zaterdag 11 februari 2012 In de naam van Allah, De Barmhartige De Erbarmer
Home
Missie & Visie
De weg naar geloof
Verklaringen
Pamfletten
Boeken
Intellectualisme
Definities&Termen
Wetgeving
Politiek
Multimedia
Koran
Hadith
Reacties
Van de lezers
Nieuws & Commentaar
Boek
Home
Het wonder van de Koran - deel 3 - Seyyid Qoetb over soera Al Fatiha Afdrukken E-mail
maandag 03 december 2007

"Vanuit dit perspectief kan Islam heel duidelijk gezien worden als een diepgaande en tijdige handeling van genade voor de mensheid - een genade die schoonheid, eenvoud, helderheid, harmonie en erkenning van de menselijke natuur gegeven is." Seyyid Qoetb (1906 - 1966)

Het eerste hoofdstuk van de Koran is soera Al Fatiha. Het is een van de kortste hoofdstukken van de Koran. Het is een van de pilaren van het gebed van de moslims, omdat het in iedere raka (serie van handelingen, het gebed bestaat uit twee, drie of vier rakaat) gereciteerd moet worden. Op het eerste gezicht lijkt deze soera Al Fatiha te bestaan uit een aantal, in meer en mindere mate bij elkaar horende zinnen. Echter, de tafsier (uitleg) van de soera door de grote geleerde en sjahied (martelaar in dienst van Allah) Seyyid Qoetb, moge Allah (swt) tevreden met hem zijn, maakt duidelijk hoeveel eigenlijk gezegd wordt met deze paar zinnen. Hoe een groot deel van de essentie van Islam hiermee uiteengezet wordt. Tegelijkertijd maakt Seyyid Qoetb duidelijk hoezeer ieder vers afhankelijk is van het voorafgaande, in dat ieder vers voortborduurt de ideeën gepresenteerd door het voorafgaande vers. Dus buiten dat Seyyid Qoetb duidelijk hoe soera Al Fatiha echt begrepen moet worden, toont hij het verheven niveau van de taal van de Koran aan. De Koran, het boek met ongekende diepgang in het hetgeen gezegd wordt, en tegelijkertijd harmonie in zowel vers als klank, in een stijl die de noch poëzie noch proza is.

 

بِسْمِ اللّهِ الرَّحْمـَنِ الرَّحِيمِ .1

الْحَمْدُ للّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ .2

الرَّحْمـنِ الرَّحِيمِ .3

مَـالِكِ يَوْمِ الدِّينِ .4

إِيَّاكَ نَعْبُدُ وإِيَّاكَ نَسْتَعِينُ .5

اهدِنَــــا الصِّرَاطَ المُستَقِيمَ .6

صِرَاطَ الَّذِينَ أَنعَمتَ عَلَيهِمْ غَيرِ المَغضُوبِ عَلَيهِمْ وَلاَ الضَّالِّينَ .7

 

1. Bismillaahir rahmaanir rahiem

2. Al hamdoe lillaahi rabbil ‘aalamien

3. Ar rahmaanir rahiem

4. Maaliki yawmiddien

5. Iyyaaka na'aboedoe wa iyyaaka nast'aien

6. Ihdinas siraatal moestaqiem

7. Siraatal lathiena an ‘amta ‘aleyhiem ghayriel maghdoebi ‘aleyhim walad daallien

 

1. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle

2. Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden.

3.  De Barmhartige, de Genadevolle

4. Meester van de Dag des Oordeels

5. U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp

6. Leid ons op het rechte pad

7. Het pad dergenen aan wie Gij gunsten hebt geschonken - niet dat van hen, op wie toorn is nedergedaald, noch dat der dwalenden.

 

Uit "Fi zilal al Qoran (In de schaduw van de Koran)", door Seyyid Qoetb:

Iedere moslim reciteert deze korte soera van zeven verzen ten minste zeventien maal per dag. Een authentieke hadith van de Profeet (saw) zegt: Het gebed van iemand die de Fatiha niet leest is niet geldend. Deze korte soera bevat een groot aantal van de ideeën die ten basis liggen aan Islam, hetgeen waarin onder haar geloofd wordt. De soera zet veel van de essentiële visies en houdingen uiteen. Dit allemaal maakt duidelijk waarom deze soera is gekozen voor de geregelde recitatie en waarom deze essentieel is wil het gebed geldig zijn.

De soera begint met de zin:

 

"In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle"

(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Fatiha 1, vers 1)

Dit vers wordt door een meerderheid van geleerden gezien als een op zichzelf staand vers van de soera, waardoor het totaal uit zeven bestaat. Er bestaat echter een verschil van mening of dit ook zo is in al de andere soera's van de Koran waar deze woorden verschijnen als openingszin. Sommige geleerden zijn van mening dat het tot de Fatiha is waarnaar het volgende vers van de Koran verwijst: "En Wij hebben u inderdaad de zeven dikwijls herhaalde verzen en de grote Koran gegeven"( Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Hidjr 15, vers 87).

De verzen van de Koran die allereerst zijn geopenbaard aan Profeet Mohammed (saw), die beginnen met "Lees in de Naam van jouw Heer..." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Alaq 96, vers 1) bevestigen de Islamitische etiquette van het aanroepen van de naam van Allah (swt) bij het begin van iedere handeling. Dit is ook in lijn met het fundamentele Islamitische principe, Allah (swt) "is de Eerste en de Laatste, de Zich Manifesterende en de Zich Verborgene..." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Hadied 57, vers 3). Hij (swt) is inderdaad het ware wezen, de oorsprong en de reden voor het bestaan van alles dat bestaat. In Zijn naam, derhalve, wordt iedere beweging gedaan en handeling ondernomen. En in Zijn naam begint alles.

De Goddelijke eigenschappen van de Barmhartige, Ar Rahman, en de Genadevolle, Ar Rahiem, omvatten alle aspecten en betekenissen van barmhartigheid. Het kan enkel gebruikt worden met betrekking op de Almachtige Allah (swt). Het is (taalkundig) mogelijk om de eigenschap Ar Rahiem te gebruiken met betrekking tot een mens, maar het Islamitische geloof vereist dat het gebruik van Ar Rahiem exclusief voor Allah (swt) is. Voor wat betreft de discussie over welke van deze twee bijvoeglijke naamwoorden het meest alomvattend de betekenissen van genade en barmhartigheid omvat, dit is voor ons niet van interesse hier. We kun concluderen, echter, dat in combinatie zij (tezamen) al de aspecten en dimensies van genade omvatten.

Aangezien het aanroepen van Allah (swt) bij het begin van iedere handeling een fundamenteel principe van het Islamitische geloof is, is de beperking van Ar Rahman en Ar Rahiem tot enkel Allah (swt) het tweede principe, en het definieert de relatie tussen Allah (swt) en de mens. Na Allah (swt) aangeroepen te hebben en Zijn oneindige genade erkend te hebben, wordt men ertoe geleid Allah (swt) te prijzen en om Zijn (swt) absoute soevereiniteit over alle dingen te erkennen:

 

"Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden."

(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Fatiha 1, vers 2)

Het prijzen is het eerste verlangen dat wordt aangewakkerd in het hart van de gelovige wanneer Allah (swt) genoemd wordt. Want bestaan van de mens zelf is een uiting van ultieme gunst van Allah (swt), wat (in de mens) dankbaarheid en respect tegenover Allah (swt) veroorzaakt. De manifestatie van de generositeit tegenover de mens en de andere schepping is overal in overvloed voorhanden en kan op ieder moment aanschouwd worden. Om Allah (swt) te prijzen aan het begin en einde van iedere handeling is een ander fundamenteel principe in het Islamitische geloof. De Koran zegt: "En Hij is Allah; er is geen God naast Hem. Aan Hem behoort alle roem in deze wereld en in het Hiernamaals" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Qasas 28, vers 70)

Desalniettemin, de genade van Allah (swt) is zo dat wanneer een gelovige "geprezen zij Allah (swt)" zegt, dit voor hem genoteerd wordt als een goede daad die zwaarder weegt dan al het andere. ‘Oemar ibn al Chattab, de metgezel van de Profeet (saw), heeft overgeleverd dat de Profeet (saw) vertelde hoe een man eens zei: "Mijn Heer, ik prijs U zoals passend is voor uw Majestueuze Aangezicht en de Grootsheid van Uw macht". De twee engelen die de man vergezelden wisten niet hoe de uitspraak van de man te evalueren, en zij verwezen de zaak door naar Allah, de Almachtige, die zei: "Schrijf het op zoals hij het zei, en wanneer hij tot Mij terugkeert zal Ik hem belonen zoals hij verdient".

Het laatste deel van het vers, "Heer der Werelden", drukt het geloof in de absolute universele godheid uit dat de kern is van het Islamitische concept God. Allah (swt) is de Enige, de Absolute, de Ultieme, de Eigenaar met volledige onafhankelijke autoriteit om te handelen in gans het universum. Hij is de Uiteindelijke Absolute Meester die de wereld heeft geschapen en die hierover blijft waken, ervoor blijft zorgen, en die de stabiliteit en welzijn hiervan verzekert. Deze levendige en dynamische relatie tussen de Schepper en het geschapene is de eeuwige bron van leven voor al het geschapene. Allah (swt) heeft de wereld niet geschapen en deze vervolgens op zichzelf achter gelaten. Hij blijft bij voortduring de handelende autoriteit over Zijn schepping, deze gevende wat het benodigd voor een voortdurend en betekenisvol leven. Dit is van toepassing op gans de schepping van Allah (swt).

Het erkennen van de absolute heerschappij van Allah (swt) maakt het verschil tussen helderheid en verwarring met betrekking tot de Absolute Eenheid van Allah (swt). De mensen vermengden niet zelden hun erkenning van Allah (swt) als de Enigste Schepper met verschillende afgoden die autoriteit zouden kennen in het leven. Het moge absurd lijken dat mensen ooit zo zouden denken, maar dit was de waarheid in het verleden en dit is nog een ware realiteit. De Koran spreekt over degenen die beweren "Wij aanbidden dezen (de afgoden) slechts opdat zij ons in Allah's nabijheid brengen" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Az Zoemar 39, vers 3). De Koran meldt ook dat sommige joodse en christelijke groepen "naast Allah hun geleerde mannen en hun monniken tot Heren (hebben) genomen" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera At Tauba 9, vers 31). Polytheïsme, oftewel het aanbidden van verschillende afgoden of halfgoden naast hetgeen werd gezien als "Oppergod", was een wijdverspreid gebruik toen Islam kwam in het Arabië van de zevende eeuw. De bevestiging van de Absolute Soevereiniteit en de Actieve Autoriteit van de Ene God over de ganse schepping was noodzakelijk om de rationaliteit en rust van het menselijke verstand te verzekeren, en om hem te verlossen van de wrede dwaling van het polytheïsme. De mens moet hiervoor gerustgesteld zijn dat een waakzame en zorgzame God heerst over deze wereld en deze noot zal achterlaten en verlaten.

Bij de komst van Islam was de wereld vol met onjuiste geloven en filosofieën en valse religies gebaseerd op bijgeloof, legendes en mythologie. Heel weinig ervan was waar of zelfs ook maar verstandelijk. Voor wat betreft het concept Allah (swt) en Zijn (swt) relatie met de mens en de wereld was er voldoende van de verschrikkelijke verwarring. Dit, op zijn beurt, leidde tot verwarring in het menselijke begrip van de wereld en het begrip van mens zijn eigen positie en rol hierin. De behoefte voor een op het verstand gebaseerd, helder en consistent stelsel van ideeën wordt enkel duidelijk wanneer we die duistere periodes onderzoeken wanneer er niet zo een stelsel was. We realiseren ons dan hoe zwaar zulke grote mythes en bijgeloven de mens vallen. We zullen hier meer over spreken wanneer we komen tot de studie van specifieke voorbeelden van deze situatie in de Koran. Het is vanwege deze behoefte dat Islam grote zorg besteed aan het corrigeren van de geloven van de mens en het helder definiëren van het concept en de aard van Allah (swt) en Zijn karakteristieken, alsmede de relatie tussen Allah (swt) en Zijn (swt) schepping. Dit wordt belichaamd in het Islamitische concept betreffende de Eenheid (Tauwhied) van Allah (swt), de essentie en het meest fundamentele principe van Islam. Met veel toewijding wordt gezorgd voor het vestigen en verhelderen van de bevestiging dat Allah (swt) de Ene is, de Absolute en Alomvattende Heer en Meester van alles dat bestaat. Het andere aspect van dit concept waaraan Islam de grootste aandacht besteed is het definiëren van de karakteristieken van Allah (swt), de afwezigheid waarvan door de eeuwen heeft geleid tot veel verwarring, verduistering en verwarrende religies en filosofische ideeën.

De intensiteit, de benadrukking en het detail waarmee Islam het concept van de Eenheid van Allah (swt) behandelt, alsmede al de onderwerpen die hiermee samenhangen, kan enkel gewaardeerd worden gezien de achterliggende omstandigheid van een grote hoeveelheid onjuiste geloven en verwarde theologieën, die opgehoopt waren tijdens de loop van de geschiedenis. Vanuit dit perspectief kan Islam heel duidelijk gezien worden als een diepgaande en tijdige handeling van genade voor de mensheid - een genade die schoonheid, eenvoud, helderheid, harmonie en erkenning van de menselijke natuur gegeven is.

 

"De Barmhartige, de Genadevolle"

(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Fatiha 1, vers 3)

Dit zijn twee karakteristieken die al de betekenissen en aspecten van genade en medeleven omvatten, en die genade belichamen als het bezit van Allah (swt), de Almachtige. Deze twee karakteristieken definiëren de relatie tussen de Heer (swt) als Schepper en Zijn (swt) schepping. Het is een relatie gebaseerd op enkel liefde, vrede, geruststelling en zorg, wat in de mens spontaan een gevoel van dankbaarheid naar boven brengt, en (een verlangen tot) prijzen tot Allah (swt).

In tegenstelling tot de Griekse mythologie of het Oude Testament (Genesis, 4:11 - 12) beschrijft Islam Allah (swt) niet als een vijand die de mens opjaagt met onophoudelijke wraak, of die plannen maakt tegen Zijn Schepping met wrok en wraakzucht.

 

"Meester van de Dag des Oordeels"

(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Fatiha 1, vers 4)

Dit vers zet een fundamenteel principe van Islam uiteen dat van de meest diepgaande invloed op het menselijk leven is: geloof in het Hiernamaals. De Koran reageert op het vreemde feit dat de mensen vaak geloofd hebben in Allah (swt) als Schepper maar niet hebben geloofd in een Dag des Oordeels, in een komend leven waar beloning en bestraffing uitgedeeld zullen worden om de balans van rechtvaardigheid te herstellen. Het is onder verwijzing hiernaar dat de Koran zegt: "En als gij hun vraagt: ‘Wie schiep de hemelen en de aarde?' zullen zij gewis antwoorden: ‘Allah'." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Loeqmaan 31, vers 25) . Op een andere plaats zegt de Koran over zulke mensen: "Maar zij verwonderen zich dat er uit hun midden een waarschuwer tot hen kwam. Dus zeggen de ongelovigen: ‘Dit is een zonderling iets! Zullen wij terug in het leven worden geroepen wanneer wij reeds dood zijn gaan en stof zijn geworden? Zulk een terugkeer is onmogelijk'."(Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Qaaf 50, vers 2 - 3). Geloof in het Hiernamaals is essentieel omdat het de menselijke ziel en het verstand betrekt bij het concentreren van de aandacht op een toekomstig bestaan. Dit, op zijn beurt, doet de menselijke obsessie met het huidige leven inperken. Het gaat de onmiddellijke menselijke verlangens te boven, en hij (de mens) is (hierdoor) niet langer ongeduldig om gans de beloning in het hier en nu te krijgen. Hij kan (hierdoor) zijn egoïsme te boven komen en altruïstische emoties en belangen ontwikkelen. De mens kan (hierdoor) door het leven gaan als een gemotiveerd, tolerant, vertrouwensvol en optimistisch wezen.

Dit centrale Islamitische geloof onderscheidt duidelijk het streven naar morele en intellectuele vrijheid dat de mens benodigt en verdient, en overgave aan de wereldse en egoïstische verlangens en geneugten. Het zet het verschil uiteen tussen de uitgebalanceerde en bewuste mensheid, en de egoïstische, in zichzelf gekeerde.

Het menselijke leven kan nooit uitgebalanceerd en eerlijk zijn totdat al de mensen geloven dat hetgeen zij verdienen in dit voorbijgaande leven niet het begin en het einde is. De mens heeft de aansporing nodig van een overtuigd geloof dat een ander leven op hem wacht, welke de worsteling en de opoffering  en de inspanning die hij moet onderneming in dit korte leven waard is. Dit geloof brengt een fundamenteel verschil in de gevoelens, houdingen en gedragingen van degenen die hiernaar leven.

"U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Fatiha 1, vers 5)

Dit vers verwoordt een ander fundamenteel principe, dat logisch consistent volgt uit de eerdere. Het is ook een definitief en cruciaal principe dat een lijn trekt tussen de vrijheid die de mens verdient middels overgave aan Allah (swt), en het misbruik en de onderdrukking die impliciet is in de menselijke overgave aan de mens.

Eenmaal de mens zich over gegeven heeft aan Allah (swt) en hulp en leiding zoekt enkel bij Hem, ij is

heeft hij volledige bevrijding gerealiseerd van de tirannie van alle religieuze, intellectuele, morele en politieke machten. Voor de gelovige in Islam valt de menselijke macht uiteen in twee categorieën: enerzijds de rechtgeleide macht die Allah (swt) erkent en zich aan Zijn (swt) voorschriften houdt, en anderzijds een arrogante, rebelse macht die de soevereiniteit en autoriteit van Allah (swt) niet erkent. Een moslim is verplicht om de eerstgenoemde te steunen en te bevestigen, ongeacht hoe zwak of in het nadeel deze moge zijn, en om de als tweede genoemde te verwerpen en tegenover te staan, ongeacht hoe sterk en dominant deze moge zijn. De Koran zegt: "Hoevele kleine groepen hebben niet onder Allah's bevel over een grote groep gezegevierd" (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 249). Zo een overwinning van degene die zwakker lijkt kan enkel gerealiseerd worden wanneer deze vertrouwt op Allah (swt), de Bron van Alle Macht.

Tegenover de natuurkrachten is de houding van een moslim een houding van nieuwsgierigheid en vriendelijkheid, in plaats van angst of vijandigheid. De machten van de mens en de machten van de natuur worden beschouwd als bij-producten van de macht van Allah (swt), en (beiden) onderdanig aan Zijn (swt) Wil. Zij zijn derhalve volkomen complementair en afhankelijk van elkaar.

Islam leert dat Allah (swt) de fysische wereld en al haar machten heeft geschapen opdat de mens dezen kan gebruiken en hier voordeel uit kan halen. De mens wordt geleerd en gericht tot het bestuderen van de wereld rondom hem, om het potentieel hiervan te leren kennen en om zijn omgeving te gebruiken voor hetgeen goed voor hem en zijn medemens is. Iedere schade die de mens lijdt aan de hand van de natuur is het gevolg van zijn onwetendheid of onbegrip van de natuur en van de wetten die deze ordenen. De meer de mens leert over de natuur, de meer vredig en harmonieus zijn relatie met de natuur en de omgeving zal zijn. Derhalve kan eenvoudig ingezien worden dat een concept als "het overwinning van de natuur" cynisch en negatief is. Het is vreemd aan de Islamitische begrippen en het verraad een schaamteloze onwetendheid van de spirit waarmee deze wereld geschapen is, alsmede de Goddelijke wijsheid die hierachter schuilgaat.

Omdat zij altijd bewust zijn van de Hand van Allah (swt) in het vormen en leiden van de wereld hebben de moslims een positieve, vriendelijke en constructieve visie op de relatie van de mens met de natuur. Simpel gezegd, deze visie erkent Allah (swt) als de oorsprong en de Schepper van deze machten, op basis van eenzelfde set van grondregels en wetten. Ze zijn ontworpen om tezamen te functioneren, voor een gedeeld doel, in harmonie, overeenstemming en gedeelde ondersteuning. De machten van de natuur zijn in essentie onderdanig aan de mens, die mentaal en fysiek uitgerust is om onderscheid tussen hen aan te brengen, om hun geheimen te ontrafelen, de wetten die hen ordenen te begrijpen, en vervolgens hen te gebruiken voor het verbeteren van de kwaliteit van het leven van de mens op aarde. De Koran stelt: "En Hij heeft alles van Hem afkomstig in de hemelen en op aarde aan u onderworpen." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Ad Djaasiya 45, vers 13).

Zo een uitwaarts gerichte visie sluit het achterblijven van iedere rest van vrees of isolatie uit, en staat in tegenstelling hiertoe een diepgaand gevoel van behoren toe. Waaronder de mens niet enkel gezien wordt als een integraal onderdeel van de grotere schepping maar als een essentieel en effectief onderdeel. Zo wordt de wereld een vriendelijke plaats. En dit wordt het best verwoord door de Profeet (saw) toen hij eens met zijn gezicht gericht naar de berg Oehoed stond, de plaats van een bittere nederlaag voor de moslims, en zei: Hoe houden wij van deze berg, en hoe houdt zij van ons! Dit vat samen de affiniteit die de Profeet (saw) voelde met de natuur ook in haar meest ruwe vorm.

Na deze fundamentele principes gevestigd te hebben wijst de soera op enkele praktische wijzen waarop op dezen gereageerd zou kunnen worden, de meest voorname waarvan het gebed is:

"Leid ons op het rechte pad. Het pad dergenen aan wie Gij gunsten hebt geschonken - niet dat van hen, op wie toorn is nedergedaald, noch dat der dwalenden." (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Fatiha 1, vers 6 - 7)

Met deze woorden smeekt een gelovige om het Rechte Pad getoond te worden en om geholpen te worden terwijl hij deze begaat, welke beiden niet gerealiseerd kunnen worden zonder de hulp, zorg en genade van Allah (swt). De leiding tot de correcte manier van leven garandeert het menselijke geluk in dit leven en in het Hiernamaals. Het resulteert uit de leiding van de menselijke natuur en instincten, verlangens en wensen tot erkenning en begrip van de Goddelijke Wil, waardoor het menselijke handeling in harmonie wordt gebracht met de natuurlijke orde en de fysieke wereld. De soera openbaart de aard van het "Rechte Pad" als het pad genomen door degenen die Allah (swt) heeft begunstigd, en niet het pad van degenen op wie de Toorn van Allah (swt) is nedergedaald door hun afwijking van de Waarheid, of het pad van de doelloze zonder kennis van de Waarheid. Het is het pad van gelukzaligheid en verlossing.

Dit, derhalve is Al Fatiha. De soera uitgekozen voor de dagelijkse, herhaaldelijke recitatie, waarzonder de Islamitische gebeden niet geldig zijn. Ondanks het feit dat de soera slechts kort is bevat het verschillenden van de meest voorname principes in het Islamitische geloof en de inzichten die hieruit resulteren. Van Profeet Mohammed (saw) is op betrouwbare wijze overgeleverd dat deze heeft gezegd dat Allah (swt) heeft gezegd, dat de vruchten van het "gebed zullen gelijk gedeeld worden door Mij en mijn dienaar, en Mijn dienaar zal gegeven worden hetgeen hij om vraagt":

Aangezien de gelovige reciteert: "Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden" zal Allah (swt) zeggen: ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen'. Aangezien de gelovige reciteert: "De Barmhartige, de Genadevolle" zal Allah (swt) zeggen: ‘Mijn dienaar heeft mij geprezen'. En aangezien de gelovige reciteert: "U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp" zal Allah (swt) zeggen: ‘Dit is tussen Mij en mijn dienaar, en mijn dienaar zal krijgen waarvoor hij vraagt'. En aangezien de gelovige reciteert: "Leid ons op het rechte pad, Het pad dergenen, aan wie Gij gunsten hebt geschonken - niet dat van hen, op wie toorn is nedergedaald, noch dat der dwalenden." zal Allah (swt) zeggen: ‘Dit is voor Mijn dienaar, en zijn wens zal hem gegeven worden'.

Deze hadith verklaart enkelen van de betekenissen van soera Al Fatiha. De lezer zal dit mogelijk waardevol achten om te kunnen begrijpen waarom Allah (swt) deze soera heeft gekozen voor de moslim om te reciteren minstens zeventien maal per dag. Terwijl zij opstaan voor hun verplichte gebeden, verdeeld over dag en nacht, en zelfs nog vaker indien zij vrijwillige gebeden verrichten.

Image

Seyyid Qoetb (1906 – 1966)
< Vorige   Volgende >
 [ Arabisch ]
Ayah
"Wij hebben de kinderen van Adam geëerd en Wij hebben hen op het vasteland en de zee gedragen en Wij hebben met goede dingen in hun onderhoud voorzien en Wij hebben hen duidelijk verkozen boven velen van hen die Wij geschapen hebben." (de vertaling van de betekenissen van soerat Al-israa 70)
Hadith

En Al Bukhari heeft over Abdullah verteld. Hij zei dat de Profeet (saw) het volgende had gezegd: "U zult na mij egoïsme meemaken en dingen die jullie verafschuwen" Zij zeiden: "Wat beveelt u ons te doen, Oh Profeet van Allah?" Hij zei: "Geef hen hun recht, en vraag Allah u uw recht te geven."

over hadith..