaats van de armoede onder het volk te verergeren om ervoor te zorgen dat de internationale crediteuren ondanks alles toch hun afbetaling en rente zouden krijgen, zoals Indonesië deed omdat het IMF dit bepaalde, betaalde Maleisië afbetaling en rente aan haar internationale crediteuren gewoon niet of later. Dit, tot woede van het IMF die Maleisië een ondergang voorspelde. Maar, de economie van het Maleisië dat zich niet structureel liet aanpassen door het IMF groeide in 2005 net zoals Indonesië met 6%. Het enigste verschil tussen beide landen is dat ten tijde van de Azië crisis de economie van Indonesië met 13.5% kromp in 1997 alleen al, onder invloed van het IMF beleid, terwijl in het Maleisië zonder IMF de economie kromp met minder dan de helft, 6.5%. Dus Indonesië met IMF beleid groeit nu niets sneller dan Maleisië zonder IMF, maar is initieel wel veel armer geworden dan Maleisië. Daar komt natuurlijk nog bij dat vandaag de dag Indonesië jaarlijkse 13 miljard Amerikaanse dollar - 8 maal wat Indonesië besteed aan onderwijs - betaalt aan rente en aflossing op de leningen van het IMF, wat Maleisië niet hoeft te doen... En ander voorbeeld van waar het noodzakelijk kwaad van het IMF beleid toe kan leiden, zonder dat hier iets van opbrengst tegenover staat, is Rusland. Dit land maakte na de ondergang van het communisme kennis met het IMF. De bijna 80 jaren van overheidscontrole over prijzen ten tijde van het communisme werd aan het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw direct door het IMF afgeschaft. Er werd direct massaal geprivatiseerd, en feitelijk geheel de economie van Rusland ging voor bijna niets over in de handen van een kleine groep criminelen die dicht bij het centrum van de macht in Moskou / Washington stonden. Want er bestonden op het moment van privatisering nog geen wetten in Rusland die het onderwerp privaat bezit behandelden, omdat onder het communisme voor 80 jaar geen privaat bezit was geweest. En waar deze wetten bestonden, daar bestonden geen rechtbanken waar de mensen konden gaan om hun recht op te eisen. Dus ging het bezit over op degenen die het meest corrupt waren, die het meest misdadig waren, en die het meest gewelddadig waren. Want wie hield hen tegen? Zo werd 's lands grootste oliemaatschappij, Yukos, welke tegenwoordig zo'n 40 miljard dollar waard is, verkocht voor 320 miljoen dollar. Omdat er nog geen concurrentie bestond in Rusland (ten tijde van het communisme bestond voor ieder product maar één fabriek) kregen de kopers van deze fabrieken veelal monopoliën in hun handen. Met vrijheid van prijszetting steeg hierdoor de inflatie tot 520 procent in de eerste drie maanden na introductie van de SAP in Rusland, omdat in afwezigheid van concurrentie de nieuwe eigenaars van de fabrieken die produceerden wat de mensen echt nodig hadden konden vragen wat zij wilden. Lonen, pensioenen en uitkeringen die allemaal niet mee stegen met de prijzen, werden hierdoor op slag waardeloos. Het resultaat: het aantal mensen in armoede steeg in 10 jaar tijd van 2 miljoen naar 60 miljoen; de bevolking in Rusland daalde door een enorme stijging in sterfte, onder invloed van armoede; de levensverwachting voor mannen nam af van 65 jaar bij geboorte tot nog maar 57 jaar bij geboorte; en de economie kromp met 40 (!) procent. 16 jaar duurt nu al het "noodzakelijk kwaad" dat hoort bij de structurele aanpassing die het IMF vereist, en Rusland is nog steeds niet eens teruggekeerd tot het niveau van welvaart dat zij had in 1988. Kritiek op globalisatie - de theorie
De WB trekt dus de Derde Wereld in de richting van globalisatie, door met leningen en de kans op een beter bestaan de Derde Wereld te lokken naar verandering van de economie naar in overeenstemming met de ideeën van kapitalisme. En het duwt de Derde Wereld in de richting van globalisatie, door in geval van crisis en ellende leningen beschikbaar te stellen op voorwaarde van verandering van de economie naar in overeenstemming met de ideeën van kapitalisme. Maar, armoede resulteert daar waar beiden zeggen dat de economische theorie waarop ze zich baseren, de theorie van David Ricardo, welvaart en rijkdom voor voorspelt (zie figuur 5). ________________________________________ Figuur 5:
 De doorgetrokken lijn geeft de economische groei (linker as) in de Derde Wereld weer over de laatste decennia. De onderbroken lijn geeft de jaarlijkse leningen van IMF / WB (rechter as) weer over de laatste decennia. Economische groei in de Derde Wereld is het hoogst in het decennium dat de jaarlijkse leningen bij de WB / het IMF het laagst zijn (1970), terwijl de economische groei het laagst is in het decennium dat de leningen bij de WB / het IMF het hoogst zijn (1990). De figuur toont daarmee aan dat met de stijging van invloed van IMF / WB, de economische groei van de Derde Wereld is afgenomen. ________________________________________ De reden hiervoor moet, zoals in het bovenstaande uiteengezet is, deels gezocht worden in de problemen betreffende de praktijk van beide instellingen. Maar, ook moet een deel van de armoede die resulteert in de Derde Wereld ten gevolge van het beleid van de WB en het IMF, bijgeschreven worden op het conto van onjuistheden in de theoretische basis waarop beiden zich baseren. Ricardo baseert zich bij zijn theorie op een wereld waar maar twee goederen bestaan, waar ieder mens beide goederen nodig heeft, en waar de productiefactoren - de fabrieken, de machine, de mensen, in het kort het kapitaal van het land - niet verplaatsbaar zijn. Verder baseert de theorie van Ricardo zich op de aanname dat geen enkel individueel land alles kan produceren dat al de landen tezamen nodig hebben, en dat al de overige productiefactoren te allen tijde volledig benut zullen worden omdat enkel zo de benodigde productie gerealiseerd kan worden, ten gevolge waarvan al de mensen altijd werk zullen hebben. In een wereld zoals deze kunnen de twee landen op een van twee manieren met elkaar omgaan. De eerste is dat men elkaars bestaan negeert, en er dus geen internationale handel bestaat, ten gevolge waarvan alles dat het land nodig heeft door de industrie in het land zelf geproduceerd moet worden; ongeacht of dit nu makkelijk of moeizaam gaat. De tweede mogelijkheid is handel tussen beide landen. Ieder land kan er dan nog steeds voor kiezen alles zelf te produceren dat het volk nodig heeft, maar het land kan er nu ook voor kiezen enkel het goed te produceren dat men het makkelijkst kan produceren. Men zou dan weliswaar van dit ene goed veel meer produceren dan in het land zelf nodig is en van het andere goed niets en dus veel te weinig, maar men zou het overschot van het ene goed kunnen ruilen voor het andere goed uit het andere land en zo toch alles in bezit krijgen dat nodig is. Intuïtief ziet men in dat in deze wereld van twee landen, twee producten, en een vraag naar producten die gelijk is aan maximale productie in de wereld, handel te prefereren valt boven niet handelen. In de wereld van Ricardo zal bij afwezigheid van handel iedereen werk hebben. Maar bij de afwezigheid van handel moet ieder land ten minste een deel van haar kapitaal inzetten voor de productie van het goed waar zij het minst goed in is. Bij de beschikbaarheid van handel, daarentegen, heeft nog steeds iedereen werk maar hoeven de landen geen tijd te besteden aan de productie van het product waar men het minst goed in is. Bij handel zou ieder land zich kunnen specialiseren in en concentreren op de productie van het goed waar zij het best in is. Als men de totale productie bij beide mogelijkheden zou vergelijken, dan is begrijpelijk dat het meest geproduceerd zal worden wanneer iedereen zijn tijd besteed aan enkel de productie van het goed waar men het best in is. En dus zal in de wereld van Ricardo bij handel het maximum aan producten beschikbaar zijn, en daardoor tegen de minimale prijs. En ieder land produceert dan misschien niet alles zelf, maar kan toch door handel uit deze maximale voorraad verkrijgen wat men nodig heeft. Dit is in een notendop de argumentatie van Ricardo achter de stelling dat handel altijd goed is . Dat de wereld van Ricardo's theorie anders is dan onze wereld waar de mens werkelijk in leeft, de realiteit die mede onder invloed van de Bretton Woods zusters geschapen is, is duidelijk. Wat van belang is, is dat dit verschil zich niet beperkt tot enkel complexiteit. Iedere economische theorie is gebaseerd op een model van de werkelijkheid, en ieder model is altijd een vereenvoudig van de complexe realiteit, want een model kijkt enkel naar hoofdzaken in de complexe realiteit en negeert al het overige. Dit is bij de theorie van Ricardo niet anders, zij is een vereenvoudiging van de realiteit. Dat Ricardo zijn model bouwt op een beschouwing van slechts twee producten, twee landen in de wereld, een vraag naar producten die volledige benutting van de productiefactoren vereist en uitgaat van onverplaatsbare productiefactoren, vormt in zichzelf geen probleem. Echter, het feit dat juist de hoofdzaken waar Ricardo zich op richt in de huidige realiteit anders zijn dan Ricardo in zijn theorie heeft aangenomen, dat is een probleem. Bijvoorbeeld, in Ricardo's wereld heeft iedereen altijd werk, maar geen van de westerse landen kan claimen altijd werk voor iedere burger gehad te hebben. Sporadische en korte perioden zoals ten tijde van de naoorlogse reconstructie daargelaten, hebben al de westerse landen te maken met een structureel werkloosheidsprobleem. In werkelijkheid is dus niet voor alle mensen altijd een baan beschikbaar. Verder, volgens de theorie van Ricardo is geen van de landen in zijn wereld in staat de productie voor beide tezamen landen te verzorgen. Maar ook dit is in werkelijkheid anders, bij het bestaan van grote industriële landen en kleine industriële landen. Denk aan China, dat wel degelijk in staat is te produceren al wat bijvoorbeeld het Emiraat Brunei nodig heeft. Dus in de werkelijke wereld is het wel mogelijk dat in Brunei niets gedaan wordt met de daar beschikbare productiemiddelen, en dat toch alles dat Brunei aan producten nodig heeft beschikbaar is. Deze overduidelijke verschillen tussen het model van theorie en de realiteit doen de mens al inzien dat de theorie meest waarschijnlijk niet bruikbaar is voor de realiteit. Deze observatie, het fundamentele verschil tussen de realiteit en het model waarop het IMF en de WB zich zeggen te baseren, vormt het eerste punt van kritiek op het IMF en de WB vanuit theoretisch perspectief. Wanneer een theorie gebaseerd is op een model dat op fundamentele punten afwijkt van de realiteit, dan kan deze theorie onmogelijk juiste en beargumenteerde verklaringen bieden voor hetgeen men waar kan nemen in de realiteit, laat staan voorspellingen doen betreffende de realiteit. Ter illustratie van dit punt, met een model dat zich baseert op een land in de Sahara-woestijn zou een theorie geformuleerd kunnen worden die beargumenteert dat een toename in de beschikbaarheid van water goed zou zijn voor de welvaart. Maar het is toch volkomen duidelijk dat deze theorie, hoe juist zij ook moge zijn, niet gebruikt kan worden voor een land als Bangladesh, dat immers in plaats van een tekort aan water veel eerder te kampen heeft met een overschot aan water! Omdat de realiteit van Bangladesh fundamenteel verschilt van het model van de theorie, is de theorie waardeloos voor Bangladesh. Ditzelfde geldt voor de theorie van Ricardo: hoe juist deze ook moge zijn, er is voor haar geen plaats in de huidige wereld omdat haar fundamenten niet overeenstemmen met de realiteit van nu. Derhalve is het eerste punt van kritiek op het IMF en de WB vanuit theoretisch perspectief, dat beiden zeggen zich te baseren op een theorie die niet past bij de realiteit. Maar dan is het belangrijkste verschil tussen het model van Ricardo en de werkelijke situatie van vandaag de dag nog niet genoemd. In de echte wereld, namelijk, zijn de productiefactoren niet gebonden aan het land waar ze zich bevinden, terwijl in de wereld van Ricardo de productiefactoren niet van land naar land verplaatst konden worden. Onder invloed van globalisatie kan men tegenwoordig heel eenvoudig geld in een kwestie van seconden overbrengen van de ene naar de andere kant van de wereld, waardoor men effectief fabrieken kan sluiten in het ene land om dezen weer op te bouwen in een ander land. Op deze manier beschouwt zijn fabrieken en machines niet langer immobiel zoals in de tijd van Ricardo en in zijn model, maar juist super mobiel. Wat dit precies betekent voor het resultaat van het beleid van het IMF en de WB, kan men heel eenvoudig beargumenteren. Het helpt om hierbij kort terug te keren naar het voorbeeld uit deel 1 van Analyse en beoordeling van globalisatie. In het aangedragen voorbeeld van Finland en Indonesië was Finland absoluut beter dan Indonesië in de productie van zoetwater vis, en Indonesië absoluut beter dan Finland in de productie van mango's. Handel was daarom voor beiden van waarde, werd beargumenteerd. Geen land zou bij handel tijd of kapitaal hoeven spenderen aan de productie van het product dat voor haar maar heel moeilijk te produceren was. Ieder land zou zich kunnen concentreren op de productie van hetgeen het land het best in is, om vervolgens te ruilen. Zo zou productie gemaximaliseerd worden, en zouden beide producten dus tegen de laagst mogelijk prijs beschikbaar zijn voor de mensen. Het tweede voorbeeld keek naar Finland en Kongo, waarbij gesteld werd dat Kongo zowel beter vis kon produceren dan Finland, als beter mango's kon produceren dan Finland. Bij het model van Ricardo zou zelfs in deze situatie handel voordelig zijn voor beide landen, ook voor Finland. Ten gevolge van de aannames van het model van Ricardo - geen land kan alles voor beide landen produceren en de productiefactoren zijn immobiel - blijft immers iedereen in Finland werkzaam, en het enigste gevolg van de introductie van handel is dan ook wederom maximalisatie van de wereldproductie: Finland doet nog enkel de producten waar zijzelf het minst slecht in is, en verspilt dus geen tijd meer aan de productie waar zij nog slechter in is, en Kongo spendeert zoveel mogelijk aan tijd aan hetgeen zij het beste kan, omdat Finland al iets heeft geproduceerd van hetgeen Kongo iets minder goed kan. Door handel kan ieder land dan uit deze maximale productie krijgen wat het nodig heeft. Maar, wat resulteert in het voorbeeld van Finland en Kongo indien men de aanname dat de productiefactoren immobiel zijn zou veranderen? Wat zou resulteren, met andere woorden, in het voorbeeld van Finland en Kongo wanneer hun wereld is zoals de werkelijke wereld, en de productiefactoren dus verplaatst kunnen worden van het ene land naar het andere? Indien de productiefactoren van land naar land kunnen worden verplaatst, dan zouden de productiefactoren in Finland toch gek zijn om in Finland te produceren? Indien de productiefactoren zouden overstappen naar Kongo, dan zouden ze immers bij gelijke inspanning meer kunnen produceren en dus meer verdienen. In Kongo kon men immers zowel zoetwatervis als mango's eenvoudiger produceren dan in Finland. In Finland zou dan niets meer geproduceerd worden, en de mensen die niet mee overstappen van Finland naar Kongo - ofwel omdat zij niet willen, ofwel omdat zij ten gevolge van wetten niet kunnen - blijven dan zonder werk en dus zonder inkomen achter! In de echte geglobaliseerde wereld, derhalve, verplaatsen de productiefactoren zich naar de landen waar de opbrengst van productie het grootst is, om vanuit dat land te produceren hetgeen de wereld nodig heeft. En in deze wereld zijn open grenzen voor handel dus niet voor ieder land gunstig, want het land dat niet de beste lokatie voor productie is verliest bij open grenzen voor goederen en kapitaal dus alles. Bij een model dat uitgaat van mobiel kapitaal is de uitkomst van handel dus niet zo evident, en het wordt dan noodzakelijk om eerst de situatie van de landen te bestuderen alvorens men een specifiek land adviseert over het openstellen voor internationale handel, want handel is bij mobiel kapitaal niet altijd voor iedereen gunstig. De WB en het IMF gaan aan dit alles voorbij, negeren de realiteit en doen gewoon alsof het model van Ricardo tevens de realiteit is. En dit is het tweede punt van kritiek op het IMF en de WB vanuit theoretisch perspectief: bij mobiel kapitaal moet verwacht worden dat handel sommige landen armer zal doen worden, en dus klopt de bewering van de WB en het IMF niet dat bij handel iedereen altijd wint. Het derde punt van kritiek in deze context is de observatie dat het beleid van het IMF en de WB, hoewel beiden zeggen zich te baseren op Ricardo, ingaat tegen het model van Ricardo. Immers, Ricardo gaat uit van immobiele productiefactoren, terwijl het IMF en de WB hun clientèle dwingen tot het openen van grenzen voor kapitaal, oftewel mobiliteit van productiefactoren. Dus waar de theorie van Ricardo welvaart voorspelt in geval van handel op voorwaarde dat de productiefactoren immobiel zijn, daar nemen de WB en het IMF deze voorspelling ter rechtvaardiging van hun beleid terwijl met dit beleid ze proberen een wereld te creëren die volledig anders is dan de wereld in het model van Ricardo. Het beleid van de het IMF en de WB lijkt veel meer te resulteren uit de mercantilistische economische theorie dan uit de theorie van Ricardo. Het mercantilisme was in de periode 1500 - 1800 n.C. de dominante stroming binnen het Europese economisch denken, wat sterk in relatie stond met het bestaan van kolonialisme in Europa destijds. Al de natiestaten van enig aanzien beschikten over koloniën in de wereld, en het bezit van een kolonie was wat een natiestaat aanzien gaf. Groot-Brittannië (o.a. Pakistan, India en Bangladesh), Nederland (o.a. Indonesië), Portugal (o.a. Brazilië, Angola, Mozambique), Spanje (o.a. Midden- en Latijns-Amerika), Rusland (Kaukasus) en Frankrijk (o.a. Egypte, de Caribische eilanden) waren koloniale machten; Italië, Duitsland en België, eenmaal gevormd, deden hun uiterste best om koloniale naties te worden (Ethiopië, Namibië en Kongo respectievelijk). Het mercantilisme beargumenteerde dat voor welvaart in een land goud (geld) het land moest instromen in plaats van uitstromen, en met de vestiging van koloniën probeerden de Europese staten dit mogelijk te maken. Door Indonesië tot haar bezit te maken kon Nederland aan voor haar belangrijke grondstoffen komen zonder dat hiervoor geld het Koninkrijk uit hoefde te vloeien. Zij haalde uit Indonesië goedkope rubber en specerijen, door de lokale bevolking als slaven hieraan te laten werken. In Nederland werden deze grondstoffen vervolgens verwerkt tot eindproduct, om voor veel geld verkocht te worden terug aan de koloniën of aan andere Europese natiestaten. De relatie tussen Groot-Brittannië en haar koloniën, en al de andere koloniale staten en hun koloniën, was op dezelfde basis vorm gegeven. De koloniën leverden de grondstoffen voor verwerking tot eindproducten in het moederland. Het beleid van de WB heeft in feite eenzelfde relatie tussen landen tot gevolg. Al de WB projecten "dwingen" de Derde Wereldlanden om zich te richten op de export van grondstoffen voor westerse markten, het geld wordt nooit geleend voor projecten die werken aan de totstandbrenging van een verwerkingsindustrie. Onder invloed van de WB leggen de Afrikaanse landen zich toe op de productie van koffiebonen en van cacaobonen, om dezen te kunnen exporteren naar Europa en Amerika voor verwerking tot finale producten als koffie en chocola. Of ze leggen zich toe op de ontginning van natuurlijke mineralen - goud, ijzererts, katoen, koper, uranium, olie - om dezen te kunnen exporteren naar Europa en Amerika voor verwerking tot finale producten als elektriciteit, kleding, mobiele telefoons, machines, auto's, benzine, et cetera. Finale producten die men dus moet importeren uit de verwerkende landen, waar men dus de grondstoffen ervoor eerst geëxporteerd heeft. Het betekent in de praktijk dat in de Derde Wereldlanden de lokale kleine ondernemingen worden aangespoord zich te concentreren op de productie van de grondstoffen, welken dan door westerse ondernemingen worden opgekocht en door hen worden geëxporteerd, verwerkt tot eindprodukt en als eindproduct verkocht. Of het betekent dat de lokale kleine ondernemingen worden aangespoord zich te concentreren op het verlenen van diensten aan de westerse ondernemingen die de rechten hebben verkregen voor de ontginning van de natuurlijke mineralen als goud, uranium en olie. De lokale mensen halen het uit de grond, en de westerse ondernemingen exporteren het, verwerken het en verkopen het als finaal product. Hiernaast moet worden gezegd dat de WB projecten nooit gericht zijn op diversificatie van de economie van het clientèle, oftewel het opbouwen van verschillende industrieën ter productie van verschillende producten voor export. Integendeel, onder invloed van de WB wordt de volledige economie van het Derde Wereld land toegespitst op één of enkele producten. De kleine boeren en ondernemingen in één land werken allemaal aan hetzelfde product , die men vervolgens moet proberen te verkopen aan een van de paar verwerkende bedrijven uit het westen. Het probleem is dat dit geldt voor al de landen die een relatie onderhouden met de WB, dus niet enkel concurreren de lokale boeren in een land met elkaar, ze concurreren ook met kleine boeren en ondernemingen uit andere Derde Wereldlanden. Zo zorgt de WB er met haar financieringen voor dat de westerse landen ook in afwezigheid van direkte kolonisatie goedkoop hun grondstoffen kunnen verkrijgen, en een markt behouden voor export van de finale producten die zij produceren uit deze grondstoffen. De consequenties van IMF interventies zijn eerder al uiteengezet. In de praktijk leiden dezen ertoe dat de ondernemingen in het lenende land ofwel failliet gaan ten gevolge van de combinatie vrij verkeer van goederen (importen vervangen nationale productie) en vrij verkeer van kapitaal (kapitaalvlucht doet de vraag naar producten verder afnemen), ofwel overgenomen worden door westerse ondernemingen. Een beetje arbeid rest dan voor bevolking van het land, die nu tegen de laagst mogelijke lonen de producten vervaardigen die de westerse landen benodigen. Maar de winst die resulteert uit deze ondernemingen komt niet meer ten goede aan het land zelf, maar stroomt direct terug naar de landen van de westerse eigenaars. Dus ook hier geldt dat landen resulteren die afhankelijk zijn van westerse ondernemingen, en die goedkoop produceren voor de westerse ondernemingen, en die winst mogelijk maken voor westerse ondernemingen. Er valt dus veel te zeggen voor de stelling dat het beleid van de WB en het IMF eigenlijk mercantilistisch is en met de theorie van Ricardo niets van doen heeft, en dus primair ten doel heeft ervoor te zorgen dat de rijkdom van de wereld de paar (westerse) landen achter de WB en het IMF instroomt ten nadele van ieder ander. Conclusie: beoordeling van globalisatie
In 1970 kenden 's werelds armste landen omstreeks 25 miljard Amerikaanse dollar schuld. Sindsdien is door de Derde Wereld ongeveer 540 miljard dollar aan extra leningen aangegaan, waarop ondertussen al 550 miljard dollar aan rente en aflossing betaald is. Desalniettemin bedraagt de totale schuldpositie anno 2005 nog altijd 523 miljard Amerikaanse dollar. Enkel Nigeria leende in de jaren 80 van de vorige eeuw 5 miljard dollar. Het betaalde over tijd 16 miljard in aflossing en rente, maar daarna was haar openstaande schuld 23 miljard dollar. De schulden in de Derde Wereld blijven dus dramatisch stijgen, ook al worden miljarden aan aflossing en rente betaald. Tegelijkertijd is armoede in de wereld in zowel relatieve als absolute termen toegenomen. Niet enkel is het verschil tussen de rijken in de wereld en de armen in de wereld toegenomen, maar de armen van deze wereld zijn ook werkelijk armer geworden. In 1960 was het inkomen van 's werelds rijkste 20% van de mensen 30 maal zo hoog als dat van 's werelds armste 20% van de mensen. In 1995 was het verschil tussen de rijksten en armsten opgelopen was tot 82 maal zoveel voor de rijksten als voor de armsten. En de werelddelen die in 1970 het meest rijk waren zijn 30 jaar later ook de werelddelen waar de inkomens het meest gestegen zijn. Afrika, daarentegen, 's werelds armste werelddeel reeds in 1970, is als enigste in inkomen achteruit gegaan in de voorbij 25 jaar. In 1972 was het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in Afrika 546 Amerikaanse dollar per jaar, maar in 2002 was dit teruggelopen tot 450 dollar per jaar. Het resultaat hiervan is dat met de werkelijke intrede van globalisatie juist in de 50 armste landen de uitgaven aan onderwijs teruggelopen zijn in de periode 1980 - 1996, waar deze nog jaarlijks stegen in de periode 1960 - 1980; dat in vergelijking met de periode 1960 - 1980 juist in de 50 armste landen het percentage schoolgaande kinderen afgenomen is, omdat zij moeten helpen bij het in leven houden van het gezin; en dat juist in de 50 armste landen de levensverwachting verder afneemt. ________________________________________ Ik ken een kippenboer die een keer naar een medicijnman ging om advies te vragen. De medicijnman zei "bidt", en hij bidde maar zijn kippen bleven doorgaan met sterven. Daarop zei de medicijnman "verricht deze rituelen", en dat deed hij maar de kippen bleven doorgaan met sterven. De medicijnman gaf nog verschillende andere oplossingen, maar al de kippen stierven. Daarop ging de kippenboer vaan de medicijnman en de medicijnman zei: "hoe gaat het met je kippen". De boer zei: "ze zijn allen dood". De medicijnman zei: "Wat jammer, want ik had nog zoveel suggesties over hoe hen beter te maken". Precies zo is onze relatie met de Wereldbank en het IMF, zij zijn onze medicijnman. - Norbert Mao, parlementslid in Ghana ________________________________________ De feiten zijn dus eenduidig, en de conclusie moet dan ook zijn dat globalisatie niets heeft gedaan voor de armsten in de wereld, want sinds haar intrede heeft zij armoede en onwelzijn verergert. Niet zozeer is dit geresulteerd door fouten gemaakt door de WD en het IMF bij de ten uitvoer brenging van het beleid, zoals mensen soms beweren. Maar veel meer en veel eerder resulteert deze ellende voor een meerderheid van mensen in de wereld door het beleid van de WD en het IMF. Wanneer men dit beleid bestudeert, dan ziet men in dat dit niet resulteert uit de theorie van Ricardo maar uit het mercantilistisch denken van uit de koloniale tijd. Het is beleid dat erop geënt is de westerse ondernemingen ten koste van alles zoveel mogelijk te laten verdienen in de arme landen van de wereld. Beleid waardoor de voormalige koloniale staten de wereld een vorm van kolonialisme opleggen zonder dat direct het bestuur van andere landen wordt overgenomen - het zogenoemde neo-kolonialisme. In het bestuur van de Derde Wereld wordt niet langer direct ingegrepen door de westerse landen, maar door middel van de Bretton Woods zusters. Een economie wordt geschapen waardoor het land volkomen afhankelijk wordt gemaakt van de westerse landen. Onder de titel "hulp" wordt door de gezusters de economie van een land afhankelijk danwel kapotgemaakt, en "armoedebestrijding" betekent voor de gezusters het vullen van de zakken van westerse multinationale ondernemingen. En de aankondiging van schuldreductie voor de armste landen van de wereld is niet een argument tegen dit inzicht in de realiteit van globalisatie en de instellingen die globalisatie vooruit duwen in de wereld, maar juist een bevestiging van de juistheid van dit inzicht. De schuldkwijtschelding is namelijk wederom voorwaardelijk, en het aanbod geldt enkel indien de desbetreffende landen zich volledig overgeven aan het beleid van het IMF en de WB en zich openen voor globalisatie, dus al hun ondernemingen privatiseren, hun markten openen voor westerse producenten en openen voor westers geld. En dus de weg inslaan naar eeuwige armoede en afhankelijkheid. In de westerse landen zelf is globalisatie de oorzaak van een verschuiving van machtsposities. Overheden zien zich overgeleverd aan de wensen en verlangens van de grote, internationale ondernemingen die hun investeringen aanbieden aan het land dat de goedkoopste manier van produceren mogelijk maakt. Onder invloed van globalisatie leggen bedrijven steeds meer aan landen het beleid op, in plaats van andersom. Als zodanig is globalisatie niets meer of minder dan de realisatie van een samenleving zuiver gebaseerd op kapitalisme. ________________________________________ Figuur 6: de grootste economieën in de wereld in 2000  Van de 100 grootste economieën in de wereld in 2000 zijn 50 ondernemingen. Oftewel, de grote multinationale ondernemingen zijn machtiger en invloedrijker dan de meeste landen in de wereld.
Bronnen: Fortune 500, 31 juli 2000; World Bank, World Development report 2000 ________________________________________ Toen communisme nog bestond in de vorm van een staat die haar ten uitvoer bracht, en dus een ideologisch alternatief gepresenteerd werd, reageerden de westerse kapitalistische landen met wetgeving die rechten en welzijn voor de arbeiders in hun landen moesten garanderen. De macht van de kapitalisten over de mensen werd beperkt, om te voorkomen dat ten gevolge van uitbuiting door de kapitalisten de mensen in communisme een alternatief gingen zien. Maar nu het communisme ten onder is gegaan en niet langer door een staat als alternatieve ideologie wordt uitgedragen, bestaat ook deze bedreiging voor kapitalisme niet meer. Globalisatie is het proces dat daarom het kapitalisme in haar zuivere vorm terug moet brengen in de wereld. Als resultaat neemt ook in de westerse landen de inkomensongelijkheid toe. Waar topmanagers in de jaren 80 van de vorige eeuw gemiddeld genomen 40 maal zoveel verdienden als de gewone arbeider, is dit vandaag de dag 400 maal zoveel. In België bezit 10% van de bevolking de helft van al het vermogen; in Nederland bezit 1% van de bevolking 25% van het vermogen, en 5% van de bevolking de helft van het totale vermogen. En met de afbouw in sociale voorzieningen die globalisatie vereist is absolute armoede - het niet kunnen veroorloven van kleding, onderdak en eten tezamen - ook in westerse landen niet langer afwezig. Bijna 20% van de Amerikanen leeft in deze toestand, en het Amerikaans minimumloon was in 2000 nog maar 65% waard van het minimumloon van 1968. In Groot-Brittannië waren in 2001 5 miljoen mensen net zo arm als de armste mensen in Afrika. En dat de voedselbank voor de armen in Nederland, waar mensen met een laag inkomen tegen gereduceerd tarief kunnen winkelen, de vraag naar haar diensten niet aankan, spreekt boekdelen. Overal de vrije markt in al haar glorie, in ieder facet van het leven van de mens, ieder mens voor zichzelf in een strijd voor overleven, overal ter wereld. Met globalisatie, met andere woorden, wordt de ware kapitalistische samenleving geschapen, waar de kapitalisten het effectief voor het zeggen hebben. Zij, voor wie de mensen niets meer zijn dan arbeiders voor hun fabrieken, dicteren nu het beleid van overheden: ten gunste van zichzelf, ten nadele van de rest. Bronvermelding: * W. Max Corden: "Trade Policy and Economic Welfare", Oxford University Press, 1997 * Joseph Stiglitz: "Globalization and its discontents", Penguin Books, 2002 * Noreena Hertz: "IOU: Het gevaar van de internationale schuldenlast", Uitgeverij Contact, 2004 * www.globalissues.org |