zaterdag 11 februari 2012 In de naam van Allah, De Barmhartige De Erbarmer
Home
Missie & Visie
De weg naar geloof
Verklaringen
Pamfletten
Boeken
Intellectualisme
Definities&Termen
Wetgeving
Politiek
Multimedia
Koran
Hadith
Reacties
Van de lezers
Nieuws & Commentaar
Boek
Home
Het belang van het nadenken over de dood: De voorbereidingen van de Profeet (saw) op het sterven Afdrukken E-mail
vrijdag 07 maart 2008

De voorbereidingen van de Profeet (saw), de Nobele Sahaba (ra), en de Vooraanstaanden van zij die na hen kwamen, op het sterven

In de Boodschapper van Allah (saw) hebben we een prachtig voorbeeld van houdingen om te volgen, en in de eerbare metgezellen en die ons voorafgingen, die rechtvaardig waren, hebben we een waarschuwing en herinnering. Zij hadden hun gedachte altijd bij de dood om hen te helpen gedenken en voor te bereiden op de Achira (het Hiernamaals). En als de dood hen naderde, zou je hen zien huilen uit vrees en angst voor Allah's (swt) bestraffing.

Voor wat de Boodschapper (saw) betreft, hij begon zijn voorbereiding door te bidden om vergeving voor degenen in het graf en het was tijdens de ziekte welke hem deed sterven, toen Aboe Moewayhiba, de bediende van de Profeet (saw) verhaalde: "De Boodschapper van Allah (saw) riep me in het midden van de nacht en zei: O, Aboe Moewayhiba, ik ben bevolen te bidden voor vergiffenis voor de mensen van het graf, dus kom met mij mee. Dus ik vertrok met hem, en toen hij (saw) tussen hen stond, zei hij: Vrede zij met jullie, bewoners van het graf. Waar jullie jezelf in bevinden is comfortabeler dan waar de mensen zich in bevinden, want beproevingen zijn genaderd als donkere lappen in de nacht, de één volgend op de ander, en elke van hen is erger dan de vorige. Toen kwam hij naar mij en zei: O, Aboe Moewayhiba, mij zijn de sleutels van de schatten van de wereld gegeven, met het eeuwige leven in het, daarna het Paradijs en er was mij een keus gegeven tussen dit en de ontmoeting met mijn Heer en het Paradijs, dus ik heb ervoor gekozen om mijn Heer en het Paradijs te ontmoeten. Dus ik zei: "Moge mijn vader en moeder voor u geofferd worden, neem de sleutels van de schatten van de wereld met het eeuwige leven erin en daarna het Paradijs". Maar hij zei: Nee, bij Allah, O Aboe Moewayhiba, ik heb ervoor gekozen mijn Heer en het Paradijs te ontmoeten. Toen bad hij om vergiffenis voor de mensen van het graf en vertrok, toen de pijn waar hij (saw) aan leed, opkwam. Toen de pijn erger werd, zei hij (saw), terwijl zijn hoofd gewikkeld was door de overweldigende pijn, tegen Al Fadhl: Roep de mensen. Dus hij verzamelde ze. Hij prees toen Allah (swt) en bad voor vrede op de metgezellen van Oehoed en vergeving voor hen en bad veel voor hen. Toen zei hij: En verder O mensen, prijs ik Allah tussen jullie, van wie er geen Heer buiten Hem verdient aanbeden te worden. Het is mij ter ore gekomen dat er sommige (onvervulde) rechten tussen jullie zelf zijn, dus wiens rug ik (onterecht) geslagen heb, hier is mijn rug en neemt dus je recht terug en als ik iemands eer heb gekrenkt, hier is mijn eer, dus neemt je recht terug. Hoewel verbolgenheid niet in mijn aard noch in mijn beschikking is, zou je door mij geliefd worden als je terugneemt wat jou toebehoort, of dat je mij dit recht vergeeft, zodat ik Allah gerust met mijn ziel kan ontmoeten en zelfs dit, zie ik niet als voldoende, totdat ik (de verantwoordelijkheid) elke keer onderneem. Hij stapte naar beneden en bad het Dhoehr gebed, toen keerde hij terug en ging zitten op de Minbar, terugkerend naar zijn preek betreffende verbolgenheid en andere kwesties. Een man stond op en zei: "O, Boodschapper van Allah, ik krijg nog drie Dirhams van u". Dus hij (saw) zei: Fadhl, geef het aan hem. Toen zei hij (saw): O, mensen, wie iets af te handelen heeft, moet het afhandelen en niet de schaamte van deze wereld vrezen, want beschaamdheid in deze wereld is minder dan die van de Achira. Dus een man stond op en zei: "O, Boodschapper van Allah, ik heb drie Dirhams die ik (onrechtvaardig) genomen heb op de weg van Allah". Hij (saw) vroeg: Waarom heb je het genomen? De man antwoordde: "Ik had het nodig". Hij (saw) zei toen: Neem het van hem Fadhl, en zei: O mensen, wie iets voor zichzelf vreest, moet naar voren komen zodat ik voor hem zal bidden. Dus een man stond op en zei: "O Boodschapper van Allah, ik ben een leugenaar en onfatsoenlijk en ik slaap te veel". Dus hij (saw) zei: O Allah, zegen hem met waarachtigheid, imaan en hef hem zijn slaap op indien hij dat wil. Een andere man stond op en zei: "Bij Allah, O Boodschapper van Allah, ik ben een leugenaar en een hypocriet en er is geen misdaad die ik niet begaan heb". Toen stond ‘Oemar ibn Al Chattab (ra) op en zei: "Jij hebt jezelf ten schande gemaakt". Dus de Boodschapper van Allah (saw) zei: O zoon van Al Chattab, de schande van dit wereldse leven is minder dan die van het Hiernamaals. Moge Allah hem zegenen met waarachtigheid, imaan en moge zijn kwestie tot een goed einde geleid worden.

De Profeet (saw) moedigde de mensen aan te zorgen voor de Ansaar en zei: ... en verder, O groep van de Moehadjirien, is het zo dat jullie aan het vermeerderen (in aantal) zijn en de Ansaar niet aan het vermeerderen zijn, zij zullen blijven zoals zij vandaag zijn. De Ansaar zijn mijn beschutting die mij hun hulp geboden hebben. Dus wees vrijgevig tegen hun vrijgevigen en ontzie hun tekortkomingen. De Boodschapper van Allah (saw) zei toen: Een bepaalde slaaf van Allah (saw) is de keus gegeven tussen wat hij ook maar zou wensen aan geneugten in deze wereld of wat Allah (swt) te bieden heeft, dus hij heeft gekozen wat Allah (swt) te bieden heeft. Aboe Bakr (ra) huilde toen en zei: "Wij offeren onszelf, onze vaders, onze moeders en zonen voor u, o Boodschapper van Allah (saw)". De mensen waren verrast door de reactie van Aboe Bakr (ra) en sommigen zeiden: "Kijk naar deze sjeich. De Boodschapper van Allah (saw) informeert ons over een slaaf die een keus door Allah (swt) gegeven is en hij zegt: ‘we offeren onze vaders en moeders voor u?' " De Boodschapper (saw) zei toen in antwoord op Aboe Bakr (ra): Rustig, Aboe Bakr. Zie je deze open deuren van de Moskee (in Mekka), sluit hen, behalve voor degene die het huis van Aboe Bakr aandurft, want de meest gracieuze der mensen in zijn vriendschap en rijkdom voor mij is Aboe Bakr en als ik onder de slaven van Allah (swt) een boezemvriend moest nemen, zou ik voorzeker Aboe Bakr als boezemvriend nemen, maar het zal (voor nu) vriendschap en broederschap in imaan zijn, totdat Allah (swt) ons in Zijn gezelschap bijelkaar zal brengen.

De moeder der gelovigen, ‘Aiesja (ra) zei: "Ik zag de Boodschapper van Allah (saw) toen hij stervende was. Met hem was een container van water waar hij zijn handen indeed en over zijn gezicht veegde, zeggende: Laa illaaha ilAllah, waarlijk de dood heeft haar kwellingen. O Allah, help me met de kwellingen van de dood, en hij hield zijn vinger op, zeggende: Neen, de Meest Hoge metgezel, de Meest Hoge metgezel. Hij (saw) keerde zijn zicht, zich richtend op de dak van het huis en zei: O Allah. De Meest Hoge metgezel, toen overleed hij met zijn hand vallend in het water.

Toen de tijd van Aboe Bakr As Siddiq (ra) kwam, drukte ‘Aiesja (ra) haar gedachten over de situatie met de volgende woorden uit: "Bij jouw leven, rijkdom is van geen waarde, wanneer ze (de dood) de keel doet rammelen en de borst doet beperken". Dus Aboe Bakr (ra) legde zijn gezicht bloot en zei: "Het is niet zoals dit, mijn dochter, ik zeg liever: En de verdovende toestand van de dood, zal de waarheid (voor zijn ogen) brengen. Dit was het waarvan je probeerde te ontkomen! Neem mijn twee stukken van kleding, was ze en begraaf mij in hen, want de levenden zijn meer benodigd voor nieuwe kleding dan de doden". Toen Aboe Bakr (ra) stervende was, zei ‘Aiesja (ra), hem prijzende: " Zijn witte gezicht, de vogels voedend met het licht van zijn gezicht, de zomertijd voor de wezen en de beschermer van de weduwen". Aboe Bakr zei toen: "Dit is een beschrijving van de Boodschapper van Allah (saw)". Salman Al Farisi (ra) kwam toen de kamer binnen en zei: "O Aboe Bakr (ra), vertrouw ons iets toe". Dus de Siddiq zei: "Allah (swt) is de wereld voor jullie aan het openen, dus neem er niet van, behalve wat je nodig hebt en weet dat wie Fadjr (het ochtendgebed) bidt, onder de bescherming van Allah (swt) staat, dus beschaam Allah (swt) niet in zijn bescherming, Allah (swt) zal ons anders op onze gezichten in het hellevuur gooien".

Toen de last op Aboe Bakr (ra) zwaar werd, vroeg hij naar ‘Oemar ibn Al Chattab (ra), en vertrouwde hem een machtige taak toe, zeggende: "Ik wens jou een taak toe te vertrouwen, als je het toestaat... Allah (swt) heeft rechten op jou gedurende de nacht welke Hij niet van jou overdag zal accepteren en Hij heeft rechten op jou overdag, welke hij niet van jou zal accepteren in de nacht. Hij accepteert niet een Nafila (vrijwillige daden van aanbidding) totdat de Fard (plicht) uitgevoerd is. Waarlijk, de schalen in het Hiernamaals zijn zwaar voor degenen wiens schalen zwaar zijn geworden vanwege het zoeken naar de waarheid in deze wereld. En het is gepast voor de schalen om zwaar te worden, indien de waarheid op hen is geplaatst. En waarlijk, de schalen in het Hiernamaals zijn licht voor degenen wiens schalen licht zijn geworden omdat zij de valsheid volgden en omdat het onbelangrijk voor hen was. En het is passend voor de schalen om licht te worden wanneer de valsheid op hen geplaatst wordt. Heb je niet gezien dat Allah (swt) de verzen van verwachting heeft geopenbaard met de verzen van strengheid, en de verzen van strengheid tezamen met de verzen van verwachting? En Hij openbaarde het vers van genade en het vers van de bestraffing zodat de slaaf in een staat van verlangen en angst is, zodat hij zichzelf niet in de vernietiging (het Hellevuur) gooit en niets van Allah (swt) zal vragen, behalve de waarheid". Het laatste wat hij (ra) zei voordat zijn ziel uit zijn lichaam vertrok was: "Mijn Heer, laat me sterven als iemand die zich aan U overgegeven heeft en verenig mij met de Salihien (rechtvaardigen)" .

Wat ‘Oemar Ibn Al Chattab (ra) betreft, hij ging vier dagen voor zijn dood naar buiten om de markten over te steken. Hij ontmoette Aboe Loeloe, de dienaar van Al Moeghira, die zei: "O Amier van de Gelovigen, laat me de weg zien naar Al Moeghirah ibn Sh'oeba, want hij betaalt mij goed. ‘Oemar (ra) zei: "Hoeveel krijg je?" Hij antwoordde: "twee dirhams".

‘Oemar (ra) vertrok vervolgens naar zijn huis en toen hij er vlakbij was, kwam Ka'ab Al Ahbar naar hem en zei: "O Amier der Gelovigen, wees geïnformeerd over het feit dat je in drie dagen zult sterven". ‘Oemar (ra) zei: "En hoe weet je dit?" Ka'ab antwoordde: "Ik heb het in de torah gezien". ‘Oemar (ra) zei: "Bij Allah (swt), vind jij ‘Oemar ibn Al Khattab in de Torah?". Ka'ab antwoordde: "Bij Allah, nee, maar ik vond wel uw beschrijving en uw beschikking en uw Adjal is aan zijn einde gekomen". De volgende dag ging Ka'ab wederom naar hem en zei: "O Amier der Gelovigen, een dag is vergaan en er zijn twee over". En na deze dag, zeggende: "Twee dagen zijn vergaan en een dag en nacht zijn over". Toen de ochtend aanbrak, ging ‘Oemar (ra) naar het gebed waar hij een man delegeerde om ervoor te zorgen dat de rijen recht waren, en toen hij zeker was van de organisatie, begon hij het gebed. Toen kwam Aboe Loeloe, moge Allah's (swt) vloek op hem neerdalen, tussen de mensen met een tweekoppig mes die in het midden aansluit, en stak ‘Oemar (ra) zes keer - een van deze net onder zijn navel, welke degene was die hem uiteindelijk dood deed gaan. De heiden rende vervolgens weg, niemand aan zijn linker of rechter kant overlatend zonder hem te raken (met zijn mes). Uiteindelijk waren er dertien mannen gestoken, waarvan er negen overleden. Toen een van de moslims dit zag, gooide hij een mantel over de moordenaar heen en toen de heiden dacht dat hij gevangen was, pleegde hij zelfmoord.

Toen ‘Oemar (ra) de warmte van het bloed uit de steekwonden voelde, viel hij en riep hij uit: "Is Abdoerrahman ibn ‘Auf onder de mensen? Zij antwoordden: "Ja, hij is daar". ‘Oemar (ra) zei tegen hem: "Kom naar voren en leidt de mensen in het gebed". Dus Abdoerrahman leidde de mensen in het gebed, terwijl ‘Oemar (ra) op zijn zij lag. De rijen achter ‘Oemar (ra) konden zien wat er gebeurd was, maar de mensen die aan het uiteinde van de Moskee baden, hadden geen idee van wat er afspeelde, alleen dat ze ‘Oemar's (ra) stem misten en zij riepen ‘soebhan Allah, soebhan Allah'. Dus Abdoerrahman leidde de mensen in een licht gebed, waarna de mensen ‘Oemar (ra) naar zijn huis droegen, waar hij zei: "O Ibn Al ‘Abbas, ga en kijk wie mij neergestoken heeft". Dus Abdoellah ging en keerde na een uur terug en zei: "De bediende van Al Moeghirah ibn Shoe'ba". ‘Oemar (ra) zei: "Moge Allah (swt) de oorlog aan hem verklaren. Ik had zojuist een goede daad voor hem gedaan". Toen zei hij: "Alle lof zij voor Allah (swt) die me niet heeft laten sterven door de handen van een moslim die ook maar een keer zichzelf neergeworpen heeft voor Allah (swt)". De mensen deden die dag alsof ze nog nooit eerder een calamiteit aanschouwd voor deze, waar een man zou zeggen dat hij zich goed voelt en de ander zeggende dat hij bezorgd is. Zij wisten toen dat hij op het punt stond om te sterven.

De Moehadjirien en de Ansaar begonnen hem te bezoeken en hem hun laatste lofuitingen te geven. Toen Ka'ab Al Ahbar kwam, herinnerde hij ‘Oemar (ra) aan wat hij gezegd had. Hij zei: "Ka'ab vertelde mij van drie die hij geteld heeft en er is geen twijfel in het feit dat de kwestie is zoals hij mij verteld heeft, wat goed is het voor mij om voorzichtig met de dood te zijn, want ik zal zeker sterven, maar ik vrees de zonde die gevolgd is door een andere". Één van de mensen die hem bezocht was een jonge moslim, die tegen hem zei: "Verheugde tijden, o Amier der gelovigen, met blijde tijdingen van Allah (swt), jij had het gezelschap van de Profeet (saw) en een rol in Islam die je goed weet, jij verzorgde vervolgens de moslims en was rechtvaardig in jouw taken, en vervolgens een Sjahied". Toen zei ‘Oemar (ra): "Amier der Gelovigen? Ik zou wensen dat er geen punt voor me, noch tegen me was". En toen de jongeman wegliep, merkte ‘Oemar (ra) op dat zijn gewaad op de vloer sleepte, dus hij zei: "Breng me de jongen terug". En toen kwam de jongen en hij zei tegen hem: "O, zoon van mijn broer, hef jouw kledingstuk op, want het is puurder voor jouw kleren en meer godvrezend".

Toen ‘Ali ibn Abi Talib (ra) de kamer binnentrad, merkte hij op dat ‘Oemar (ra) huilde, dus hij vroeg: "Wat maakt je aan het huilen, o Amier der Gelovigen?". ‘Oemar (ra) antwoordde: "Ik huil over het nieuws in de hemel, zal ik naar het Paradijs gestuurd worden of in het Hellevuur gegooid worden?" ‘Ali zei: "Blijde tijdingen, want ik heb de Boodschapper van Allah (saw) horen zeggen: De twee meesters van de Koehoel (gerespecteerde mensen) van het Paradijs zijn Aboe Bakr en ‘Oemar. ‘Oemar (ra) zei: "Ben jij een getuige voor mij, o ‘Ali, dat ik het Paradijs zal hebben?" ‘Ali antwoordde: "Ja". ‘Oemar (ra) zei toen: "En jij, o Hassan, bent een getuige voor jouw vader dat de Boodschapper van Allah (saw) gezegd heeft dat ‘Oemar (ra) een van de mensen van het Paradijs is?". Toen Abdoellah ibn ‘Abbas arriveerde, zei hij tegen ‘Oemar (ra): "Verheugde tijdingen van het Paradijs, o Amier der Gelovigen. U was een metgezel van de Boodschapper van Allah en dit gezelschap was lang. Vervolgens zorgde u voor de zaken van de moslims, waar u ferm in stond en het vertrouwen vervulde. Allah (swt) bracht vele kwesties op u neer. Hij betaalde de liefdadigheden via u en verspreidde de welvaart via u". ‘Oemar (ra) zei: "Voor wat betreft jouw blijde tijdingen van het Paradijs, bij Allah, niemand verdient aanbeden te worden behalve Hij, als ik deze wereld en alles wat erin zit in mijn bezit had, zou ik het betalen als een losgeld om te ontsnappen aan de gruwelijkheden die ik zal ontmoeten voordat de beslissing aan mij gegeven is. En voor wat betreft jouw gezegde aangaande de leiderschap over de moslims, bij Allah, ik wens dat ik op dezelfde manier hoe ik deze functie binnen ben gekomen, van deze plek weggehaald zal worden, zonder het hebben van een goede daad of een zonde. Voor wat betreft jouw gezegde aangaande het metgezelschap met de Boodschapper van Allah (saw), het is dit (waar ik naar verlang)". Toen zei hij (ra): "Laat me zitten". En hij ging rechtop zitten, hij zei tegen Abdoellah ibn ‘Abbas (ra): "Herhaal hetgeen jullie gezegd hebben". Nadat zij het herhaald hadden, zei ‘Oemar (ra): "Zullen jullie van dit getuigen op de Dag des Oordeels?" Ibn ‘Abbas zei: "Ja". Dus ‘Oemar (ra) was tevreden met dit, toen hij zei: "Als een omroeper zou roepen vanuit de hemel: O mensen, jullie zullen allen het Paradijs binnentreden, behalve één, zou ik vrezen dat ik diegene zou zijn. En als een omroeper zou roepen: O mensen, jullie zullen allen het Hellevuur binnengaan behalve één, zou ik hopen dat ik diegene zou zijn".

Toen ‘Oemar (ra) de dood naderde, zei hij tegen zijn zoon: "Mijn zoon, wanneer de dood tot mij komt, plaats je hand dan op mijn voorhoofd en jouw linkerhand op mijn wang, zodat als ik dood ga, je mijn ogen zal sluiten en je mij snel zult begraven. Want als ik een betere plek bij Allah (swt) zal hebben, zal Hij mij een betere plek geven, en als het anders dan dit zal zijn, dan zal ik sneller weggenomen worden. En stuur geen vrouw met mij mee (bij de begrafenis) en spreek geen goede dingen over mij die niet waar zijn, want Allah (swt) heeft meer kennis over wie ik werkelijk ben. Als jullie met mijn lichaam vertrekken, loop dan snel, want als er het goede voor mij is bij Allah (swt) moeten jullie mij sturen naar hetgeen dat beter voor mij is of indien het anders is, moeten jullie het slechte zo snel mogelijk van jullie schouders verwijderen". Hij (ra) zei vervolgens: "Plaats mijn wang op de grond". Want zijn hoofd was in Abdoellah ibn ‘Oemar's (ra) schoot, dus Abdoellah verplaatste zijn hoofd naar zijn been en zei: "Wat is het verschil of het in mijn schoot of op de grond ligt?" ‘Oemar (ra) zei: "Zet mijn hoofd op de grond", Abdoellah deed het vervolgens. En toen ‘Oemar's (ra) wang en baard tegen de grond gedrukt lagen, zei hij: "Wee jou en jouw moeder, o ‘Oemar als Allah (swt) jou niet vergeeft, o ‘Oemar", waarna hij overleed.

Wat Thoel Noewrayn (degene met de twee stralende lichten), ofwel ‘Oethman ibn Affan (ra) betreft, toen hij in zijn huis gevangen werd gehouden en hij aan het vasten was, vroeg hij zijn gevangennemers om schoon water om zijn vasten te breken. Zij weigerden het en zeiden: "Jij zal niet meer hebben dan wat er daar verzameld is aan troep". Dus ‘Oethman (ra) brak zijn vasten niet, waarop zijn vrouw, Naaila bint Al Qaraafisa, vertrok om water te zoeken. Terwijl zij een groep mensen vond, vroeg zij of ze schoon water hadden, dus zij gaven haar een klein zakje van water en ze keerde terug naar ‘Oethman (ra) toen de Adzaan voor Fadjr ging en zei: "Dit is schoon water voor jou gebracht". ‘Oethman (ra) keek vervolgens naar buiten, zag dat de zon opgekomen was en zei: "Ik ben de dag vastend begonnen". Ze vroeg: "Hoe heb je gegeten, terwijl ik niemand jou eten of water heb zien geven?" Ze uitte dit met verbijstering, omdat het verplicht is op een moslim om zijn vasten te breken met voedsel of eten voordat hij aan een nieuw vasten begint. Hij zei: "Ik zag de Boodschapper van Allah (saw). Hij kwam naar mij toe vanaf het dak en had een water container en zei tegen mij: "O ‘Oethman, houden ze jou gevangen?". Ik zei: "Ja". Hij zei: "Hebben zij geweigerd jou water te geven?". Ik zei: "Ja". Dus hij gaf de watercontainer aan mij en zei: "Drink, O ‘Oethman". En ik dronk totdat ik verzadigd was. Toen zei hij (saw): "Meer". Dus ik dronk totdat ik goed gedronken had. Hij (saw) zei vervolgens: " Deze mensen zullen zich tegen jou keren, dus bevecht hen als je het wenst en je zult de overwinning over hen krijgen, of je kan hen verlaten en je vasten met ons breken, als jij dat wenst". Dus ik koos ervoor mijn vasten met hem te breken.

Kathier ibn Al Soelt kwam toen binnen, waarop ‘Oethman (ra) tegen hem zei: "Ik zie mijzelf niet vermoord worden op deze dag, o Kathier". Dus Kathier zei: "Allah (swt) zal jou de overwinning over jouw vijand schenken, o Amier der Gelovigen. Is jou iets overkomen vandaag, of is er iets tegen jou gezegd?". ‘Oethman (ra) antwoordde: "Nee, maar ik bleef vannacht tot laat op en gedurende de Soehoer (net voor zonsopgang) viel ik in slaap en zag ik de Boodschapper van Allah (saw), Aboe Bakr (ra) en ‘Oemar (ra), en de Boodschapper van Allah (saw) zei tegen mij: "O ‘Oethman (ra), laat ons niet wachten, want we wachten op jou". ‘Oethman (ra) overleed die dag.

Nadat ‘Oethman (ra) vermoord was, doorzochten ze zijn voorraad en vonden ze een kleine kist met papier erin. Erop stond geschreven: "Dit is het testament van ‘Oethman, in de Naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. ‘Oethman ibn ‘Affan getuigt dat er geen God waardig is aanbeden te worden, behalve Allah alleen, zonder partners aan Hem toe te schrijven, en dat Mohammed zijn slaaf en Boodschapper is en dat het Paradijs de waarheid is en het Hellevuur de waarheid is en Allah brengt de bewoners van de graven naar voren op een dag die zonder twijfel zal komen. Allah (swt) zal zijn belofte niet verbreken. We leven erop en we sterven erop, bij de wil van Allah (swt) zullen we voortgebracht worden".

Het is verhaald dat in de nacht dat ‘Ali ibn Abi Talib (ra) neergestoken was, Ibn Al Siyaaj tijdens zonsopgang naar hem kwam om hem tot het gebed op te roepen en hem traag en lui vond, toen kwam hij naar hem voor een tweede keer en vond hem in dezelfde staat, toen hij voor de derde keer kwam, werd ‘Ali wakker en begon hij te lopen, zeggende: "Bereid jezelf voor op de dood, want ze zal je ontmoeten en vreest de dood niet, zelfs als je je woonplaats bereikt hebt". Toen hij de ingang van de moskee bereikte, rende Abdoerahman ibn Moeljam naar hem, stak hem en ‘Ali zei: "Bij de Heer van de Ka'ba, ik heb gewonnen". Toen ze ‘Ali wegdroegen, vroeg hij: "Wat is er gebeurd met degene die mij gestoken heeft?". Ze zeiden: "Wij hebben hem weggehaald". Hij zei: "Voedt hem met mijn eten en geeft hem van mijn drinken, zodat indien ik in leven zal blijven, ik zal beslissen wat ik met hem zal gaan doen en als ik dood ga, slaat hem dan niet meer dan een keer". ‘Ali vertrouwde vervolgens het wassen van zijn lichaam (en de begrafenisrituelen) aan Al Hassan toe en zei: "Weest niet buitensporig in het wikkelen van mijn lichaam, want de Boodschapper (saw) zei: Weest niet buitensporig in het wikkelen (van het dode lichaam), want het zal snel weggenomen worden. Loop snel, maar haast niet, beweegt noch langzaam, want indien er iets goeds op mij wacht, hebben jullie mij snel gebracht en indien er iets kwaads op mij wacht, hebben jullie mijn gewicht sneller van jullie schouders gehaald".

Toen de dood Moe'ath ibn Djabal (ra) naderde, zei hij: "Kijk of de morgen al gekomen is". En er werd gezegd: "Nog niet". En hij bleef hen dit vragen totdat de morgen aanbrak, waarop zij hem informeerden: "De morgen is aangebroken". Dus hij zei: "Ik zoek mijn toevlucht bij Allah (swt) tegen een nacht wiens ochtend in het Hellevuur is". Vervolgens zei hij: "Welkom, dood, jij afwezige bezoeker en geliefde die komt in tijden van nood. O Allah, in het verleden heb ik U gevreesd en vandaag smeek ik U (voor Uw genade). O Allah, U weet dat ik nooit van deze wereld en het lange leven in haar gehouden heb om paden voor rivieren te maken of bomen te planten, ik hield meer van de dorst op de lange midzomer dagen (door het vasten) en het opblijven (biddend) tijdens lange winternachten, het worstelen met de uren en de drukte van geleerden bij bijeenkomsten in het gedenken van Allah".

Toen de dood Bilal (ra) naderde, zei zijn vrouw: "Hoe droevig is dit moment". En hij zei: "Nee, zeg: Hoe vreugdevol is dit moment. Want morgen zien we de geliefden, Mohammed (saw) en zijn metgezellen". En betreft de Moeder der gelovigen, ‘Aiesja (ra), toen ze op het punt van sterven lag, kwam Abdoellah ibn ‘Abbas. Hij prees haar en zei: "Blijde tijdingen, o vrouw van de Boodschapper van Allah (saw), hij trouwde niet met een jongere behalve jij en jouw onschuld werd vanuit de hemel nedergezonden". Ibn Al Zoebair (ra) kwam na Ibn ‘Abbas de kamer binnen en ze zei tegen hem: "Abdoellah ibn ‘Abbas prees mij, terwijl ik niet wenste dat ik iemand vandaag mij zou horen prijzen. Ik wou dat ik compleet vergeten was, gewist van mijn bestaan".

Aboe Moeslim zei: "Ik kwam naar Aboe Al Darda (ra) en zag hem tegen zichzelf jammeren: ‘Is er een man die zichzelf zou werken tot een vernietiging als de mijne? Is er een man die zichzelf naar deze dag van mij zou toewerken? Is er een man die zichzelf naar dit uur van mij zou toewerken?' Vervolgens overleed hij, moge Allah (swt) genade met hem hebben".

Salman Al Farisi huilde toen de dood hem naderde. Er werd hem gevraagd: "Wat maakt je aan het huilen?". Hij zei: "De Boodschapper van Allah beloofde ons dat wat we aan overmaat (in bezit) hebben, vergelijkbaar zal zijn (op de Dag des Oordeels) met de overmaat van vervoer voor een ruiter, en kijk naar al deze overmaat (in bezit) van mij". En er werd gezegd dat alleen zijn borden en bestek, een kom en een wasbassin over waren, welke niet meer waard waren dan ongeveer 10 dirhams.

Aboe Hoeraira (ra) huilde op zijn doodsbed en er werd hem gevraagd: "Wat maakt je aan het huilen?" Hij antwoordde: "Ik huil niet om die wereld van jou, ik huil om de lange reis die ik voor mij heb en de kleine hoeveelheid provisie die ik bij me heb. Ik sta op het punt te gaan naar een baan naar Paradijs en het Hellevuur en ik weet niet naar welke van hen het me zal leiden".

Er is verhaald door Al Moezni, die zei: "Ik kwam naar Al Sjafi'i gedurende zijn ziekte, welke hem deed overlijden, en zei tegen hem: ‘Hoe was jouw ochtend?'. Hij zei: ‘Ik werd wakker, vertrekkend van deze wereld, mijn metgezellen achterlatend, op mijn weg mijn slechte daden te ontmoeten, om te drinken van de beker van verlangen (voor vergeving) en naar Allah (swt) ga ik voort. Ik weet niet of mijn ziel naar het Paradijs gestuurd zal worden, opdat ik haar mag feliciteren, of naar het Hellevuur, opdat ik mijn medelijden kan tonen'. Hij begon vervolgens te zeggen: ‘Wanneer mijn hart verhard werd en de plaatsen voor ontsnapping op raakten, zorgde ik ervoor dat ik me van mijzelf ontvluchtte; Uw vergiffenis. Terwijl mijn zonden boven mij getorend zijn, vergeleek ik ze met Uw vergiffenis, mijn Heer en ik zag dat Uw vergiffenis groter was. U gaat door met mijn zondes te vergeven tot nu, bij Uw Heiligheid, Genade en Vrijgevigheid'." 

Toen Al Hassan ibn ‘Ali (ra) de dood naderde, kwam Al Hoessein (ra) de kamer binnen en zei: "Mijn broeder, waarom ben je bezorgd?. Je staat op het punt de Boodschapper van Allah (saw) en ‘Ali ibn Abi Talib te naderen, en zij zijn jouw vaders. En Khadidjah bint Khoewaylid en Fatima bint Mohammed, en zij zijn jouw moeders. En Hamza en Dja'far en zij zijn jouw ooms!". Hij antwoordde: "Mijn broer, ik ben iets aan het naderen wat op niets lijkt dat ik eerder benaderd heb".

Er werd ook verhaald dat toen ‘Oemar ibn Abdoel Aziez (ra) ziek werd, een dokter naar hem kwam om hem te bekijken en na hem bekeken te hebben zei hij: "Het schijnt dat de man met gif gevoed is en ik kan niet zeggen dat hij veilig is voor de dood". ‘Oemar (ra) rees vervolgens zijn zicht tot de dokter en zei: "Noch kan jij iemand anders tegen de dood veilig stellen, al heeft hij geen gif genomen!". De dokter zei: "Heeft u dit (gif) gevoeld, o Amier der Gelovigen?". Hij antwoordde: "Ja, ik heb het geweten vanaf het moment het mijn maag binnendrong". De dokter zei: "U moet een behandeling nemen, want ik vrees dat u dood zal gaan". ‘Oemar zei: "Mijn heer is een betere keuze om heen te gaan. Bij Allah, als ik wist dat mijn genezing aan de top van mijn oor zat, zou ik niet mijn hand rijzen het te pakken". En wanneer de dood tot hem kwam, begon hij te huilen en er werd hem gevraagd: "Wat maakt u aan het huilen, o Amier der Gelovigen? U moet in vreugde zijn, want Allah heeft vele Soenna's terug tot leven gebracht door middel van u en rechtvaardigheid door u verspreid". Hij antwoordde: "Zal ik dan niet terecht staan en ondervraagd worden, betreffende deze creaties? Bij Allah, ik ben rechtvaardig geweest, maar ik vrees voor mijzelf dat het geen gewicht zal dragen voor Allah, totdat het nauwkeurig onderzocht is met bewijzen, dus staat het met de meeste van onze handelingen?". En hij huilde uitbundig, en zei: "Laat me zitten!" Dus zij lieten hem zetten en hij zei: "Ik ben degene die jullie bevolen heeft en ik kwam tekort, en ik ben degene die jullie veroordeeld heeft en ik was niet gehoorzaam". Dit drie keer zeggende. Vervolgens zei hij: "Maar er is geen Heer waardig te aanbidden, behalve Allah". Hij hief zijn hoofd op en leek iets scherp te onderzoeken. Toen hij hierover gevraagd werd, zei hij: "Ik zie groene velden, ... en zij zijn mensen noch Djinn." Toen stierf hij.

Er werd verhaald over Haroen Al Rashied dat hij de doeken waarin hij wenste begraven te worden uitzocht, en reciteerde terwijl hij ernaar keek: "Mijn bezittingen zijn geen profijt voor mij geweest. Mijn macht is vergaan".

En er werd gezegd dat Abdoellah ibn Al Moebarak zijn ogen opende voor zijn dood en reciteerde: "Laat de werkers werken voor deze zaak". Vervolgens overleed hij.

Het is ook verhaald over Hoedhaifa, dat toen de dood hem naderde, hij zei: "Een geliefde is gekomen in een tijd van nood, ik zal niets hebben aan verdriet. O Allah, indien U weet dat armoede mij meer geliefd is dan rijkdom en ziekte mij meer geliefd is dan gezondheid en dood mij meer geliefd is dan leven, maakt dan de dood gemakkelijk voor mij totdat ik U ontmoet".

Dit was hun houding en zo was het hoe zij zichzelf ter verantwoording riepen. Zij leefden in wijde aarde van Allah (swt), het pad volgend die Hij heeft uiteengezet, Zijn Boodschapper (saw) volgend, voortdurend zichzelf ter verantwoording roepend en zichzelf op elke kwestie nauwkeurig onderzoekend, groot of klein. Zodat toen de dood tot hen kwam, hun reactie was alsof zij hun gehele leven in complete ongehoorzaamheid aan Allah (swt) leefden. Dit was te wijten aan hun intense angst voor Allah (swt) en hoe erg zij verlangden naar Zijn genade en vergiffenis. Waarlijk, dit is hoe een gelovige behoort te zijn, altijd op zijn hoede, altijd zichzelf ter verantwoording roepend, opvangend, voordat de tijd opraakt, wanneer verdriet van geen waarde meer is en spijt zinloos is.

< Vorige   Volgende >
 [ Arabisch ]
Ayah
"Wij hebben de kinderen van Adam geëerd en Wij hebben hen op het vasteland en de zee gedragen en Wij hebben met goede dingen in hun onderhoud voorzien en Wij hebben hen duidelijk verkozen boven velen van hen die Wij geschapen hebben." (de vertaling van de betekenissen van soerat Al-israa 70)
Hadith

Profeet (vzmh) heeft het volgende gezegd, "Wie een munkar waarneemt moet zijn handen gebruiken om het te veranderen. Als hij dat niet kan moet hij dit mondeling veranderen. Als hij dat niet kan moet hij het met zijn hart verwerpen, en dit is het zwakste soort van de iman" (door Muslim over Abu Said al Khudari)

over hadith..