|
Binnen de oemma bestaat onder enkelen van de moslims het idee dat politieke partijen een haram zijn. Dit wordt dan beargumenteerd enerzijds door te stellen dat politieke partijen verdeeldheid van de oemma veroorzaken, en anderzijds door te stellen dat politieke partijen een innovatie in het geloof (bid'a) zijn.
Allah (swt) heeft de moslims inderdaad de plicht gegeven om verenigd te zijn, omdat Hij (swt) zegt hetgeen in vertaling zoveel betekent als: "En houdt u allen tezamen vast aan het koord van Allah en weest niet verdeeld" (3:103). En dit betekent niet enkel dat de moslims zich moeten verenigen, maar tevens dat zij moeten zich moeten verenigen op basis van Islam. De vraag is echter, waarom wordt door enkelen op gesteld dat politieke partijen te allen tijde verdeeldheid zaaien? De realiteit van iedere politieke partij is immers dat zij juist probeert mensen te verenigen. Een politieke partij heeft bepaalde ideeën waarvan zij denkt dat dit de juiste ideeën zijn, en zij werkt om de mensen hiervan te overtuigen. Zodat de mensen zich vanwege deze ideeën achter haar zullen scharen en haar in staat zullen stellen om deze ideeën in de praktijk ten uitvoer te brengen.
Het is een feit dat de meeste van de partijen zoals de wereld die vandaag de dag kent hun ideeën niet uit Islam halen, en dat zij in plaats hiervan uitermate gekant zijn tegen de ideeën van Islam. Deze specifieke partijen zijn derhalve inderdaad niet acceptabel volgens Islam, en de moslim mag zich met hen niet inlaten. Niet zozeer omdat zij inderdaad veelal verdeeldheid zaaien, maar eerst en vooral omdat zij zich niet op Islam baseren. Er zijn andere partijen in de wereld die stellen dat zij wel hun ideeën uit Islam halen. De meesten van hen zijn desalniettemin uitgesproken nationalistisch en/of sectarisch, en komen dus op voor de "Turkse moslims" of de "Koerdische moslims", of de "Libanese soenni moslims" of de "Libanese sji'a moslims, enzovoorts. Hierdoor behoren ook zij verworpen te worden door de moslims, ook al noemen zij zichzelf Islamitisch, omdat zij inderdaad streven naar verdeeldheid van de oemma. Anderen onder deze zogenaamd Islamitische politieke partijen zijn niet zozeer uitgesproken nationalistisch maar zij beperken zich desalniettemin toch tot de nationale politiek. Oftewel tot enkel de politieke kwesties van Pakistan, of van Turkije, of van Soedan, enzovoorts. Dit betekent dat deze partijen de grenzen accepteren die (in hoofdzaak) Groot-Brittannië en Frankrijk hebben getrokken door de Islamitische wereld. Zij accepteren de verdeling van de oemma in verschillende natiestaten zoals de imperialistische naties in het westen deze de oemma hebben opgelegd. Voor deze reden zijn ook zij niet acceptabel volgens Islam, omdat zij niet werken om terug vereniging van de oemma te realiseren. Hun doel impliceert een acceptatie van de verdeeldheid van de oemma, en hierdoor werkt hun bestaan de vereniging van de oemma dus effectief tegen.
Hiernaast, echter, bestaat ook een partij die stelt dat zij haar ideeën enkel en alleen uit Islam haalt en die het bestaan van verschillende natiestaten voor de oemma niet accepteert. Deze partij is de internationale Islamitische politieke partij Hizb ut Tahrir. Het idee waarop zij zich baseert is dat Islam gebiedt dat het leven geordend wordt volgens de Wet van Allah (swt), dat de problemen van de door Allah (swt) geschapen mens opgelost moeten worden volgens het Oordeel van Allah (swt), en dat dit de beste oplossing voor de mensheid is. En verder naar het voorbeeld van de Boodschapper van Allah (saw) en de Choelafa'a ar Rasjidien probeert Hizb ut Tahrir de ganse oemma te vereniging in één Islamitische Staat, Al Khilafa, die dit idee in de praktijk ten uitvoer zal brengen. Een dergelijke partij die streeft naar vereniging van de oemma op basis van Islam kan men natuurlijk onmogelijk beschuldigen van het zaaien van verdeeldheid onder de oemma. En haar bestaan bewijst dus dat niet alle politieke partijen tegen Islam zijn, dat niet alle politieke partijen streven naar verdeeldheid van de oemma, en dat niet alle politieke partijen de verdeeldheid van de oemma accepteren en dus de vereniging van de oemma tegenwerken. Daarom is het incorrect om in algemene zin te zeggen dat alle politieke partijen ingaan tegen de eenheid van de oemma. Sommigen van hen doen dit zeker wel, maar niet allemaal. En daarom moet geval per geval beoordeeld worden of de politieke partij werkelijk Islamitisch is of niet en of zij verdeelheid zaait of niet, om dan over het specifieke geval te oordelen. Men kan en mag dus niet op basis van een algemene stelling alle politieke partijen afwijzen.
Bovendien, in het vers dat volgt op Al Imraan 103 zegt Allah (swt) "Laat er onder u een groep zijn die oproept tot ghayr (hetgeen deugd doet), al m'arouf (het goede) gebiedt en al moenkar (het slechte) verbiedt" (3: 104). Middels dit vers gebiedt Allah (swt) de moslims dat sommigen van hen zich moeten verenigen om tot Islam op te roepen, om de mensen op te roepen zich aan Islam te houden, en om op te roepen tot een verbod van al hetgeen Allah (swt) niet toegestaan heeft. Dus het is feitelijk een gebod van Allah (swt) dat in de oemma een partij bestaat, omdat Allah (swt) zegt dat "onder" de oemma "een groep" moet zijn. Deze partij moet wel een politieke partij zijn omdat de activiteiten die Allah (swt) eist van deze groep politieke activiteit zijn. Want het omvat het oproepen van de mensen tot Islam, het oproepen tot het nemen van Islam als enigste leidraad in het leven, het oproepen tot een verbod op hetgeen Islam verboden heeft, en ook het ter verantwoording roepen van de leiders binnen de oemma opdat zij met enkel en alleen Islam zullen regeren. En dit zijn allemaal politieke actviteiten.
Het bestaan van vers 3: 104 betekent met andere woorden een plicht tot het bestaan van politieke partijen op basis van Islam, oftewel Islamitische politieke partijen. Precies zo begrepen ook de grote geleerden uit de geschiedenis van de oemma deze kwestie, zo blijkt uit een traditie van Al Djassas Al Hanafi met betrekking tot imam Aboe Hanifa. Al Djassas Al Hanafi vertelt hierin: "Ik hoorde Ibn Al Moebarak zeggen: ‘Toen Aboe Hanifa van de moord op Ibrahiem al Sa'igs hoorde huilde hij zo luid dat wij dachten dat hij zou sterven. Ik nam hem ter zijde en hij zei tegen me: ,,Bij Allah, hij (Ibrahiem al Sa'igs) was een verstandige man. Ik was al bang dat hem zoiets zou overkomen''. Ik vroeg: ,,Waarom?''. Hij antwoordde: ,,Hij kwam bij me en vroeg me (om raad). Hij was buitengewoon begaan met het gehoorzaam zijn tegenover Allah. Hij was een godvrezend man. (...) Hij vroeg me naar het gebieden van al m'arouf en het verbieden van al moenkar, tot we het beide eens waren dat het hierbij over een Goddelijke plicht gaat. Toen zei hij tegen me: ‘Strekt uw hand uit, dan geef ik u de bai'a'. Daardoor kwam er duister in onze relatie in Deze Zijde''. Ik vroeg: ,,Waarom?''. Hij antwoordde: ,,Hij riep mij op tot een van de Rechten van Allah en ik weigerde en zei hem, wanneer één enkele man deze opdracht na zou komen dan zal hij gedood worden zonder dat de mensen in een aangelegenheid hierdoor het goede zouden verkrijgen. Maar wanneer hij hiervoor rechtschapen ondersteuners weet te vinden en een man (van macht en invloed) die hem helpt en wiens geloof in Allah (swt) men vertrouwen kan, dan zou het mogelijk zijn (om voor de mensen het goede af te dwingen)''. Aboe Hanifa zei verder: ,,En zo kwam het dat iedere keer dat hij mij bezocht, hij er bij mij op aandrong hieromtrent zoals een gelovige er bij een schuldenaar op aan dringt. Iedere keer zei ik tegen hem: ‘Dat zaak hoor niet bij een individu. Zelfs de Profeten mochten dit niet, totdat het hen vanuit de Hemel opgedragen werd. Deze plicht is niet zoals de andere plichten. De andere plichten kunnen namelijk door een enkele man nagekomen worden. Wanneer deze zaak op één enkele man rust, echter, dan vergiet hij zijn bloed en is hij ten dode opgeschreven'. En ik vreesde voor hem, dat hij hierdoor zijn eigen dood veroorzaken zou. En als hij gedood zou worden, dan zou niemand anders het meer durven wagen zich hiervoor (het gebieden van het goede en het verbieden van het kwade) in te zetten''. Ibrahiem vertrok hierna naar Marw waar Aboe Moeslim zich bevond. Hij sprak harde woorden tegen hem, waarop Aboe Moeslim hem liet opsluiten. Daarop verzamelden zich de geleerden en de dienaren van Allah (swt) in Choerasan en zij bewerkstelligden zijn vrijlating. Hij (Ibrahiem) riep hem (Aboe Moeslim) opnieuw ter verantwoording, echter. Hij wendde zich opnieuw tot hem en zei: ‘Ik weet niets beters dat ik kan doen voor Allah, de Verhevene, dan jouw naar mijn beste vermogen ter verantwoording roepen. Naar mijn krachten zal ik je met mijn tong ter verantwoording roepen, daar ik in mijn handen geen macht hebt. Allah (swt) ziet mij echter, terwijl ik in Zijn (swt) naam jouw verafschuw'. En daarop liet hij (Aboe Moeslim) hem (Ibrahiem) doden''."
Deze traditie toont aan dat bijvoorbeeld ook Aboe Hanifa de mening toegedaan was dat de taken uiteengezet door Allah (swt) in vers 3:104 door een groep oftewel een partij verricht moeten worden, en dus dat een Islamitische politieke partij een plicht is op de oemma. Omdat een individu onmogelijk deze plicht tot het oproepen van de mensen tot Islam, het oproepen tot het nemen van Islam als enigste leidraad in het leven, het oproepen tot een verbod op hetgeen Islam verboden heeft en het ter verantwoording roepen van de leiders binnen de oemma, vervullen kan. Dus niet is de Islamitische politieke partij een innovatie in het geloof maar het ontkennen van deze plicht is de eigenlijke innovatie!
Met andere woorden, het is onjuist om politieke partijen te verwerpen op basis van opmerkingen als "politieke partijen brengen verdeeldheid" of "politieke partijen zijn een innovatie in het geloof". Beide stellingen zijn incorrect namelijk. Er moeten van Allah (swt) Islamitische politieke partijen bestaan die de door Hem (swt) gespecifieerde taken van oproepen tot ghayr, gebieden van al m'arouf en verbieden van al moenkar verrichten.
|