dinsdag 22 mei 2012 In de naam van Allah, De Barmhartige De Erbarmer
Home
Missie & Visie
De weg naar geloof
Verklaringen
Pamfletten
Boeken
Intellectualisme
Definities&Termen
Wetgeving
Politiek
Multimedia
Koran
Hadith
Reacties
Van de lezers
Nieuws & Commentaar
Boek
Updates
Home arrow Intellectualisme arrow Islam arrow De Vorming van de Islamitische Samenleving
De Vorming van de Islamitische Samenleving Afdrukken E-mail
dinsdag 01 maart 2005

Redactie Expliciet Magazine: Wanneer verschillende mensen een bepaald gebied samen bewonen, dan bestaat er een noodzaak tot het ontstaan van een fundament om het samenleven op te kunnen baseren. In de westerse landen is het idee dat samenleven alleen mogelijk is indien iedereen gelijk is, wijdt verspreidt. Zogezegd om samenleven mogelijk te maken, heeft men zich hier derhalve gewend tot verplichting van aanpassing en verandering van eenieder voor wie geldt dat, naar westers inzicht, hij of zij niet overeenstemt met het idee dat bestaat over de westerse identiteit.

Maar al wat hieruit resulteert, dit is niet samenleven. Islam heeft zich uitgesproken over het fundament waarop de Islamitische samenleving gebaseerd dient te zijn; maar het heeft zich tevens uitgesproken over de methode waarop het samenleven met andere groepen gebaseerd dient te zijn, in de handelingen en gedraging van haar Profeet, Mohammed (saw). Hierover gaat het volgende artikel in Expliciet Magazine, de methode waarmee de Boodschapper van Allah eenheid heeft doen ontstaan tussen de moslims onderling enerzijds, en de moslims vis-à-vis de overige inwoners van de Islamitische Staat anderzijds.

Allah (swt) heeft de mens geschapen met een overlevingsinstinct. Een van de uitingen van dit instinct is dat mensen samenkomen en samenleven. Samenleven is daarmee een natuurlijk iets voor de mens. Dit alleen, echter, maakt hen nog niet tot een samenleving, maar enkel een groep. En totdat de mensen permanente relaties ontwikkelen onderling, op basis waarvan men gemeenschappelijke belangen ontwikkeld en zich beschermd tegen bedreigingen van buiten, blijft een groep mensen samen ook enkel maar een groep. Pas wanneer een groep van mensen dergelijke relaties ontwikkelt die hun gedeelde belangen brengen, verworden zij tot een samenleving.

Een groep vormt echter pas een homogene samenleving wanneer overeenstemming bestaat over de visie op de relaties waarop men de samenleving baseert en de ideeën van de mensen overeenstemmen; en wanneer de houding ten opzichte van de relaties tussen de mensen waarop de samenleving zich baseert gedeeld wordt, tonend dat de gevoelens van de mensen overeenstemmen; en wanneer de mensen overeenstemmen over de methoden waarop de problemen die zich onherroepelijk voor zullen doen opgelost dienen te gaan worden.

Dit is de reden waarom men zich dient te verdiepen in de ideeën en gevoelens die een samenleving overheersen alvorens men een opinie vormt over deze samenleving, omdat enkel dezen een samenleving doet onderscheiden van een andere. Op deze basis werpen zij ons licht op de samenleving van al Madinah nadat de Boodschapper van Allah (saw) zich daar gevestigd had.

Op dat moment leefden drie groepen van mensen in al Madinah; de moslims (Al Ansar, de oorspronkelijke en tot Islam bekeerde inwoners van Yathrib; en de Muhadjireen, de gelovigen die de Boodschapper van Allah (saw) vanuit Mekkah hadden gevolgd naar Yathrib), die de grootste groep vormden; de meergodendienaren van al Aus en al Khazraj die zich niet tot Islam hadden gewend; en een derde groep van joden, die op hun beurt onderling weer verdeeld waren in vier groepen. Er was een groep van joden die woonden in al Madinah, namelijk de stam Qaynuq'a, terwijl de andere drie groepen van joden woonden rondom al Madinah, namelijk de stammen al Nadir, Khaybar en Qurayzah.

Zelfs voor de komst van Islam naar al Madinah hadden de joden hun eigen samenleving gevormd in al Madinah (toen nog onder de naam Yathrib bekend), daar hun concepten, emoties, evenals de manieren waarop zij hun dagelijkse bezigheden verrichten, zo ver stonden van de andere mensen in en om al Madinah. Het gevolg hiervan was dat de joden nooit deel hadden uitgemaakt van de samenleving in al Madinah, ook al woonden zij in en om de stad. Voor wat betreft de ongelovigen (meergodendienaren), zij vormden een minderheid en werden overweldigd door de islamitische atmosfeer die heerste in al Madinah.

De Boodschapper van Allah (saw) begon de relaties tussen de moslims in al Madinah te ordenen op basis van het ‘aqeedah (credo, basisidee) van Islam. Hij (saw) nodigde hen uit een broederschap te vormen, een broederschap die een tasbaar effect zou hebben op hun relaties onderling, hun handel onderling en alle overige zaken in het leven. Met dit beleid in gedachten ging de Boodschapper van Allah (saw) zelf een verbond van broederschap aan met ‘Ali ibn Abi Talib, ging zijn oom Hamza een verbond van broederschap aan met zijn dienaar Zayd, en werden Abu Bakr en Kharijah ibn Zayd op dezelfde manier broeders. De Boodschapper van Allah (saw) spoorde hierna de anderen van de Ansar en de Muhadjireen aan dit voorbeeld te volgen. Zo werden Umar ibn al Khattab en ‘Utbah ibn Malik al Khazraj eveneens broeders van elkaar, evenals Talhah ibn ‘Ubaydullah en Abu Ayub al Ansari en Abdurrahman ibn ‘Auf en S'as ibn al Rabi.

Op deze manier werden de relaties in de samenleving van al Madinah tussen haar oorspronkelijk bewoners en de emigranten hecht, en ontstond er een echt nieuwe samenleving van Ansar en Muhadjireen tezamen. Buiten dit hadden deze broederschappen tevens een materieel voordeel, daar de Ansar grote vrijgevigheid ten toon spreiden tegenover hun nieuwe broeders. De Ansar deelden met hen hun geld, hun huizen en land, en al het andere dat zij bezaten. En tezamen namen zij deel aan productie, landbouw en handel.

Abdurrahman ibn ‘Auf verkocht gewoonlijk kaas en boter, en de anderen die evenzo een oog hadden voor de handel deden hetzelfde. Degenen die zich niet met de handel bezighielden, wendden zich tot de landbouw, zoals Abu Bakr en ‘Ali, die de landen bewerkten die hun door de Ansar gegeven waren.

De Boodschapper van Allah (saw) zei:

"Wie een stuk land bezit moet het bewerken, of weggeven aan zijn broeders."

Dus al de moslims werkten om voor zichzelf een bestaan op te bouwen, en om hun brood te verdienen.

Er bestond desalniettemin een kleine groep van moslims die geen geld hadden, geen werk konden vinden en geen plaats hadden om te leven. Zij waren de behoeftigen, die noch van de Ansar waren, noch van de Muhadjireen. Zij waren afkomstig van de Arabieren die naar al Madinah waren gekomen en zich gewend hadden tot Islam.De Boodschapper van Allah (saw) nam de zorg voor hen op zich en gaf hen onderdak in het gedeelde van de moskee dat overdekt was.

Deze moslims werden bekend als Ahl as Suffah. Zij leefden van wat de meer welvarende van de moslims, degenen die Allah (swt) meer rijkelijk bedeeld had, met hen deelden.

Zo bouwde de Boodschapper van Allah (saw) aan een sterk fundament waarop de relaties tussen de moslims gebaseerd konden worden, relaties die de druk van de bedreiging van de samenleving in al Madinah door de Qoraish uit Mekkah en andere ongelovigen kon weerstaan. De islamitische samenleving was hiermee gevestigd, en dit stelde de Boodschapper van Allah (saw) gerust.

De meergodendienaren waren niet in staat een blijvende invloed op deze samenleving uit te oefenen. Zij accepteerden een leven geordend door de wetten van Islam, namen in aantallen af en verdwenen uiteindelijk in het geheel. Voor wat betreft de joden van Yathrib (nu al Madinah), nadat de Boodschapper van Allah (saw) de autoriteit van Islam had gevestigd in al Madinah bemerkte hij (saw) dat de kloof met de joodse stammen in en rond de stad, die zoals gezegd altijd al hun eigen samenlevingen hadden gevormd, groter werd. Het werd duidelijk dat er noodzaak was aan een basis waarop de relaties tussen de moslims en de joden gebaseerd zou kunnen worden. De Boodschapper van Allah (saw) bepaalde de houding van de moslims ten opzichte van de andere leden van de samenleving door het samenstellen van een document waarin de relatie tussen de Ansar en Muhadjireen in al Madinah enerzijds, en de joden in al Madinah anderzijds, centraal stond. In het document stond de vrijheid van het geloof van de joden en de onschendbaarheid van hun bezit centraal, in ruil voor bepaalde verplichtingen ten opzichte van de moslims. Het document begon als volgt:

"Dit is een document van Mohammed de Profeet, betreffende de relaties tussen de gelovige moslims van Qoraish en Yathrib, en degenen die hen gevolgd hebben, en degenen die zich bij hen aangesloten hebben, en degenen die naast hen gevochten hebben: zij zijn een Ummah, in uitsluiting van al de andere Ummah."

Hierna ging hij (saw) in op de manier waarop de relatie tussen de gelovigen gebaseerd diende te zijn. Hij vermeldde tevens de joden bij dit onderwerp.

Hij (saw) zei:

"Een gelovige zal geen gelovige doden voor het nut van een ongelovige, noch zal hij een ongelovige helpen tegen een gelovige. Allah's verbond tussen hen is een, waarvoor zelfs de minst capabele verantwoordelijk is. Gelovigen zijn vrienden onderling, ten uitsluiting van de ongelovigen. De joden die ons volgen en helpen, hen komt hulp en gelijkheid toe. Hen zal geen onrecht worden aangedaan, noch zullen hun vijanden geholpen worden. De vrede van de gelovigen valt niet onder te verdelen. Er zal geen gedeeltelijke vrede worden gesloten zolang de gelovigen vechten op het pad van Allah. Overeenkomsten moeten eerlijk zijn voor allen."

De joden die vermeld werden in dit document waren degen die onderdanen wensten te worden van de Islamitische Staat in al Madinah. Het was niet gericht naar de joodse stammen die verbleven in de gebieden rondom de stad. Het betekende dat iedere jood die een onderdaan van de staat wenste te worden dezelfde rechten zou genieten en dezelfde behandeling ten deel zou vallen als de moslims van al Madinah. Hij of zij zou tot de dhimmi gaan behoren, de mensen met wie het verbond is gesloten. De joodse stammen op wie het document betrekking had werden in het vervolg van het document vernoemd. Onder hen bevonden zich de joden van Banu ‘Auf, de joden van Banu al Najjar, en zo verder.

Hun positie vis-à-vis de Islamitische Staat was dus vastgelegd in het document. Het was duidelijk dat hun relatie met de moslims gebaseerd zou zijn op islamitische wetgeving, en dat ze ondergeschikt zou zijn aan de autoriteit van Islam en het doel van veilig stellen van de belangen van Islamitische Staat. Enkele van de punten genoemd in het document waren:

1.De vrienden van de joden zijn als zijzelf. Geen van hen zal de stad verlaten zonder toestemming van Mohammed (saw).

2.Yathrib zal een toevluchtsoord zijn voor de ondertekenaars van dit document.

3.Geschillen van waaruit mogelijkerwijs problemen kunnen resulteren zullen verwezen worden naar Allah (swt) en Zijn Boodschapper (saw).

4.De Qoraish en hun helpers zullen niet geholpen worden.

Het document legde tevens de positie van de joodse stammen in de omgeving van al Madinah vast, en het verordende dat dezen al Madinah niet mochten verlaten zonder toestemming van de Boodschapper van Allah (saw), oftewel zonder de toestemming van de Islamitische Staat. Het document verordende dat men niet het toevluchtsoord al Madinah mocht schenden door middel van het voeren van oorlog tegen haar, of door te helpen bij het voeren van oorlog tegen haar. En het document verordende dat het verboden was de Qoraish, alsmede degenen die de Qoraish hielpen, te helpen, en maakte duidelijk dat onder het verbond men verplicht was geschillen betreffende het document te verwijzen naarde Boodschapper van Allah (saw) voor resolutie.

De joden stemden overeen met het document, en al de joden vermeldt in het document ondertekenden het ook. Zij waren Banu ‘Auf, Banu al Najjar, Banu al Harith, Banu S'aida, Banu Jushm, Banu al Aus en Banu Th'alaba. Banu Qurayza, Banu al Nadi en Banu Qaynuq'a ondertekenden op een later ogenblik hetzelfde document. Allen accepteerden vrijwillig de rechten en plichten opgesteld in het document.

Hiermee had de Boodschapper van Allah (saw) de relaties in de nog jonge Islamitische Staat van een stevig fundament voorzien. En de relatie van deze staat met haar joodse buren was hiermee tevens van een stevig fundament voorzien; duidelijk en specifiek in haar details. Voor beide gevallen gold echter dat Islam de oordeelgever en rechter zou zijn. Hier beland raakte de Boodschapper van Allah (saw) gerustgesteld in de wetenschap dat de islamitische samenleving op de juiste basis gevormd was.

Redactie Expliciet Magazine:

Islam heeft samenleven tussen verschillende groepen derhalve geordend door duidelijke en precieze regels betreffende rechten en plichten. Het is een aanklacht tegen de mensen die beweren dat Islam geen tolerantie zou kennen: na bijna 1400 jaren van islamitische heerschappij vindt men nog steeds deze bevolkingsgroepen terug in de van oudsher islamitische gebieden in de wereld, tezamen met hun kerken en synagogen. Een geschiedenis van tolerantie en samenleven van verschillende groepen die in schril contrast staat met die van Europa, waar de joden en de moslims gedwongen werden van identiteit te veranderen. En het is een bewijs dat Islam een alomvattende oplossing is voor de mensheid, voor al haar problemen in het leven.
 

< Vorige   Volgende >
 [ Arabisch ]
Ayah

"Zien zij niet naar de wolken, hoe zij gevormd worden?

En naar de hemel, hoe deze hoog verheven werd?

En naar de bergen, hoe zij opgericht werden?

En naar de aarde, hoe zij uitgespreid werd?" (zie de vertaling v.d. betekennissen van Soerat: Al-Ghaasjijah)

Hadith

Overleveringen van de Profeet Muhammad (sallallahoe aleihi wa sallam)
Overgeleverd door Anas dat de boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: "toen ik werd opgenomen naar de hemelen (de miraadj) kwam ik voorbij sommige mensen die nagels van koper hadden waarmee zij hun gezichten en borsten krabden. Ik zei: wie zijn deze mensen, O Djibriel ? Hij zei; dezen zijn degenen die het vlees van de mensen aten en hun eer lasterden." (Aboe Dawoed)

over hadith..