dinsdag 22 mei 2012 In de naam van Allah, De Barmhartige De Erbarmer
Home
Missie & Visie
De weg naar geloof
Verklaringen
Pamfletten
Boeken
Intellectualisme
Definities&Termen
Wetgeving
Politiek
Multimedia
Koran
Hadith
Reacties
Van de lezers
Nieuws & Commentaar
Boek
Updates
Home arrow Intellectualisme arrow Islam arrow De Weg naar Geloof - deel I
De Weg naar Geloof - deel I Afdrukken E-mail
woensdag 01 augustus 2007

Redactie Expliciet: Artikel De Weg naar Geloof vormde het feitelijke begin van Expliciet, het artikel waarin de vraag "waarom moslim zijn" centraal stond. Nu, 4 jaar later, is het artikel volledig herschreven in een poging haar verder te verbeteren daar waar mogelijk. Over de komende twee uitgaven van Expliciet Magazine verspreidt zal deze herschreven versie gepresenteerd worden. Het huidige eerste deel zal een fundament leggen door zich bezig te houden met vragen als "wat is de mens", "wat is geloof", "waarom gelooft de mens" en "hoe kiest een mens voor geloof". Het volgend tweede deel zal zich bezighouden met de vraag "wat is de juiste methode om te kiezen voor een geloof", om vervolgens in overeenstemming met de methode op zoek te gaan naar het juiste geloof voor de mensheid. 

De Weg naar Geloof - deel I


Introductie tot het mens-zijn
Over heel haar geschiedenis heeft de mensheid  laten zien altijd ergens in geloofd te hebben. Buiten dit, het is tevens een feit dat over tijd en plaats verdeelt deze aanbidding zich in verschillende vormen heeft geuit en zich tot allerlei verschillende objecten heeft gericht. Zo is het vuur voor velen in hun aanbidding het centrale thema (geweest), voor anderen is (/ was) een beeld of afbeelding het object van aanbidding, en voor weer anderen een natuurlijk fenomeen zoals de zon, een medemens, een dier of een idee in de zin van een ideologie. Geconfronteerd met deze realiteit van aanbidding door de mensheid is het gerechtvaardigd vragen te stellen als waarom aanbidt de mens? Is dit inderdaad zoals sommigen beweren een eigenschap typisch voor de premoderne, irrationele mens die eenvoudigweg resulteert uit het destijds heersende onbegrip van de eigen leefwereld, een eigenschap dus die eigenlijk niet langer past bij de huidige moderne tijd van wetenschap en kennis, maar die desalniettemin vele mensen maar niet van zich af hebben kunnen schudden, of speelt hier meer? Waarom geloven verschillende mensen in verschillende zaken? En dan natuurlijk ook de vraag doet de vorm van aanbidding ertoe of niet, oftewel kan men zeggen dat er een juiste religie is en daarmee tevens iets als een onjuiste religie?

Om deze vragen te kunnen beantwoorden is een helder begrip van het mens-zijn noodzakelijk. "De mens" dient gedefinieerd te worden alvorens ideeën gevormd kunnen worden over de mens, in antwoord op deze vragen.

Een definitie is een beschrijving van de realiteit van iets op een zodanige wijze dat alles wat tot dit iets behoort erdoor beschreven wordt, terwijl tegelijkertijd alles dat niet tot dit iets behoord door de beschrijving buitengesloten wordt. Deze beschrijving van definiëren wordt begrijpelijk wanneer men zich realiseert dat de stelling "water is een kleurloze vloeistof" geen definitie is van water. Deze stelling beschrijft weliswaar een van de eigenschappen van water, maar een eigenschap die water deelt met verscheidene andere substanties. Inderdaad geldt voor water dat het een kleurloze vloeistof is, en dus voldoet de beschrijving aan de eerste eis voor een definitie, namelijk dat het "beschrijft alles wat tot dit iets behoort". Immers, al het zuivere water is kleurloos. Echter, de beschrijving voldoet niet aan de tweede eis voor een definitie, want ze is niet in staat om "tegelijkertijd alles dat er niet toe behoort" buiten te sluiten. Bijvoorbeeld azijn in zuivere vorm is evenzo een kleurloze vloeistof, maar is iets anders dan water. De stelling "water is een verbinding van twee waterstof moleculen (H2) met een zuurstof molecuul (O)", oftewel H2O, beschrijft het feit van water wel op een zodanige wijze dat alles dat water is erdoor beschreven wordt, terwijl niets dat niet als water wordt gezien er ook door beschreven wordt - "water is H2O" beschrijft de realiteit van water op een zodanige wijze dat alles dat water is erdoor beschreven wordt, terwijl tegelijkertijd alles dat niet water is door de beschrijving buitengesloten wordt.

Een definitie heeft daarmee ten doel de karakteristieken van het feit onder behandeling te beschrijven, oftewel de eigenschap waarover enkel het feit onder behandeling beschikt, oftewel de essentie van het feit.

De mens kent een aantal verschillende karakteristieken, eigenschappen die hem anders maken dan al het andere dat waargenomen kan worden. Bijvoorbeeld, de mens is het enigste feit beschikkende over humor en dus in staat om te lachen. Een definitie van de mens zou dus kunnen zijn "dier in staat om te lachen". Vanuit een ander perspectief, bij het onderwerp van geloof blijvend, de mens is tevens het enigste dier dat gedrag vertoont dat geassocieerd wordt met aanbidding.

Over de realiteit van het menselijk leven
Dat het leven gekenmerkt wordt door de verrichting van handelingen is evident. Dat handelingen in het teken van een doel staan, en dus een reden hebben, is in meeste gevallen duidelijk. Dat dit feitelijk altijd het geval is bij handelingen, zelfs wanneer dit niet direct duidelijk is, valt te beargumenteren.

Dat het eten en drinken dat de mens doet in relatie staat tot iets als een behoefte aan voeding die de mens ervaart, zal weinig betoog behoeven. Eten en drinken zijn natuurlijke reacties op de ervaring van honger en dorst en hebben ten doel deze ervaring van de behoefte aan voeding weg te doen nemen. In relatie tot de behoefte aan voeding ging de mens in de vroegste tijden van zijn bestaan op jacht, later werd hij landbouwer of ambachtslied, en vandaag de dag verricht de mens zijn arbeid binnen een heel scala aan beroepen. Allen handelingen verricht in een poging het bezit tot stand te brengen dat de mens uiteindelijk in staat stelt de behoefte aan eten en drinken te bevredigen. Op basis van waarneming is daarmee duidelijk dat de mens over een behoefte aan voeding beschikt, getuige het feit dat de mens waargenomen kan worden zoekende naar voeding ter bevrediging van de behoefte. Buiten de behoefte aan voeding kan men op basis van het gedrag van mensen waarnemen dat de mens tevens behoefte heeft aan rust (slapen), zuurstof (ademen) en ontlasting, want het doel van slapen is rusten, het doel van ademen is het opnemen van zuurstof, en het doel van de gang naar het toilet is het lichaam te ontlasten van onverteerbare elementen in de voeding en andere afvalstoffen.

Buiten gedrag dat in relatie staat tot de behoeften bestaat er ook zoiets als gedrag in relatie tot de instincten. Bij de mens kan men tevens gedrag waarnemen dat in relatie staat tot de wens om voort te planten, oftewel het voortplantingsinstinct. Dus bijvoorbeeld gedrag dat in teken staat van het totstandbrengen van seksuele relaties in reactie op de waarneming van of de herinnering aan iets dat lustopwekkend werkt, of gedrag dat in het teken staat van zoeken naar genegenheid in reactie op de waarneming van of de herinnering aan de uiting van genegenheid. Zo kent de mens ook een verlangen om te overleven, een overlevingsinstinct, en hij vertoont hierom gedrag dat overleven ten doel heeft in reactie op de ervaring van een bedreiging. Wederom op basis van waarneming is dus duidelijk dat de mens tevens beschikt over een voortplantingsinstinct en een overlevingsinstinct.

Deze behoeften en instincten zijn eigenschappen van de mens, en vormen tezamen de reden voor een merendeel van het gedrag dat de mens vertoont. Er is echter nog gedrag dat niet door deze behoeften en instincten verklaard kan worden, om precies te zijn juist het gedrag dat in het teken staat van aanbidding, gedrag in reactie op de ervaring van machteloosheid en dat ten doel heeft degene die wel machtig is te behagen. Omdat zoals gezegd de tijd heeft laten zien dat de mens altijd iets aanbidt, hetgeen hij machtiger acht dan hijzelf, is duidelijk dat de mens tevens een aanbiedingsinstinct kent. Met dit aanbiddinginstinct, tezamen met de behoeften aan voeding, rust, zuurstof en ontlasten, en de instincten van voortplanting en overleven, is de oorzaak voor al het menselijk gedrag aangetoond. Met deze behoeften en instincten wordt al het menselijk gedrag verklaard.

Betreffende de vermelde behoeften, deze deelt de mens met de dieren omdat zowel mens als dier gedrag vertonen dat in het teken staat van bevrediging van deze behoeften. De dieren, bijvoorbeeld, hebben tevens behoefte aan voeding want men kan ook hen vinden handelingen verrichtend om in deze behoefte te voorzien. Dus de eigenschap van behoefte aan voeding is niet een karakteristiek van de mens, want hoewel zij alles dat tot de mensheid behoort beschrijft, beschrijft zij tevens feiten die niet tot de mensheid gerekend worden. De behoefte aan voeding beschrijft dus niet de essentie van het mens-zijn, en deze beschrijving van het mens-zijn vormt dus niet een beschrijving die tot definitie van de mens genomen kan worden. Gedrag dat resulteert uit de instincten van voortplanting en overleving delen de mensen evenzo met de dieren. Ook de dieren hebben gemeenschap, en vluchten of vechten bij het bestaan van een gevoel van bedreiging. Dus wederom, daar ook dit gedrag is dat men zowel bij dieren als mensen kan aanschouwen, vormt het voor geen van beiden een karakteristiek. Dus is ook dit geen basis voor definiëring van de mens.

Werkelijk enkel het gedrag dat in het teken staat van aanbidding vindt men terug bij de mens maar bij geen enkel ander wezen. De behoeften - de verzamelnaam voor die motivaties tot handelen waarvoor geldt dat in afwezigheid van bevrediging van hen de dood onvermijdelijk zal resulteren, daarom ook wel organische behoeften - delen de mensen met de dieren: behoefte aan voeding, rust, zuurstof en ontlasting. Zij zijn eigenschappen voor beiden. Voor wat betreft de instincten - de verzamelnaam voor motivaties tot handelen waarvoor geldt dat in afwezigheid van bevrediging van hen de dood niet zal resulteren, enkel een gevoel van onbehagen, ook wel instinctieve behoeften - valt waar te nemen dat twee van dezen de mens en de dieren delen, het voortplantingsinstinct en het overlevingsinstinct. Het aanbiddinginstinct van de mens kenmerkt hem echter, daar zij een eigenschap is voor alle mensen, en tegelijkertijd voor enkel de mens. Dit maakt het aanbiddinginstinct een karakteristiek der mensen, een beschrijving van de mens waarop men een definitie kan baseren. Anders gezien, het geheel van behoeften en instincten - de behoeften aan voeding, zuurstof, rust en ontlasting tezamen met het voortplantingsinstinct, het overlevingsinstinct en het aanbiddinginstinct - definieert de mens omdat dit iets is waarover ieder mens beschikt, maar waarover tegelijkertijd niets anders buiten de mens beschikt.

Een onderscheidt aanbrengen tussen instincten en behoeften is zowel natuurlijk als noodzakelijk, daar alhoewel beiden de eigenschap delen dat zij de mens aanzetten tot handelen, beiden tevens specifiek eigen eigenschappen kennen, oftewel karakteristieken. Voor de behoeften geldt dat in afwezigheid van bevrediging van hen de dood het onvermijdelijke gevolg is. Maar voor de instincten geldt dat uit het onbevredigd blijven enkel een gevoel van ongenoegen zal resulteren, niet de dood. En de ervaring van de behoeften komt van binnenuit de mens, en kan niet door iets buiten de mens aangewakkerd worden, terwijl de instincten enkel van buiten de mens aangewakkerd worden. Eenmaal de honger is gestild dan zal het aanschouwen van koekjes en gebak niet een gevoel van honger aan kunnen wakkeren, terwijl de instinctieve behoefte aan gemeenschap met het andere geslacht acuut wordt - oftewel ervaren - op het moment dat iets buiten de mens doet herinneren aan gemeenschap met het andere geslacht. Hetzelfde geldt voor het overlevingsinstinct, zij wordt enkel ervaren in geval van het bestaan van een gevoel bedreiging in reactie op iets van buiten, zij komt nooit op van binnenuit, maar altijd in reactie op iets van buiten.

Waarom gelooft de mens?
De behoeften en instincten vormen de aard van de mens, en hij is daarmee veroordeelt tot een leven in teken van handelen in reactie op ervaring van zijn behoeften en instincten. De eigenschap die de behoeften en instincten derhalve delen is dat zij de mens aanzetten tot handelen. Hierin schuilt de verklaring voor de waarneming dat over tijd en plaats de mens altijd iets aanbeden heeft. In reactie op de ervaring van zijn eigen beperktheid, onmacht en afhankelijkheid - iets van buiten - zoekt de mens instinctief naar een macht groter dan zichzelf ter aanbidding, op zoek naar bescherming, steun en hulp, en om zijn eigen machteloosheid te compenseren. Het is wanneer de mens zich realiseert dat hij niet almachtig is dat hij zich wendt tot iets waarvan hij denkt dat het machtiger is dan zichzelf. Het is wanneer het schip dreigt te zinken in een woeste storm dat haar passagiers - in de wetenschap dat zij geen macht hebben over de storm - zich in aanbidding wenden tot hetgeen zij machtiger achten dan zichzelf. Het is wanneer de regens uitblijven en de oogst dreigt te mislukken dat de mensen zich in aanbidding wenden tot hetgeen waarvan zij denken dat het macht heeft over de regens, en het is wanneer geconfronteerd met de dood en de eigen machteloosheid in het voorkomen hiervan dat de mens zich wendt tot aanbidding. Maar deze instinctieve reactie is niet de enigste reden voor de waarneming van aanbidding als gedrag van de mens.

Het is niet enkel de humor die de mens doet onderscheiden van al de andere wezens die waargenomen kunnen worden. En het is ook niet enkel de aard van de mens, oftewel zijn behoeften en instincten. Een derde eigenschap welke de mens onderscheidt van de andere wezens om hem heen, zijn derde karakteristiek dus, is het bestaan van zijn verstand. De mens is in staat te oordelen over de feiten die hij waarneemt en die hij herkent. Hij is in staat feiten te benoemen en te beoordelen, waar bijvoorbeeld de dieren dit niet zijn. Dus wanneer een aap geconfronteerd wordt met een banaan dan kan hij enkel instinctief reageren op deze waarneming; hij zal de banaan eten indien hij de behoefte aan voeding ervaart, of de banaan laten indien zijn behoefte aan voeding op het moment van waarneming reeds volledig verzadigd is, of misschien begraven voor latere consumptie. De mens, echter, is bij de waarneming van de banaan tot veel meer in staat. Niet enkel is hij in staat de banaan te benoemen, hij is niet begrensd tot enkel instinctieve reacties. Weliswaar kan de mens net als de aap instinctief reageren op de waarneming van de banaan, maar hij is tevens in staat ideeën te ontwikkelen over de banaan en over het eten van de banaan waarop hij zich zou kunnen baseren. Het verstand stelt de mens in staat een idee te ontwikkelen dat antwoord biedt op de vraag "is het eten van banaan goed of slecht?", waarbij verschillende eigenschappen van de banaan in ogenschouw genomen kunnen worden. Bijvoorbeeld kan de mens als verstandelijk oordeel doen laten resulteren "vanuit mijn levensbeschouwelijke overtuiging is het eten van banaan niet toegestaan, en daarom ben ik van mening dat het eten van banaan slecht gedrag is en zal ik dit laten", of "vanuit mijn levensbeschouwelijke overtuiging is het eten van banaan toegestaan, echter deze banaan is niet mijn eigendom en daarom mag ik haar niet eten". Over deze mogelijkheid die het verstand biedt, om ideeën over feiten te vormen zodat het gedrag op ideeën gebaseerd kan worden en niet noodzakelijkerwijs enkel op de behoeften en instincten, beschikt enkel de mens.

En dus is de mens in staat ideeën te vormen over de feiten die hij waarneemt. Het verstand van de mens kan ingezet worden voor de vorming van ideeën in een van drie bereiken; het verstand kan oordelen over het bestaan van een feit, het verstand kan oordelen over de eigenschappen van een feit, en het verstand kan oordelen over de karakteristieken / essentie van een feit. Betreffende de vorming van ideeën over het bestaan van een feit, hier benodigd het verstand weinig om tot een absoluut en zeker juist antwoord te kunnen komen. Enkel voorkennis over het feit, zodat bij waarneming het feit herkend kan worden, en een waarneming van het feit. Om dit duidelijk te maken een voorbeeld. Iemand die bekend is met het geluid dat de motor van een auto maakt zal wanneer hij dit geluid waarneemt verstandelijk oordelen op de plaats van zijn verblijven een auto bestaat. Mogelijkerwijs is zijn verstand nog niet in staat te oordelen over het type motor - diesel of benzine (eigenschap) - of het merk en type auto dat hoort bij de waargenomen motor - BMX 318 of Audi A3 (karakteristiek) - maar desalniettemin is het bestaan van een auto met de waarneming van de motor van een auto zeker geworden.

Zoals duidelijk wordt wanneer men zich voorstelt hoe men zou reageren als na het ontwaken men zich plotsklaps geconfronteerd vindt met een nieuwe auto op de eigen oprijlaan, is de mens geneigd om eens zijn verstand het bestaan van een feit bevestigd heeft, onderzoek te plegen naar de oorsprong van het bestaan van het feit. Wanneer zoals gezegd iemand plots een nieuwe auto op zijn oprijlaan ziet staan, dan is de vraag "waar komt deze vandaan?" een onvermijdelijk gevolg. Net zo vanzelfsprekend is het eigenlijk voor de mens om deze vraag te stellen bij de waarneming van het bestaan van andere feiten, zoals bijvoorbeeld de mens. Enkel hoogmoed, de weigering om de eigen menselijke beperktheid, afhankelijkheid en onmacht te accepteren, kan het stellen van deze vraag bij de waarneming van het bestaan van feiten voorkomen. Nu, de oorzaak van het bestaan van een feit is te allen tijde gelegen in een van drie mogelijkheden; het feit is altijd al geweest, het feit heeft zichzelf doen laten bestaan (heeft zichzelf geschapen), of het feit is doen laten bestaan door een ander (is geschapen door een ander).

De beperktheid in tijd van al hetgeen waargenomen kan worden door de mens, alles heeft immers een begin en een eind in tijd uitgedrukt, maakt duidelijk dat van eeuwigheid van bestaan geen sprake kan zijn. Dus het antwoord dat het bestaan van hetgeen waargenomen kan worden verklaard kan worden daar alles voor altijd bestaat kan het verstand niet accepteren alszijnde juist. Deze verklaring, namelijk, conflicteert met de waarneming van beperktheid van alles. De afhankelijkheid van alle feiten van weer andere feiten - zoals de mens van zuurstof en voeding, de planten van de zon en water, et cetera - is een uiting van de machteloosheid van de feiten die bestaan, en maakt het onmogelijk dat een feit zelf verantwoordelijk is voor het eigen bestaan, oftewel de eigen schepper is. Enerzijds is dit omdat iets wat niet bestaat niet kan scheppen; anderzijds omdat mocht het zo zijn dat iets zichzelf kan scheppen, dan zou het onmogelijk zichzelf scheppen afhankelijk van andere feiten voor wiens bestaan zij niet verantwoordelijk is. Het universum is een geheel van delen die allen in perfectie harmonie samen bestaan, waarin bijvoorbeeld het uitsterven van een soort dieren uiteindelijk de dood betekent voor een hele keten van diersoorten - te beginnen met degenen die afhankelijk zijn van het uitgestorven dier, vervolgens degenen die afhankelijk zijn van degenen die afhankelijk zijn van het uitgestorven dier, en zo verder. En het doven van de zon of de verdamping van al het water zou het einde van al het leven op aarde betekenen. Bij het bestaan van deze complexe relaties van afhankelijk tussen alles dat waargenomen kan worden, deze uiting van machteloosheid, is het onmogelijk voor te stellen dat alles dat bestaat zichzelf heeft geschapen. Dus ook de verklaring dat de feiten die waargenomen kunnen worden zelf verantwoordelijk zijn voor hun bestaan kan door het verstand niet geaccepteerd worden, wederom omdat zij conflicteert met de waarneming en ditmaal van afhankelijk van feiten. Integendeel, de waarneming van de eigenschappen van beperktheid, afhankelijkheid en machteloosheid in alle feiten overtuigen het verstand van het bestaan van iets buiten de materie dat voor het bestaan van de materie verantwoordelijk is. Feitelijk op dezelfde wijze als dat een voetafdruk in het zand de mens overtuigt van de aanwezigheid van andere mensen op het eiland, zonder dat men de eigenschappen van deze mensen kent, is de waar te nemen materie als een spoor achter gelaten door de Schepper dat Zijn bestaan bewijst, zonder dat we hierdoor iets weten over Zijn eigenschappen en karakteristieken.

En dus is geloof niet enkel het resultaat van het instinct tot aanbidding, zij is tevens het resultaat van de mogelijkheid tot denken die het verstand van de mens biedt. Het verstand oordeelt over de waargenomen materie dat deze niet anders dan geschapen kan zijn door iets buiten de materie, en dit is de tweede reden ter verklaring van de waarneming van religiositeit onder de mensen.

Wat is geloof?
Verschillende intellectuelen, filosofen en denkers hebben getracht geloof als zodanig te definiëren. Bijvoorbeeld Alain Emile Chartier, volgens wie geloof "zekerheid zonder bewijs" inhoudt. Pascal Blaise zag geloof als hetgeen anders is dan bewijs, en volgens Jacqueline Russ is geloof "irrationele zekerheid", wat zoveel wil zeggen als "zekerheid, hoewel niet gebaseerd op verstandelijk bewijs". Maar deze definities, en anderen zoals dezen, verklappen in zichzelf dat zij afkomstig zijn van westerse intellectuelen, filosofen en denkers. Ze hebben allen het Christendom genomen als basis, als voorbeeld van geloof, om vervolgens te komen tot een definitie van geloof. Het enigste feit van geloof waarover de mensen beschikten, of als zodanig erkenden, was het Christendom. Uit het Christendom is een bepaald begrip van geloof geresulteerd, een begrip dat men uiteindelijk heeft benut om te komen tot een alomvattende definitie van geloof. Dus deze definities zijn daarmee ofwel het resultaat van objectief denken op verkeerde basis en daarom onjuist (men gebruikt een geloof om tot een definitie van geloof te komen, om vervolgens deze definitie van geloof ook op andere niet-christelijke geloven toe te passen), ofwel het resultaat van subjectiviteit en daarom onjuist.

Islam, bijvoorbeeld, is verstandelijk en rationeel bewijsbaar.

"En wanneer er tot hen wordt gezegd: 'Volgt hetgeen wat Allah heeft geopenbaard', zeggen zij: 'Neen, wij zullen datgene volgen, wat wij onze vaderen zagen volgen'. Zelfs al hadden hun vaderen in het geheel geen verstand en volgden zij ook de rechte weg niet?" (Zie de vertaling van de betekennissen van de Koran, soerah al Baqara, vers 170)

"En de meesten hunner volgen niets dan vermoeden. Voorzeker vermoeden baat niet tegen de waarheid. Waarlijk, Allah weet goed wat zij doen" (Zie de vertaling van de betekennissen van de Koran, soerah Joenoes, vers 36)

"Maar zij hebben daar geen kennis van. Zij volgen alleen een vermoeden en het vermoeden kan tegen de waarheid niets baten." (Zie de vertaling van de betekennissen van de Koran, soerah an Nadjm, vers 28)
 
Deze versregels (ayaat) en anderen in de Koran verbieden het blindelings volgen, en roepen op tot denken en bewijsvoering alvorens te volgen. Dit bewijst dat het feit van Islam anders is dan het Christendom, en dat de beschrijving van het geloof het Christendom niet als alomvattende definitie voor geloof genomen kan worden; zij beschrijft niet al de geloven (eis voor definitie nummer 1), en zij sluit sommige geloven uit (eis voor definitie nummer 2). Zou men de realiteit van alle geloven grondig en diep bestuderen, dan bemerkt men dat geloof een rotsvast vertrouwen in de waarheid van iets voorstelt, waarbij niet van belang is of dit vertrouwen gestaafd wordt door bewijzen of niet, en of dit vertrouwen nu correspondeert met de waarneming of niet. Een rotsvast vertrouwen in de waarheid van iets is hetgeen al de gelovigen van al de religies in de wereld delen, waarbij voor sommigen van hen dit vertrouwen irrationeel is maar bij anderen niet, en waarbij voor sommigen dit vertrouwen correspondeert met de waarneming maar dat van anderen niet. Dit is de juiste definitie van geloof, hetgeen al de geloven beschrijft en tegelijkertijd niets beschrijft van alles dat niet tot de geloven behoort.

Hoe kiest de mens voor geloof?
Zes methoden van onderzoek naar geloof vallen te onderscheiden, zijnde de instinctieve methode, de pragmatische methode, de methode van overlevering en de methode van denken, waarbij deze laatste opgedeeld kan worden in de logische methode, de wetenschappelijke methode en de verstandelijke methode van denken.

De realisatie van beperktheid, afhankelijkheid en machteloosheid dwingt de mens als het ware tot zoeken naar hetgeen niet wordt begrensd door deze eigenschappen, en daarmee tot geloven in iets. Men kan zich bij de keuze van het feit ter aanbidding beperken tot de instinctieve neiging tot aanbidding, zonder verdere zaken bij deze keuze mee in overweging te nemen. Deze methodiek is de instinctieve methode van komen tot geloof: men kiest ter aanbidding voor hetgeen "goed aanvoelt", oftewel hetgeen het aanbiddinginstinct bevredigt.

Het is ook mogelijk om de keus voor een geloof te baseren op belang. Deze methode is de pragmatische methode; men baseert zijn keuze voor een geloof op het voordeel dat de keuze biedt. Dus men neemt een geloof aan wanneer en omdat dit (materiele) voordelen biedt, en men verlaat een geloof wanneer en omdat dit (materiele) voordelen biedt.

Sommige mensen zijn de mening toegedaan dat geloof niet verstandelijk, wetenschappelijk, et cetera, aantoonbaar is, maar dat geloof een betrouwbare kennis is die men moet accepteren en adopteren zoals zij overgeleverd is. Deze mensen baseren hun keuze op de methode van overlevering.

De vierde mogelijkheid is het toepassen van de methode van denken, oftewel kiezen voor een geloof gebruik makend van de capaciteiten van het verstand. Hierbij valt onderscheid te maken tussen enerzijds de methode van denken, en anderzijds het niveau van denken. Betreffende de methodes van denken, de eerste hiervan is de logica. Hoewel het woord "logisch" over de jaren een synoniem is geworden voor "rede" en "redeneren", voert zij eigenlijk terug tot een afzonderlijke methode van denken, de methode favoriet bij de Oudgriekse filosofen, de logica. Onder de denkwijze der logica worden conclusies getrokken uit de verbinding van twee premissen of subconclusies, zoals in het volgende voorbeeld:

Premisse 1: Mensen zijn sterfelijk
Premisse 2: Sokrates is een mens

 Conclusie: Sokrates is sterfelijk

(Voorbeeld ontleent aan "Geschiedenis van de westerse filosofie", Bertrand Russel)

De formele beschrijving van de logica als denkwijze is daarmee major premisse + minor premisse = conclusie, oftewel eerste subconclusie + tweede subconclusie = conclusie. Zoals het gebruik van de plus- en mintekens hier al doet vermoeden, is de mathematiek een voorname uiting van de logische denkwijze.

De tweede methode van denken is de wetenschappelijke methode. Deze methode is de methode bij uitstek voor de westerse wereld, sinds zij deze landen uit het donkere bestaan van de middeleeuwen deed ontsnappen naar het licht van de vooruitgang. De wetenschappelijke methode stond aan de wieg van de Verlichting, heeft ontegenzeggelijk de westerse wereld qua kennis en welvaart vooruit weten te brengen, en is daarmee binnen het westerse denken verworden tot de enigste weg tot waarheid. De wetenschappelijke methode van denken is de methode van onderzoek gebaseerd op experimenteren. Men probeert een feit te isoleren, en onder isolatie bloot te stellen aan verschillende externe krachten om de reactie van het feit hierop te kunnen registreren. Uit het samenspel van actie en reactie probeert men vervolgens wetten te extrapoleren die de waarneming beschrijven, en op basis waarvan men voorspellingen kan doen betreffende mogelijke reacties van het feit bij blootstelling aan krachten.

De derde methode van denken is de verstandelijke methode. Eerder al, bij "Waarom gelooft men?" is kort de verstandelijke methode geïntroduceerd, en in essentie is het verstand het feit dat de mens in staat stelt te oordelen, oftewel ideeën te ontwikkelen. Wil een mens kunnen oordelen over een feit dan dient hij of zij te beschikken over een waarneming van het feit. Om te kunnen oordelen "het is zacht" moet men het feit gevoeld hebben; om te kunnen oordelen "het glinstert" moet men het feit gezien hebben; om te kunnen oordelen "het smaakt zoet" moet men het feit geproefd hebben, et cetera. Het zou onjuist zijn, echter, hieruit te concluderen dat al wat denken vereist een feit tezamen met een waarneming is. Dit, namelijk zou een conclusie zijn die niet overeenstemt met de realiteit van denken zoals die voor eenieder waarneembaar is. Om duidelijk te maken dat een feit en een waarneming niet voldoende zijn voor denken, en om duidelijk te maken wat dan nog meer nodig is om te kunnen denken een voorbeeld:

Een jong kind dat voor de eerste maal muntgeld in zijn handen krijgt, en daarmee voor de eerste maal met muntgeld geconfronteerd wordt zonder dat men het kind iets vertelt over hetgeen hem gegeven is, zal geen idee hebben over wat het is dat zich in zijn handen bevinden, noch wat het er mogelijk mee zou kunnen doen. Laat men het kind voor enige tijd alleen om later weer terug te keren, dan zal men waarschijnlijk vinden dat in de tussentijd het kind op verschillende manieren het geld heeft waargenomen: hij zal het betast hebben, eraan geroken, en, zoals de meeste kinderen om de een of andere reden gewoon zijn, er zelfs op hebben gebeten. Al deze waarnemingen van het feit ten spijt, zou men het kind vragen "wat vindt je van muntgeld?", dan zou het enkel schouderophalend kunnen reageren. Ondanks de waarnemingen van het feit zal het kind feitelijk nog geen enkel idee hebben ontwikkeld over muntgeld. De reden hiervoor is omdat het kind niet weet wat muntgeld is. Daarom kan het kind onmogelijk antwoorden op de vraag "wat vindt je van muntgeld?", ook al houdt hij het in zijn hand voor weken. Eerst zou het kind duidelijk gemaakt moeten worden dat hetgeen hij in zijn handen houdt, muntgeld is. Pas als dit hem eenmaal duidelijk is geworden, dan zou het kind op de gestelde vraag kunnen antwoorden; bijvoorbeeld "het smaakt vies".

Een ander voorbeeld. Stel, men sluit iemand op in een lege kamer, met niets meer dan een boek in een voor hem of haar vreemde taal. Het aantal waarnemingen van het boek waarover de persoon zal beschikken, zal variëren met de tijd in afzondering met het boek. Maar, ongeacht de tijd in afzondering met enkel het boek, het aantal ideeën over de taal in het boek en over het boek zelf zal gelijk blijven: nul. De persoon zal bijvoorbeeld nooit de taal kunnen leren van het boek met enkel het boek, en hij zal daarmee in deze situatie nooit de inhoud van het boek kunnen leren begrijpen of beoordelen, ongeacht de tijd die hij doorbrengt met alleen het boek. Pas wanneer buiten dit boek de persoon de beschikking krijgt over een tweede boek, met daarin een uitleg van de taal van het boek - dus met andere woorden wanneer hem voorkennis wordt gegeven over de taal van het boek -, dan pas wordt het mogelijk voor deze persoon om ideeën te ontwikkelen over de taal van het boek, en over de inhoud van het boek.

Wat beide voorbeelden duidelijk maken, is dat voor denken meer vereist is dan enkel een feit en waarneming of de herinnering aan waarneming van dit feit. De derde vereiste is voorkennis over het feit. Wat het kind ontbeert in het voorbeeld, en wat hem er van weerhoudt ideeën te ontwikkelen over muntgeld ook al heeft hij het in zijn handen (en mond) gehad, is voorkennis over muntgeld. Eerst moet het kind voorkennis gegeven zijn over muntgeld, in de zin van dit-en-dit is muntgeld, daarna pas kan de waarneming van muntgeld ideeën over muntgeld in het kind opwekken. Hetzelfde voor het voorbeeld van de persoon met het boek in de vreemde taal. Eerst moet hem voorkennis gegeven zijn over de taal in het boek - dit-en-dit is de taal in het boek, en dit-en-dit is hoe de taal zich verhoudt tot uw eigen taal - daarna pas kan de persoon proberen het boek en de taal in het boek te leren begrijpen en beoordelen.

Deze analyse van denken in mensen maakt duidelijk wat de precieze vereisten zijn voor verstandelijk denken, en hoe denken precies in zijn werk gaat. De vereisten voor verstandelijk denken zijn:

1. Een feit;
2. waarnemingsorganen;
3. gezonde hersenen; en
4. voorkennis,

en onder denken koppelen gezonde hersenen waarnemingen of herinneringen aan waarnemingen aan de bestaande relevante voorkennis. Bij het bestaan van juiste voorkennis kan men dan het feit benamen, en bij het bestaan van voldoende waarneming kan men dan het feit beoordelen.

< Vorige   Volgende >
 [ Arabisch ]
Ayah
" ...Oordeel dan tussen hen volgens wat Allah heeft neergezonden en volg hun neigingen niet in afwijking van wat van de waarheid tot jou gekomen is. Voor een iedere van jullie hebben Wij een norm en een weg bepaald..." (Zie vertaling v.d. betekennissen v.d. Koran soerat Al-Ma'ida: 48)
Hadith

En Al Bukhari heeft over Abdullah verteld. Hij zei dat de Profeet (saw) het volgende had gezegd: "U zult na mij egoïsme meemaken en dingen die jullie verafschuwen" Zij zeiden: "Wat beveelt u ons te doen, Oh Profeet van Allah?" Hij zei: "Geef hen hun recht, en vraag Allah u uw recht te geven."

over hadith..