|
Introductie In 1896 schreef Theodoor Herzl (joodse naam: Binyamin Ze'ev Herzl), geboren in 1860 te Boedapest, zijn politiek pamflet Der Judenstaat (De Joodse Staat). Herzl was opgegroeid in Wenen en geschoold tot meester in de rechten aan de Universiteit van Wenen, maar in de periode voor Der Judenstaat was hij in Parijs werkzaam geweest als journalist. Hij was joods van afkomst, maar niet religieus. Hij en zijn familie behoorden tot de hogere sociale klasse van de seculiere joden in Europa. Eerder al in Wenen, maar vooral tijdens zijn verblijf in Parijs maakte Herzl kennis met het antisemitisme van Europa. Hieruit trok Herzl de conclusie dat het "jodenvraagstuk" enkel opgelost kon worden indien het joodse ras zich zou verenigen in een eigen staat. Assimilatie in de Europese samenlevingen door de joden had het probleem van het anti-semitisme niet weten op te lossen, stelde Herzl, en assimilatie zou dit probleem ook nooit op kunnen lossen. Voor een echte oplossing voor het probleem zou het joodse ras zich moeten omvormen van "vreemde eend in de bijt" - zoals zij op dat moment feitelijk overal waar zij verbleven in Europa beschouwd werden - tot geaccepteerde burgers van de wereld, en wel door het stichten van een eigen joodse staat. De ideeën van Herzl werden met weinig enthousiasme ontvangen binnen joodse (religieuze) kringen. Zijn plan om naar aanleiding van de publicatie van Der Judenstaat een congres te organiseren in München om de zionistische politieke ideeën toe te lichten en te bespreken, liep dan ook op niets uit vanwege verzet hiertegen... door de joden van München. Zo kwam het dat het Eerste Zionisten Congres uiteindelijk plaats vond in Basel, Zwitserland, in 1897. Dit congres definieerde het streven - en hierdoor de betekenis - van zionisme, als: "Het doel van zionisme is de creatie voor het joodse volk van een thuisland in Eretz (Groot) Israël, zeker gesteld door de wet."
Tijdens deze eerste bijeenkomst van zionistische joden werd het Wereld Zionisten Congres opgericht om te werken aan realisering van het doel van zionisme, en het kreeg Theodoor Herzl toegewezen als eerste president. De methode van het Wereld Zionisten Congres zou, volgens de deelnemers aan het congres, moeten zijn: 1. Promotie middels geschikte middelen van de vestiging in Eretz Israël door joodse boeren en producenten; 2. Het organiseren van de vereniging van het ganse jodendom; 3. Het versterken en bevorderen van het joods sentiment en het joods nationaal bewustzijn; 4. Voorbereidende stappen ter vergaring van toestemming van overheden, waar nodig, om de doelen van het zionisme te kunnen realiseren.
Naar aanleiding van het Eerste Zionisten Congres schreef Herzl in zijn dagboek: "Zou ik het congres van Basel in één woord samen moeten vatten - wat ik zal beschermen opdat het niet publiekelijk uitgesproken wordt - dan zou dit het volgende zijn: 'In Basel heb ik de Joodste Staat gesticht'. Als ik dit vandaag luid zou verkondigen dan zou ik universeel uitgelachen worden. In 5, of misschien 50 jaar zal iedereen dit erkennen." ________________________________________
Bij de foto: Theodoor Herzl (1860 - 1904) en de kaft van zijn Der Judenstaat:Versuch einer Moderne Lösung der Judenfrage (De jodenstaat: poging tot oplossing vanhet jodenvraagstuk) van 1896, waarin hij zijn plan voor de toekomst van het joodse ras uiteenzette. ________________________________________ In het teken van het zionisme ontmoette Herzl vervolgens verschillende malen de Keizer van Duitsland. Aan de hand van de Keizer probeerden de zionisten in persoonlijk contact te treden met de Ottomaanse Khalifah AbdoelHamid II, wiens Khilafah op dat moment nog regeerde over het gebied dat Eretz Israël zou moeten worden volgens de zionisten: Palestina. In 1901 bezocht een delegatie van de zionisten AbdoelHamid II met een voorstel: - Betaling van alle schulden van de Ottomaanse Khilafah door de zionisten; - Opbouw van de marine van de Ottomaanse Khilafah bekostigd door de zionisten; en - 35 miljoen gouden lira's in lening van de zionisten aan de Ottomaanse Khilafah, renteloos, om de welvaart van de Ottomaanse Khilafah te ondersteunen.
Dit alles in ruil voor: - Het recht voor joden om Palestina te bezoeken en er te verblijven waneer zij wilden; - Het recht voor joden om in Palestina, dichtbij aan Al Qoeds (Jeruzalem) nederzettingen te bouwen waar zij zouden kunnen leven.
Maar de Khalifah weigerde om hen zelfs maar te ontmoeten. Hij liet hen door een derde persoon zijn antwoord op het voorstel van de zionisten overbrengen: "Vertelt die onbeleefde joden dat de schulden van de Ottomaanse Khalifah geen schande zijn, (ook) Frankrijk heeft schulden maar lijdt er niet onder. Al Qoeds werd een deel van het Islamitische Khalifah toen 'Oemar bin Al Chattab de stad innam, en ik ga niet de historische schande van het verkopen van het Heilige Land aan de joden dragen, en ik wil de verantwoordelijkheid over en het vertrouwen van mijn mensen niet schaden. De joden mogen hun geld houden. De Ottomanen schuilen niet in kastelen die met het geld van de vijanden van Islam zijn gebouwd."
Later hetzelfde jaar probeerde Herzl zelf Khalifah AbdoelHamid II te bezoeken, maar ook hem weigerde de Khalifah te ontmoeten: "Adviseer Dr. Herzl om geen verdere stappen te nemen betreffende zijn project. Ik kan zelfs geen handvol van de grond van dit land weggeven, want het is niet van mij. Het is van de Islamitische Oemma. De Islamitische Oemma die omwille van dit land Djihad heeft gedaan en haar bloed ervoor heeft vergoten. De joden kunnen hun geld en hun miljoenen behouden. Als een dag de Islamitische Khilafah vernietigd wordt dan zullen zij Palestina kunnen nemen zonder er een prijs voor te betalen! Maar zolang ik in leven ben zou ik eerder een zwaard in mijn lichaam steken dan toe te zien dat Palestina wordt weggerukt en weggeven door de Khilafah. Dit is iets wat niet zal gebeuren, ik kan onze organen niet afsnijden terwijl wij in leven zijn."
De weigering van de Khilafah om ook maar te praten over een verkoop van Palestina aan de zionisten deed Herzl besluiten zich te wenden tot de leiders van andere naties, meest vooraanstaand Groot-Brittannië. Groot-Brittannië en Frankrijk, vijanden van de Khilafah
In de 19e eeuw bewoog de Ottomaanse Khilafah zich in het vizier van de Europese imperialistische staten, Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland en (in mindere mate) Italië. Allen smeedden plannen in de hoop de gebieden van de Ottomaanse Khilafah te kunnen "bevrijdden" en voor zichzelf te kunnen inwinnen. Van deze wetenschap probeerden de zionisten gebruik te maken. Derhalve, na de afwijzing van het aanbod van "hulp" van de zionisten door Khalifah AbdoelHamid II, bood de opvolger van Theodoor Herzl als leider van de zionisten, Chaim Weizmann, deze hulp aan bij deze vijanden van de Ottomaanse Khilafah. Weizmann probeerde deze landen er van te overtuigen dat door middel van het doel van de zionisten zij eigenlijk hun eigen doel - inname van de landen van de Khilafah - zouden realiseren. Vooral in het geval van Groot-Brittannië slaagden de zionisten er in de juiste mensen voor hun zaak te winnen, zo bijvoorbeeld in het geval van Lloyd George die later premier van Groot-Brittannië zou worden, Arthur James Balfour die later Brits minister van Buitenlandse Zaken zou worden, en Mark Sykes. Bij hen benadrukte Weizman keer op keer de volgende boodschap: "Zou Palestina onder de Britse sfeer van invloed komen te liggen, en zou Groot-Brittannië een joodse kolonisatie van het gebied aanmoedigen, ... dan zouden we daar in 20 tot 30 jaar een miljoen joden kunnen hebben; zou zouden een uitstekende bewaker zijn voor het (Britse) Suez kanaal." "Engeland zou in de joden de best mogelijke vriend hebben, die de ideeën van de oosterse landen als beste begrijpen en die als brug zouden kunnen dienen tussen de twee beschavingen. Dat is wederom niet een materieel argument, maar voor de politicus die graag 50 jaar vooruitkijkt zou dat toch zeker grote waarde moeten hebben." 1
Over de laatstgenoemde van het stel Britse contacten, Mark Sykes, zei Weizman: "Een van onze grootste vondsten was Mark Sykes, secretaris-generaal van het Ministerie van Oorlog. Ik kan onmogelijk te veel zeggen over de diensten die Sykes ons verleend heeft."
Mark Sykes was degene die namens de Britse overheid onderhandelde met de Franse overheid over de opsplitsing van de landen van de Ottomaanse Khilafah onder hen beiden. In eerste instantie was Frankrijk de mening toegedaan dat de gebieden die ten tijde van de Kruistochten door haar voor korte tijd veroverd waren geweest ook nu haar ten deel moesten vallen. Frankrijk, met andere woorden, claimde het hedendaagse Libanon waar de Maronieten woonden, de Christelijk gemeenschap met wie de Fransen nauwe banden onderhielden, Syrië en Palestina. Aan Sykes was de taak om de Fransen er van te overtuigen dat Palestina in handen moest komen van de zionisten, en dus dat het in eerste instantie onder de autoriteit van de Britten geplaatst zou moeten worden opdat die het dan op een later moment aan de zionisten over zouden kunnen dragen. "Het plan-de-campagne begon nu vorm te krijgen. Weizmann zou Sykes ontmoeten in Egypte en tezamen met hem naar Palestina gaan wanneer de tijd daarvoor rijp was. Sokolow (een ander lid van het Wereld Zionisten Congres) zou zien wat hij kon doen om een meer gunstige atmosfeer te creëeren in Parijs, waar tot dusver de regerring niet genegen was geweest de zionisten serieus te nemen en waar de leidende joden openlijk vijandig waren gebleken (tegenover de zionisten). ... Een georganiseerde poging werd ondernomen om steun te vergaren onder Russische en Amerikaanse zionisten en - waar mogelijk - van hun regeringen, voor het nu veropenlijkte zionistische plan: de totstandbrenging van een Joods Gemenebest in Palestina onder auspiciën van Groot-Brittannië. Sykes, voor zijn deel, maakte zich klaar om tegenover Picot (de Franse evenknie van Sykes) duidelijk te maken dat Groot-Brittannië er op zou staan om de autoriteit over Palestina te verkrijgen en dat de Fransen zichzelf in het reine zouden moeten brengen met het verlaten van hun aanspraak (op het gebied)." 2
________________________________________
Bij de foto: de kaart behorende bij de overeenkomst tussen Frankrijk en Groot-Brittannië bekend geworden onder de naam Sykes-Picot. Palestina is als "speciaal gebied" aan geen van beide partijen toebedeeld, voor haar was een speciale status in het leven geroepen. ________________________________________ Uiteindelijk accepteerde Frankrijk de "joodse kolonisatie van Palestina" en liet het Palestina overgaan tot het gebied onder Britse controle, zou de Ottomaanse Khilafah eenmaal vernietigd zijn. In het verdrag dat bekend zou worden onder de naam van haar opstellers Mark Sykes namens Groot-Brittannië en François Georges Picot namens Frankrijk, oftewel het verdrag van Sykes-Picot van 1916, wordt dit als volgt verwoord: "Ik heb de eer de ontvangst van uwe Excellentie's notitie (...) te mogen bevestigen, waarin wordt gesteld dat de Franse regering de grenzen van de toekomstige Arabische staat, of conmfederatie van Arabische staten, accepteert, en die delen van Syrië waar Franse belangen zullen domineren, tezamen met de hierop betrekking hebbende voorwaarden, zoals zij zijn geresulteerd uit de recente discussies in Londen en Petrograd bij dit onderwerp. Mij valt de eer toe uwe Excellentie in antwoord te informeren dat acceptatie van het ganse project, zoals het nu op tafel ligt, het afzien van aanzienlijke Britse belangen behelst, maar dat, gezien het feit dat Zijne Majesteits regering het voordeel van het algemene doel van de geallieerden om een meer gunstige interne politieke situatie tot stand te brengen in Turkije erkent, zij bereid is de overeenkomst waartoe nu gekomen is te accepteren, op voorwaarde dat de assistentie van de Arabieren verzekerd wordt en dat de Arabieren aan de voorwaarden voldoen en de steden Homs, Hama, Damascus en Aleppo innemen. Derhalve is het volgende begrepen door de Franse en Britse overheden: 1. Dat Frankrijk en Groot-Brittannië bereid zijn om een onafhankelijke Arabische staat of een confederatie van Arabische staten onder de heerschappij van een Arabische leider, te erkennen en beschermen in de gebieden gemarkeerd met (A) en (B) op bijgevoegde kaart. Dat in gebied (A) Frankrijk, en in gebied (B) Groot-Brittannië, het voorrecht zal kennen op onderneming en uitlenen van geld. Dat in gebied (A) Frankrijk, en in gebied (B) Groot-Brittannië, alleen adviseurs of buitenlandse adviseurs zal aanleveren op verzoek van de Arabische staat of een confederatie van Arabische staten. 2. Dat in het blauwe gebied (Libanon, kust Syrië en binnenland Turkije) Frankrijk, en in het rode gebied (Irak en Koeweit) Groot-Brittannië, gerechtigd zullen zijn een direct of indirecte administratie of controle te vestigen zoals zij wensen en zoals zij juist mogen achten. 3. Dat in het bruine gebied (Palestina) een internationale administratie gevestigd zal worden, over wiens vorm beslist zal worden na consultering van Rusland, en naderhand consultering met de andere geallieerden en de Sjarief van Mekka."
Dit was voor de zionisten onder leiding van Weizmann het teken om te werken aan het formaliseren van de afspraak van de zionisten met de Britse regering. "De tijd was gekomen, derhalve, om actie te ondernemen, om aan te zetten tot een verklaring van het beleid van de Britse regering inzake Palestina; en tegen het einde van januari 1917 stuurde ik naar Mark Sykes een memorandum voorbeid door ons committee."
Deze verklaring van de Britse regering kwam er dan ook, en wel gebaseerd op het voorstel van de zionisten. Het was een schrijven van de hand van de eerder genoemde Sir Balfour, op dat moment reeds Brits minister van Buitenlandse Zaken, in de richting van de Lord Rothschild, één van de leiders van de zionisten. Het document is bekend geworden als de Balfour Declaratie van 1917: "Geachte Lord Rothschild, Met groot genoegen zend ik U namens Zijne Majesteits regering de volgende verklaring van sympathie met het joodse zionistische streven. Ze werd het kabinet voorgelegd en is door het kabinet goedgekeurd. Zijner Majesteits regering staat welwillend tegenover de oprichting van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina en zal zich de grootste inspanningen getroosten om het bereiken van dat doel te vergemakkelijken, waarbij vanzelfsprekend niets gedaan kan worden dat aan de maatschappelijke en godsdienstige rechten van niet-joodse gemeenschappen in Palestina of aan de rechten van de joden als burgers van andere landen afbreuk zou kunnen doen. Ik ben U erkentelijk wanneer U deze verklaring ter kennis wilt brengen van de Zionistische Federatie. Hoogachtend, Arthur James Balfour"
Hiermee beschikten de zionisten over een formele verklaring van Groot-Brittannië dat eenmaal zij de controle over Palestina zou verkrijgen, wat op dat moment in 1917 nog behoorde tot de Ottomaanse Khilafah, dat dit Palestina dan het thuisland voor de zionisten zou worden. De Arabische verraders
Vanzelfsprekend was de belangrijkste stap ter completering van dit Frans/Brits/zionistisch complot de bewerkstelliging van de vernietiging van de Ottomaanse Khilafah. Het Britse plan hiertoe was het organiseren van een opstand door Arabieren tegen de Khilafah. Initieel stelde het India Bureau van het Brits ministerie van Buitenlandse Zaken, het departement dat verantwoordelijk was voor de administratie van de Brits kolonie India 3, voor om haar Arabische agent Ibn Saoed hiertoe in te schakelen. Daarentegen stelde het Caïro Bureau van het Brits ministerie van Buitenlandse Zaken, het departement dat verantwoordelijk was voor de administratie van de Brits kolonie Egypte 4, voor om gebruik te maken van haar Arabische agent Hoessein, de Sjarief van Mekka, en diens zonen. Het plan van het Caïro Bureau kreeg uiteindelijk de steun van de Britse regering, en daarop werd agent Sjarief Hoessein geïnformeerd betreffende hetgeen van hem verwacht werd. ________________________________________
Bij de foto: Sjarief Hoessein bin Ali, regent (wali) over Mekka namens de Ottomaanse Khalifah ________________________________________ In reactie stuurde Sjarief Hoessein zijn zoon Faisal bin Hoesein naar Damascus, om daar onder de vooraanstaande Arabieren te polsen wat nodig zou zijn om hun steun te verkrijgen voor een opstand tegen de Khilafah. Het antwoord vatte Sjarif Hoessein samen in een brief gericht aan Sir Henry McMahon, die door de Britse regering aangesteld was als Hoge-Commisaris in Egypte. Dit schrijven, effectief de eisen die Sjarief Hoessein stelde aan de Britten voor zijn deelname aan hun plan tegen de Khilafah, draagt de naam het Damascus Protocol: "In ruil voor zijn medewerking, wat zou moeten leiden tot controle over gans het Arabisch Schiereiland, Mesopotamië, Syrië, Palestina en een deel van Sicilë, formuleert Sjarief Hoesein de volgende eisen: De onafhankelijkheid van de Arabieren, in een gebied begrensd in het noorden tot inclusief Mersina en Adana, en begrensd tot de 37e breedtegraad tot aan de Perzische grens; de oosterse grens zou de Perzische grens moeten zijn tot de Golf van Basra; in het zuiden zou het gebied moeten grenzen aan de Indische Oceaan, met uitzondering van Aden; in het westen zou het begrensd moeten worden door de Rode Zee en de Middelandse Zee tot Mersina. Groot-Brittannië zou de vestiging van een Arabisch Khilafah moeten erkennen. (...) In ruil hiervoor verklaart de Sjarief zich bereid Groot-Brittannië preferentieel te behandelen in al de economische zaken van de Arabische landen, al het overige gelijk. Een defensieve militaire alliantie zou overeengekomen moeten worden. In het geval één der partijen een offensieve oorlog zou ondernemen, dan moet de andere partij zich strict neutraal opstellen."
McMahon antwoorde namens de Britse regering bevestigend op Sjarief Hoesseins eisen, waardoor betreffende het Britse plan ter vernietiging van de Ottomaanse Khilafah met alle partijen op alle fronten een akkoord was bereikt: "De gebieden van Mersina en Alexandretta, de delen van Syrië die gelegen zijn ten westen van Damascus, Homs, Hama en Aleppo, hiervan 5 kan niet gezegd worden dat zij zuiver Arabisch zijn, en derhalve moeten zij buiten de voorgestelde begrenzing (van het te vormen Arabische Kalifaat) gehouden worden. Onder voorbehoud van aanpassingen, en zonder bevooroordeeld te zijn door verdragen tussen ons en bepaalde Arabische leiders, accepteren we deze begrenzing. Voor wat betreft de gebieden binnen de voorgestelde grenzen, binnen welken het Groot-Brittannië vrij staat te handelen zonder de belangen van haar bondgenoot Frankrijk te schaden, ben ik gemachtigd u de volgende beloftes te doen namens de regering van Groot-Brittannië, en om als volgt te reageren op uw schrijven: Dat onder voorbehoud van bovenstaande aanpassingen, Groot-Brittannië bereid is de onafhankelijk van de Arabieren te erkennen en behouden, in al de gebieden binnen de grenzen voorgesteld door de Sjarief van Mekka. Groot-Brittannië garandeert de Heilige Plaatsen tegen iedere buitenlandse aggressie, en erkent hun individualiteit. Mocht de situatie dit toestaan, dan zal Groot-Brittannië de Arabieren adviseurs ter beschikking stellen, en hen helpen in het opzetten van een overheid die het meest geschikt is voor de verschillende gebieden. Aan de andere kant, het is begrepen dat de Arabieren reeds besloten hebben enkel de raad en het advies te zoeken van Groot-Brittannië; en dat de Europese adviseurs en ambtenaren zoals die nodig zijn om een gedegen overheidsapparaat op te zetten, Britten zullen zijn. Met betrekking tot de twee wilayat van Basra en Bagdad, de Arabieren erkennen het feit dat de posities aldaar ingenomen en de belangen aldaar gerealiseerd door Groot-Brittannië, een speciaal administratieve overeenkomst vereisen om deze gebieden te beschermen tegen buitenlandse aggressie, om het welzijn van hun inwoners te verzekeren en om onze gemeenschappelijke belangen te kunnen beschermen."
Groot-Brittannië stuurde Hoessein daarop hun agent T.E. Lawrence, om de Arabische opstand te coördineren. "Lawrence of Arabia", zoals T.E. Lawrence beroemd zou worden, doorzag de ambitie van Sjarief Hoessein heel duidelijk. Sjarief Hoessein was door de Ottomaanse Khalifah eigenlijk aangesteld als wali (gouverneur) over de wilaya (gouvernement) Hedjaz, maar in plaats van gehoorzaamheid tegenover de Khalifah en het behartigen van de belangen van de moslims was zijn eigenlijke doel anders. Lawrence scheef: "Zijn (Sjarief Hoessein) doel is het vestigen van een (tweede) Khilafah voor zichzelf, en onafhankelijkheid voor de Arabisch sprekende mensen van de huidige vervelende onderwerping door de mensen die Turks spreken. Zijn doelstelling is dus duidelijk in conflict met de pan-Islamitische beweging die zijn voornaamste obstakel vormen. Zijn activiteit lijkt voordelig voor ons omdat het voortgaat volgens onze doelstellingen, de opsplitsing van het Islamitische blok en verstoring van het Ottomaanse Rijk. (...) Als we er toch voor zouden kunnen zorgen dat zijn politieke verandering gewelddadig zal zijn, dan zullen we de bedreiging van Islam verwijderd hebben."
Voor de zionisten was de afspraak van de Britse overheid met Sjarief Hoessein een aanleiding om ervoor te zorgen dat ook deze partij, de Arabische agenten van de Britten, met hen in zee zou gaan. Wiezmann contacteerde hiertoe Faisal bin Hoessein, de zoon van Sjarief Hoessein, om ook met hem definitieve afspraken te maken betreffende Palestina. Het resultaat van het overleg tussen beiden is bekend geworden als het Faisal-Weizmann Verdrag, dat ondermeer stipuleerde: "Zijne koninklijke hoogheid de Amir Faisal, vertegenwoordigende en handelende namens het Arabische koninkrijk van Hedjaz, en dokter Chaim Weizmann, vertegenwoordigende en handelende namens de Zionistische Organisatie, bewust van de raciale broederschap en de eeuwenoude banden die bestaan tussen de Arabieren en het joodse volk, en zich realiserende dat de meest zekere manier om hun beider nationale aspiraties te kunnen realiseren is door middel van de meeste hechte van samenwerkingen in de vestiging van een Arabische Staat en Palestina, en ernaar verlangende om de goede verstandhouding die tussen hen beiden bestaat te bevestigen, zijn de volgende artikelen overeengekomen:
Artikel I De Arabische Staat en Palestina zullen zich in al hun relaties en ondernemingen beperken tot de meest hoffelijke goodwill en begrip, en voor dit doel zullen Arabische en joodse agenten gevestigd worden en behouden worden in hunner beider gebieden. (...) Artikel III Bij de vestiging van een grondwet en een administratie voor Palestina zullen al de stappen genomen worden die met de grootste zekerheid de tenuitvoerbrenging van de (Balfour) declaratie van de Britse regering van de 2e november 1917, zal garanderen. Artikel IV Al de noodzakelijke stappen zullen genomen worden om immigratie van joden naar Palestina op grote schaal aan te moedigen en te stimuleren, en om zo snel mogelijk de joodse immigranten te vestigen in het land door het opzetten van vestigingen en cultivatie van het land. Bij het nemen van de stappen zullen de rechten van de Arabische boer beschermd worden, en zij zullen geholpen worden om vooruit te gaan in hun economische ontwikkeling. (...) Artikel IX Ieder dispuut dat kan ontstaan tussen beide partijen van het contract zal verwezen worden naar de Britse regering voor arbitrering. Getekend,
Faisal bin Hoessein Chaim Weizmann"
Zo verraadden Sjarief Hoessein en zijn zonen de Khilafah en de moslims. Zij verkochten Palestina wel aan de zionisten, in tegenstelling tot wat Khalifah AbdoelHamid II had gedaan. Enkel en alleen op zoek naar steun voor hun ambitie om als agent van Groot-Brittannië een eigen Khilafah te kunnen stichten. ________________________________________  Bij de foto: Chaim Wezimann (links) en Faisal bin Hoessein (rechts) in 1918 ________________________________________
Het voorlopige einde van de heerschappij van Islam over Palestina Ondanks hun ontevredenheid betreffende de manier waarop zij door binnen de Ottomaanse Khilafah geregeerd werden bestond er onder de gemiddelde Arabische moslim weinig tot geen enthousiasme voor deelname aan een opstand tegen de Khalifah. Derhalve wendden de Britten zich tot een oud en beproefd middel om de leiders van de Arabische bevolking te motiveren de aan hun loyale mensen aan te zetten tot vechten aan de zijde van de Britten. Dit middel was omkoping, en T.E. Lawrence zou op het Arabisch schiereiland hierdoor al snel bekend geraken als "de man met het goud". Met grote hoeveelheden geld werden bepaalde stamhoofden verleid tot het steunen van Sjarief Hoessein en de Britten, en dus het verraden van de Khilafah en de moslims. Zodoende ondervonden de Britse troepen steun van troepen onder aanvoering van Faisal bin Hoessein en Abdoellah bin Hoessein, toen zij vanaf 1916 vanuit Egypte noordwaarts probeerden te trekken in de richting van Palestina en verder. Enerzijds voerden de soldaten van Sjarief Hoessein op advies van T.E Lawrence een guerilla oorlog tegen de Khilafah. Zij richten zich tegen de transporten ter bevoorrading van de legers van de Khalifah op het Arabisch schiereiland. Zo probeerde men de Khilafah te laten bloeden. Anderzijds vielen de soldaten onder aanvoering van Faisal en Abdoellah de troepen van de Khilafah aan op verschillende plaatsen langs de Gazza / Beersjeba-linie, de voornaamste lijn van verdediging van Jeruzalem. Hiernaast werden de troepen van de Khilafah in hun ruggen aangevallen door groepen van zionisten die zich reeds in Palestina gevestigd hadden. Verraad was dus hoe deze joden de gastvrijheid van de Khilafah terugbetaalden. Uiteindelijk nam het Britse leger onder aanvoering van generaal Allenby dan ook Jeruzalem in, in december 1917, en Damascus in 1918. Niet veel later volgde de rest van het gebied dat het onderwerp was van de overeenkomst van Sykes-Picot. Aan de Volkerenbond, de voorloper van de Verenigde Naties, was hierna de taak om de afspraken tussen de Britten, Fransen, zionisten en hun Arabische agenten internationaal geaccepteerd te krijgen. Op 24 juli, 1922, nam zij hiertoe een resolutie aan genaamd het Palestina Mandaat, waarin de Britse heerschappij over Palestina officieel werd gemaakt en waarin de overdracht van Palestina door de Britten in handen van de zionisten geregeld werd. De voornaamste bepalingen in deze resolutie zijn de volgenden: "Terwijl de Voornaamste Geallieerde Machten tevens overeengekomen zijn dat de houder van het Mandaat (over Palestina) verantwoordelijk zal zijn om effectief te doen laten worden de declaratie origineel van de 2e November, 1917, van de regering van Zijne Britse Majesteit, en aangenomen door de genoemde Machten, ten gunste van de vestiging in Palestina van een nationaal thuis voor het joodse volk ...; en Terwijl reeds erkenning is gegeven aan de historische band van het joodse volk met Palestina en aan de gronden voor heroprichting van hun nationale thuis in dat land; en Terwijl de Voornaamste Geallieerde Machten gekozen hebben Zijne Britse Majesteit als houder van het Mandaat over Palestina; Dit Mandaat bevestigende zijn de voorwaarden als volgt: Artikel 1: De houder van het Mandaat zal de volledige macht hebben met betrekking tot wetgeven en administratie, behalve daar waar dit beperkt is door de voorwaarden voor dit Mandaat. Artikel 2: De houder van het Mandaat zal de verantwoordelijkheid dragen om het land onder de politieke, administratieve en economische condities te plaatsen die de vestiging van een joods nationaal thuis zullen verzekeren, zoals uiteengezet in de inleiding, (...). (...) Artikel 4: Een geschikte joodse instelling zal erkend worden als een publieke instelling met het doel te adviseren betreffende en mee te werken met de administratie in Palestina, in de economische, sociale of weer andere aangelegenheden die van invloed kunnen zijn op de vestiging van het joodse nationale thuis en de belangen van het joodse volk in Palestina. En om - altijd onder controle van de administratie - te assisteren bij en deel te nemen aan de ontwikkeling van het land. De Zionistische Organisatie, zo lang haar organisatie en grondwet toepasselijk zijn naar het oordeel van de houder van het Mandaat, zal erkend worden als deze instelling. Het zal in overleg met de regering van Zijne Britse Majesteit stappen nemen om te zorgen voor de samenwerking met al de joden die bereid zijn te helpen bij de vestiging van het joodse nationale thuis."
Ten Slotte
Met het Palestina Mandaat kregen de zionisten effectief hetgeen waarvoor ze hadden gewerkt. Omdat de aantallen joden in Palestina bescheiden waren en bleven tot maximaal 1 op 5 van het totaal aantal mensen, echter, bleef een formele heerschappij van Groot-Brittannië van noodzaak. Het zou tot de Tweede Wereldoorlog duren voordat van emigratie van joden naar Palestina op grote schaal sprake zou worden. Toen ook vonden de grootschalige verdrijving van de oorspronkelijke bevolking van Palestina door de zionistische joden plaats. En toen ten gevolge hiervan de demografische verhoudingen eenmaal in het voordeel van de joden was, ging Brits Palestina over in de zionistische entiteit Israël. ________________________________________ Joodse immigratie in Palestina  Bij de tabel: Volgens schattingen bedroeg in 1940 het aantal Arabieren in Palestina omstreeks 1.5 miljoen ________________________________________
Na de vernietiging van de Khilafah In Syrië installeerden de Britten Faisal bin Hoessein als koning van Syrië (1920). Maar nadat de Fransen het mandaat over Syrië middels een revolutie op zich hadden genomen en Faisal buiten gezet hadden, installeerden de Britten hem als koning van Irak 6 (1921 - 1933). De andere zoon van Sjarief Hoessein, Abdoellah bin Hoessein, werd koning van Trans-Jordanië (1921 - 1951). Sjarief Hoessein zelf verklaarde zich "Khalifah van alle moslims" in 1924, maar tekende daarmee zijn eigen doodsvonnis. Het was een stap die de Britse haat tegen Islam onderschatte, en het was daarmee een stap die de Britten deed besluiten "Khalifah" Hoessein buiten de deur te zetten ten gunste van hun andere agent op het Arabisch Schiereiland, 'Abdoel 'Azziez Ibn Saoed. Zo is de geschiedenis van het verraad van Palestina, al Khilafah en de moslims.
1 "De oorsprong en evolutie van het Palestina Probleem", Verenigde Naties publicatie, www.domino.un.org 2 Ibidem noot 1 3 Het hedendaagse India, Pakistan en Bangladesh 4 Het hedendaagse Egypte tezamen met Soedan 5 Het hedendaagse Syrië en Libanon dat onder Frans bestuur zou moeten komen volgens Sykes-Picot 6 Het hedendaagse Jordanië |